Kinderopvangorganisatie weigert vader toegang tot kinderopvang na incident

De Geschillencommissie
Print Friendly, PDF & Email




Commissie: Kinderopvang    Categorie: Overeenkomst    Jaartal: 2022
Soort uitspraak: bindend advies   Uitkomst: gegrond   Referentiecode: 169741/171699

De uitspraak:

Waar gaat de uitspraak over

Er heeft een incident plaatsgevonden tussen de vader van het kind en een pedagogisch medewerker. De pedagogisch medewerker heeft de vader als dreigend en intimiderend ervaren. Volgens de ondernemer was het gedrag van de vader zo bedreigend en intimiderend, dat om die reden de overeenkomst is opgeschort en beëindigd. Daarnaast is hem ook de toegang tot de opvang geweigerd. De ouders van het kind willen een oordeel over de vraag of de opschorting en het weigeren van de toegang terecht is geweest. De commissie oordeelt dat de ondernemer het bestaan van een reden voor weigering van de toegang niet duidelijk heeft gemaakt. De ondernemer heeft namelijk na het incident twee weken gewacht, voordat de vader de toegang werd geweigerd. In de tussentijd heeft de zoon nog gebruik gemaakt van de opvang en is hij ook door de vader gebracht. De commissie oordeelt dat de ondernemer op onjuiste gronden besloten heeft tot opschorting van de overeenkomst en weigering van de toegang. De klacht is gegrond.

Volledige uitspraak

Onderwerp van het geschil
De ouders hebben de klacht voorgelegd aan de ondernemer.

Het geschil betreft de opschorting van de overeenkomst van kinderopvang voor de zoon van de ouders (hierna: de zoon) met ingang van 20 april 2022.

Standpunt van de ouders
Voor het standpunt van de ouders verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. In de kern komt het standpunt op het volgende neer.

De zoon maakt vier dagen per week gebruik van kinderopvang bij de vestiging van de ondernemer [naam vestiging]. Op 4 april 2022 heeft een incident plaats gevonden tussen de vader en een van de pedagogisch medewerkers van de groep. De pedagogisch medewerker heeft daarna aangegeven dat zij het gedrag van vader als dreigend en intimiderend heeft ervaren. De vader herkent zich niet in de omschrijving van de medewerkster en vindt juist dat de medewerkster zich niet professioneel heeft gedragen. Over zijn eigen gedrag zegt de vader dat hij niet boos was, maar wel gefrustreerd over het gedrag van de medewerkster. Nadat hij de opvang had verlaten, zag hij door het raam dat zijn zoon overstuur was en heeft hij besloten zijn zoon mee te nemen. Op 8 april 2022 heeft over dit incident een gesprek plaats gevonden tussen de ouders en de vestigingsmanager. Er is toen niet gesproken over eventuele beëindiging van het contract. Na 4 april is de zoon naar de opvang blijven gaan en (ook) door vader gebracht. Dat is steeds goed gegaan.

Op 19 april 2022 werd door de vestigingsmanager aan de ouders telefonisch medegedeeld (en daarna per mail bevestigd) dat het contract met ingang van 20 april 2022 werd opgeschort met een beroep op artikel 11 van de algemene voorwaarden en dat de ondernemer het contract wenste te beëindigen. Daarvoor werd als reden gegeven dat de reactie van de vader op 4 april onacceptabel en grensoverschrijdend was en dat het team zich niet veilig voelde als de ouders de vestiging betraden. De ouders werden door deze mededeling overvallen. Zij hebben nog voorgesteld om de zoon voortaan alleen door moeder te laten brengen en halen, zodat vader de vestiging niet meer zou hoeven te betreden, maar dat voorstel werd afgewezen. De ondernemer stelde dat geen zekerheid zou bestaan dat de vader de opvang niet meer zou betreden. De ouders vermoeden dat er andere redenen zijn om de kinderopvang te willen beëindigen. Er zijn alle lange tijd gesprekken over problemen op het kinderdagverblijf, die sinds de overname vooral te maken hebben met personeelstekorten, maar ook met het feit dat de dienstverlening gewijzigd is.

Ter zitting hebben de ouders meegedeeld te berusten in de ter zitting door de ondernemer gedane opzegging van de opvangovereenkomst. Er is inmiddels voor de opvang van de zoon van ouders een oplossing voor de opvang voor 2 á 3 dagen in de week, het opvangprobleem is daarmee nog niet helemaal opgelost, maar gezien alles wat er gebeurd is, leggen de ouders zich daarom bij de mededeling door de ondernemer van beëindiging van de overeenkomst neer. Zij willen van de commissie (slechts) nog een uitspraak over de vraag of de opschorting en de ontzegging van de toegang per 20 april 2022 in overeenstemming was met de regeling van artikel 11 van de algemene voorwaarden.

Standpunt van de ondernemer
Voor het standpunt van de ondernemer verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. In de kern komt het standpunt op het volgende neer.

De ondernemer heeft ter zitting van 20 mei 2022 de overeenkomst per direct opgezegd. De ondernemer stelt dat het gedrag van de vader op 4 april 2022 zodanig bedreigend en intimiderend was, dat om die reden de overeenkomst mocht worden opgeschort en vervolgens beëindigd. De vader heeft wild en agressief lades van de kast in de ruimte waarin ook de kinderen verbleven opengetrokken, schreeuwde tegen de medewerkster, hief van korte afstand dreigend zijn vinger naar haar en eiste dat zij meeging naar de gang om het gesprek voort te zetten. De medewerkster heeft verklaard dat zij zich onveilig voelde. Ook een tweede medewerkster die een deel van het incident meemaakte heeft dat verklaard. De zoon was overstuur en de andere kinderen waren van slag.

De ondernemer heeft na het incident gesprekken gevoerd met de betrokken medewerksters en andere medewerksters. De meest betrokken medewerkster heeft zich door het hetgeen gebeurd is tijdens het incident ziekgemeld en heeft een melding gedaan bij de politie. Uit gesprekken is gebleken dat medewerkers zich niet veilig voelen als de ouders de vestiging betreden. De ondernemer meent dat het incident zodanig zwaar was, dat er geen reden was om te volstaan met een waarschuwing en de ouders een tweede kans te geven. Dat komt mede doordat de vader in het gesprek van 8 april 2022 te kennen gaf zich niet te herkennen in de door de medewerkster gegeven beschrijving van het gebeurde.
Het klopt dat de zoon vanaf 5 april tot en met 19 april gebruik heeft gemaakt van de opvang en ook door vader is gebracht. De ondernemer bestrijdt dat er een andere reden voor de opschorting is geweest dan het incident van 4 april.

Omdat de ondernemer de veiligheid op de groep niet meer zou kunnen garanderen als de ouders de vestiging betreden, kon de ondernemer niet anders dan de opvang opschorten en te streven naar beëindiging. Volgens de ondernemer is sprake van een situatie als omschreven in artikel 11 van de Algemene voorwaarden voor Kinderopvang dagopvang en Buitenschoolse Opvang 2017 van de brancheorganisatie Kinderopvang. Vanwege de ernst van de situatie was een mogelijke oplossing waarin alleen moeder de zoon naar de opvang zou brengen niet acceptabel, omdat daarmee niet uitgesloten zou kunnen worden dat ook de vader de vestiging nog zou betreden.

De ondernemer betreurt het voor de zoon dat de opvang zo abrupt eindigt. Het zou goed voor hem zijn als hij nog afscheid kan nemen van zijn groep en de ondernemer biedt aan dat er nog een afscheid georganiseerd wordt.

Beoordeling van het geschil
De commissie heeft het volgende overwogen.

De commissie stelt allereerst vast dat partijen ter zitting zijn overeengekomen dat de opvangovereenkomst per direct eindigt en dat de ouders uitsluitend nog een oordeel wensen over de vraag of de opschorting en ontzegging van de toegang met ingang van 20 april 2022 terecht is geweest. Over die vraag overweegt de commissie het volgende.

De commissie heeft geconstateerd dat de Algemene voorwaarden voor Kinderopvang Dagopvang en Buitenschoolse Opvang 2017 van de brancheorganisatie Kinderopvang (hierna: Algemene Voorwaarden) geen deel uitmaken van de in december 2018 gesloten opvangovereenkomst. Partijen beroepen zich echter wel over en weer op de inhoud van de Algemene Voorwaarden en de commissie beschouwt deze dan ook als de grondslag van hetgeen tussen partijen is overeengekomen.

Artikel 11 lid 2 en sub b van de Algemene Voorwaarden bepaalt dat de ondernemer het recht heeft:
“het kind en/of de Ouder de toegang tot de locatie te weigeren voor de duur van de periode dat een normale opvang van het kind redelijkerwijs niet van de Ondernemer mag worden verwacht en het kind niet op de gebruikelijke wijze kan worden opgevangen. Bijvoorbeeld omdat…. b. Het kind en/of de Ouder een risico of bedreiging vormt voor de geestelijke en/of lichamelijke gezondheid of veiligheid van anderen, na te zijn gewaarschuwd, tenzij een waarschuwing redelijkerwijs niet van de Ondernemer mag worden verwacht”.

De commissie is van oordeel dat de ondernemer het bestaan van een reden voor weigering van de toegang als omschreven in artikel 11 lid 2 en sub b van de Algemene Voorwaarden niet aannemelijk heeft gemaakt.

De commissie komt tot dat oordeel op grond van de volgende overwegingen.

De commissie acht voldoende aannemelijk dat de vader op 4 april 2022 zodanig grensoverschrijdend gedrag heeft getoond dat dit de onmiddellijke beëindiging rechtvaardigt. Twee medewerksters hebben -onder meer – verklaard dat de vader boos met zijn vinger naar de medewerkster wees en tegen die medewerkster heeft geschreeuwd, dat de medewerkster ook haar stem heeft verheft en dat zij de situatie als onveilig hebben ervaren. De eerste medewerkster heeft verklaard dat de kinderen die het incident meemaakten van slag waren en dat de zoon van de ouders overstuur was. De vader heeft ter zitting zijn spijt betuigd aan betreffende medewerksters. Hij acht het ook heel vervelend dat de situatie, ondanks zijn pogingen het moeilijke gesprek op de gang voort te zetten en niet voor de ogen van de kinderen, door betrokkenen totaal anders is ervaren dan bedoeld.

Echter, de ondernemer heeft na het incident van 4 april 2022 de toegang niet direct geweigerd, maar heeft daarmee gewacht tot 19 april 2022. In de tussenliggende periode heeft de zoon gewoon gebruik gemaakt van de opvang en is hij ook door de vader gebracht, hetgeen kennelijk niet heeft geleid tot spanningen. In die periode hebben zich ook geen nieuwe incidenten voorgedaan. Ook weegt mee dat zich kennelijk voorafgaand aan 4 april 2022 niet eerder een vergelijkbaar incident heeft voorgedaan.

De regeling van artikel 11 lid 2 van de Algemene Voorwaarden is bedoeld om het belang van een kind bij het voortduren van opvang op een voor hem vertrouwde plaats te beschermen. Daarom kan de toegang alleen in ernstige gevallen, waarin met een waarschuwing niet kan worden volstaan, worden geweigerd. In de gegeven omstandigheden was een waarschuwing op zijn plaats geweest, maar was er geen grondslag om zonder voorafgaande waarschuwing de toegang te ontzeggen. Dat geldt te meer nu de ondernemer ervoor koos om de overeenkomst in haar geheel op te schorten en dus ook de moeder de toegang te ontzeggen, terwijl aan de moeder geen concreet verwijt gemaakt werd.

De ondernemer heeft dan ook op onjuiste gronden besloten tot opschorting van de overeenkomst en ontzegging van de toegang met ingang van 20 april 2022.

Op grond van het voorgaande is de commissie van oordeel dat de klacht gegrond is.

Derhalve wordt als volgt beslist.

Beslissing
De commissie:

– verklaart de klacht gegrond;
– verstaat dat de opvangovereenkomst is beëindigd met ingang van 20 mei 2022;
– bepaalt dat de ondernemer een bedrag van € 25,– aan de ouders dient te vergoeden ter zake van het klachtengeld.

Aldus beslist door de Geschillencommissie Kinderopvang, bestaande uit de heer mr. A.R.O. Mooy, voorzitter, mevrouw drs. J.W. Rutjens MPA, mevrouw mr. E.E. Aberson, leden, in aanwezigheid van mevrouw mr. drs. P.G. Muller, secretaris, op 20 mei 2022.