Kind naar verschillende groepen verschuiven tijdens de wenperiode is niet zorgvuldig

De Geschillencommissie
Print Friendly, PDF & Email




Commissie: Kinderopvang    Categorie: Zorgvuldigheid    Jaartal: 2020
Soort uitspraak: bindend advies   Uitkomst: ten dele gegrond   Referentiecode: 14423/21559

De uitspraak:

Waar gaat de uitspraak over

Er is een voorval tussen de consument en een medewerkster van de ondernemer geweest, waar het zoontje van de consument bij was. Volgens de consument was er sprake van grensoverschrijdend gedrag. Tevens is het zoontje telkens naar andere groepen verschoven zodat hij geen vast gezicht had tijdens zijn wenperiode. De ondernemer vindt dat adequaat is gehandeld en dat serieus is omgegaan met de situatie. Zo is er een mediationtraject gestart. De commissie kan niet vaststellen wat er precies is gebeurd. De commissie vindt het in ieder geval niet verstandig om de consument in het bijzijn van haar zoontje aan te spreken over bepaalde zaken. Maar dit kan de ondernemer niet kwalijk worden genomen. Het verschuiven van het zoontje kan de ondernemer wel toegerekend worden. Er waren geen rooster-technische redenen om hem in andere groepen te plaatsen. Daarnaast is het verwisselen in de wenperiode niet goed voor de integratie van kinderen.

Volledige uitspraak

In het geschil:
[Naam consument], wonende te [woonplaats]

en

KDV Tomaz Hoogvliet B.V., gevestigd te Hoogvliet Rotterdam (hierna te noemen: de ondernemer)

Behandeling van het geschil
Partijen zijn overeengekomen dit geschil bij bindend advies door de Geschillencommissie Kinderopvang (verder te noemen: de commissie) te laten beslechten.

De commissie heeft kennis genomen van de overgelegde stukken.

De behandeling heeft plaatsgevonden op 6 mei 2020.

Bij brief van 26 maart 2020 heeft het bureau van de Commissie aan beide partijen bericht dat de Commissie de behandeling van het geschil zal afdoen zonder mondelinge behandeling. De Commissie heeft daartoe ook de bevoegdheid conform haar reglement. Alhoewel daartoe wel in de mogelijkheid gesteld, hebben geen van partijen aangegeven prijs te stellen op een mondelinge behandeling. Om die reden zijn partijen bij brief van 22 april 2020 geïnformeerd over de datum wanneer de Commissie zal beslissen over het geschil.

Onderwerp van het geschil
Het geschil heeft betrekking op een incident dat heeft plaatsgevonden tussen de consument en een medewerkster van de ondernemer op het moment dat de consument haar zoontje wegbracht naar de opvang. De consument stelt dat sprake is geweest van grensoverschrijdend gedrag, waarop door de ondernemer niet adequaat is gehandeld.

Standpunt van de consument
Voor het standpunt van de consument verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. In de kern komt het standpunt op het volgende neer.

Tijdens het brengen van haar zoontje naar de ondernemer is een medewerker van de ondernemer tekeer gegaan tegen de consument in het bijzijn van haar zoontje. De medewerkster vertoonde agressief gedrag en probeerde de consument te intimideren.
Nadat de consument met haar zoontje wegliep omdat hij begon te huilen begon de medewerkster nog harder te schreeuwen en bleef ze de consument achterna lopen. De consument durfde haar zoontje niet bij de medewerkster achter te laten en is weggegaan. Ze heeft meteen daarna de eigenaar gebeld en een melding gemaakt van grensoverschrijdend gedrag. Tot op heden is de betreffende medewerker hier niet op aangesproken en er zijn geen consequenties voor haar. De consument heeft dit meerdere malen bij de eigenaar aangekaart, helaas zonder resultaat. De eigenaar was op dat moment tevens werkgever van de consument. Onder andere door dit incident is de consument nu niet meer werkzaam bij deze werkgever en ook heeft zij de opvang opgezegd.
Door de betreffende medewerkster werd tevens geschoven met het zoontje van de consument naar andere groepen zodat hij geen vast gezicht had tijdens zijn wenperiode. Hij had daar erg veel moeite mee. Ook dit heeft de consument bij de ondernemer aangekaart.

De consument eist dat haar klacht serieus wordt genomen door de ondernemer en dat er een intern onderzoek komt naar het handelen van de betrokken medewerker. Daarnaast eist consument dat het protocol meldcode in acht wordt genomen zoals grensoverschrijdend gedrag van de medewerker bij ouder en kind.

Standpunt van de ondernemer
Voor het standpunt van de ondernemer verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. In de kern komt het standpunt op het volgende neer.

De ondernemer herkent zich totaal niet in het geschetste beeld. De consument heeft het voorval gemeld aan de leidinggevende van de ondernemer. De leidinggevende is hierop direct naar de woning van de consument gereden en heeft het voorval aangehoord en serieus genomen. Daarna heeft de leidinggevende direct contact opgenomen met de betreffende medewerkster. Deze medewerkster herkende zich totaal niet in de zienswijze op de gebeurtenis zoals verteld door de consument. Zij gaf aan een gesprek gevoerd te hebben met de consument waarbij de discussie ging over wie van de twee dames die dag op kantoor kon werken, aangezien er slechts plek is voor één persoon. Volgens de consument zou de medewerkster geschreeuwd hebben. De medewerkster ontkent dit met klem. Om dit conflict uit de wereld te helpen is er zeer snel een mediationtraject in gang gezet. Omdat agenda’s op elkaar afgestemd dienden te worden, heeft het eerste gesprek na twee weken plaatsgevonden tussen betrokkenen en een mediator. Laatste gaf aan dat de medewerker open stond voor een gesprek om de lucht tussen beiden te klaren. Hij gaf aan dat de consument hier waarschijnlijk ook open voor stond. Omdat in de tussentijd er sprake was van een onwerkbare situatie, heeft de leidinggevende van de ondernemer aangeboden om de consument in de privéwoning van de leidinggevende te laten werken. De andere leidinggevende van de ondernemer heeft daar met de consument gewerkt om haar verder in te werken. De consument heeft aan deze leidinggevende gevraagd wat hij van het voorval vond. Deze gaf aan er niet bij geweest te zijn en dat het moeilijk is om een oordeel te kunnen geven. De consument heeft toen de gebeurtenis uiteengezet. Daarbij is het van belang om aan te geven dat de consument sprak van een bedreigende en onveilige situatie met name voor haar kind. Dat zijn serieuze aantijgingen. De leidinggevende vroeg om een gedetailleerde uiteenzetting van het voorval. De consument schetste de gebeurtenis op een wijze waarbij het voorval wellicht vervelend was, maar waarbij de leidinggevende, gevraagd om zijn mening, aangaf dit niet als een bedreigende en onveilige situatie te beschouwen. De consument begreep deze mening niet en heeft toen nogmaals de situatie uiteengezet. Daarbij werd de tweede uiteenzetting van het verhaal anders dan de eerste versie, met name het volume waarop de betreffende medewerkster gesproken zou hebben week af van de eerste versie. Verder viel het op dat de consument wilde weten welke sancties en maatregels de leiding zou treffen tegen de medewerkster. De leiding gaf aan dat dit niet gedeeld dient te worden met andere werknemers, ook niet met de consument. De leiding kon enkel proberen om de situatie op te lossen door middel van (mediation) gesprekken. Het viel de leiding op dat de consument geen kans onbenut liet om te wijzen op vermeende tekortkomingen van de medewerkster in haar werk. Dit is door de leiding ter kennis aangenomen, echter was de toon waarmee de consument over de medewerkster sprak veelzeggend.

Met andere woorden, zij leek niet open te staan voor een verzoening. De weken erna viel op dat de consument twee weken ziek thuis zat en toen ze terugkeerde een negatievere werkhouding had. De consument heeft een zeer uitgebreide e-mail naar de ondernemer verstuurd waarbij de inhoud zeer negatief was. Allerlei zaken zijn daarin beschreven, met zelfs privéaangelegenheden en onwaarheden. De leidinggevende heeft toen een gesprek georganiseerd tussen beiden. In dit gesprek gaf de consument aan dat ze wilde vertrekken bij de ondernemer.
De ondernemer heeft dit geaccepteerd. Helaas bleef het hier niet bij.

De consument heeft een (anonieme) melding van vermeende misstanden bij de ondernemer gedaan bij de GGD, met alle gevolgen van dien. De ondernemer is zeer teleurgesteld in de (rancuneuze) houding van de consument. Zij wekt de indruk van een miskend slachtoffer, terwijl de leiding het voorval en de situatie tussen beide werknemers op meerdere wijze serieus heeft genomen en actie heeft ondernomen. Er is zeer snel een mediatongesprek geweest en de ondernemer heeft ervoor gezorgd dat de consument op een andere plek haar werk kon uitvoeren. De ondernemer ziet dan ook niet in op welke wijze anders gehandeld had kunnen worden. Het voorval is serieus genomen.

Het is het ene woord tegen het andere woord. Door het voeren van gesprekken met betrokkenen en proberen om de lucht te klaren, al dan niet onder begeleiding van een deskundige, zoals is gebeurd, is naar de mening van de ondernemer serieus met deze situatie omgegaan.

Beoordeling van het geschil
De commissie heeft het volgende overwogen.

Zoals blijkt uit de stukken was de consument ten tijde van het incident waarop de klacht betrekking heeft op 27 september 2019 werkzaam bij de ondernemer. De klacht van de consument heeft grotendeels betrekking op de arbeidsrechtelijke problematiek in de relatie tussen de ondernemer als werkgever en de consument als werknemer. De geschillencommissie is niet bevoegd in deze arbeidsrechtelijke verhouding en de daaruit ontstane problematiek uitspraak te doen. Het geschil waarvan de commissie wel kennis kan nemen en bevoegd is zich over uit te laten beperkt zich derhalve tot de klacht omtrent het brengen van het zoontje op 27 september 2019 waarbij de medewerker de consument mogelijk onheus heeft bejegend en het door de consument gestelde schuiven over verschillende groepen van haar zoontje in de wenperiode.

De commissie stelt vast dat uit te stukken niet kan worden afgeleid wat er precies is voorgevallen op de ochtend van 27 september 2019. De consument stelt dat sprake is geweest van agressief gedrag en intimidatie. Door de betreffende medewerkster wordt dit ontkend. Er zijn geen getuigen van het incident geweest, althans er is/zijn geen getuigenverklaring(en) in het dossier aangetroffen. Voor de commissie is niet mogelijk de exacte feitelijke toedracht vast te stellen. Aannemelijk lijkt dat er een woordenwisseling is geweest tussen de consument en de medewerkster in het bijzijn van haar zoontje. Door de consument is hiervan melding gemaakt bij de ondernemer. De wijze waarop de ondernemer het geschil heeft opgepakt en afgehandeld, ziet met name op de werkrelatie tussen partijen en, zoals hierboven al is overwogen, is de commissie niet bevoegd daarover te oordelen. Wat betreft het incident zelf, stelt de consument verder dat de ondernemer heeft gehandeld in strijd met het protocol kindermishandeling en grensoverschrijdend gedrag voor kinderopvang. Dit protocol is van belang bij drie verschillende situaties, te weten:
1. als er vermoeden is van huiselijk geweld en kindermishandeling in de thuissituatie;
2. bij een vermoeden van een gewelds- of zedendelict (mishandeling of misbruik) door een medewerker;
3. bij een vermoeden van seksueel grensoverschrijdend gedrag tussen kinderen onderling.

De commissie is van oordeel dat de door de consument gestelde gedragingen van de betreffende medewerkster, voor zover al juist, geen aanknopingspunten bieden voor de aanname dat er sprake is geweest van een geweldsdelict zoals bedoeld in voormeld protocol. Ook van de overige in het protocol genoemde gedragingen is geen sprake.
Daarom gaat de commissie aan deze stelling van de consument voorbij. Het vorenstaande neemt niet weg dat het geen verstandige keuze was van de betreffende medewerkster om de consument in het bijzijn van haar zoontje aan te spreken over bepaalde (werkgerelateerde) zaken. Zij had ervoor kunnen kiezen de consument te vragen dit samen te bespreken op een rustiger moment en niet op het moment dat de kinderen bij de opvang gebracht worden. Hiervan kan de ondernemer echter niet een zodanig verwijt worden gemaakt dat dit leidt tot gegrondheid van dit onderdeel van de klacht.

Tenslotte dient de klacht te worden beoordeeld dat de betreffende medewerkster haar zoontje in de wenperiode veel heeft verschoven naar andere groepen zodat hij geen vast gezicht had. De consument heeft gesteld dat haar zoontje daar veel moeite mee heeft gehad. Zij heeft hierover specifiek geklaagd in haar mail van 29 oktober 2019. De commissie merkt op dat, hoewel dit wel op zijn weg lag, de ondernemer op dit klachtonderdeel in zijn verweer niet is ingegaan. Uitgangspunt in de kinderopvang is dat het kind in de wenperiode in een vaste groep wordt geplaatst, zodat het snel zal wennen aan de betreffende pedagogisch medewerkers en de andere kinderen. Het verschuiven van kinderen naar andere groepen in de wenperiode is niet bevorderlijk voor de integratie van het kind. Gesteld noch gebleken is dat er aan de zijde van de ondernemer rooster-technische redenen waren om het zoontje van de consument meermaals in andere groepen te plaatsen en dat de ondernemer dit tijdig en deugdelijk onderbouwd heeft gecommuniceerd met de consument. Daarvan treft de ondernemer een verwijt en dit leidt tot gegrondheid van dit klachtonderdeel. Voor een intern onderzoek naar het handelen van de betrokkene medewerker, zoals door de consument is verzocht, ziet de commissie geen reden.

Derhalve wordt als volgt beslist.

Beslissing
De commissie:

– verklaart het klachtonderdeel van de consument dat betrekking heeft op de onheuse bejegening door de medewerkster van de ondernemer ongegrond;
– verklaart het klachtonderdeel van de consument dat betrekking heeft op de opvang van haar zoontje in de wenperiode gegrond;
– bepaalt dat de ondernemer overeenkomstig het reglement van de commissie aan de consument het klachtengeld ten bedrage van € 25,– dient te vergoeden binnen 14 dagen na de verzenddatum van dit advies;
– wijst het door de consument meer of anders verzochte af.

Aldus beslist door de Geschillencommissie Kinderopvang, bestaande uit de heer mr. J.M.P. Drijkoningen, voorzitter, mevrouw A.J.M. van Hoesel – de Haas, de heer H. Stel, leden, in aanwezigheid van mevrouw mr. M. Gardenier, secretaris, op 6 mei 2020.