Commissie: Energie
Categorie: Zorgvuldigheid
Jaartal: 2026
Soort uitspraak: Bindend Advies
Uitkomst: ongegrond
Referentiecode:
1130823/1262396
De uitspraak:
Waar gaat de uitspraak over?
De consument had van augustus tot november 2024 geen verwarming, ondanks meerdere meldingen. Uiteindelijk bleek dat de draadloze thermostaat niet in de juiste ruimte lag, waardoor het systeem bleef koelen in plaats van verwarmen. De thermostaat hoort bij de binneninstallatie, en daarvoor is de warmteleverancier niet verantwoordelijk. Volgens het contract en de voorwaarden ligt die verantwoordelijkheid bij de verhuurder. De ondernemer heeft bovendien wél onderzoek gedaan en zelfs een extern bedrijf ingeschakeld. Omdat de oorzaak niet bij de ondernemer ligt en geen tekortkoming is vastgesteld, wordt de klacht afgewezen.
De volledige uitspraak
Samenvatting
De consument heeft in de periode 23 augustus tot en met 15 november 2024 geen verwarming gehad in zijn woning, ondanks meerdere meldingen en verzoeken om herstel bij de ondernemer. De consument verzoekt een passende financiële compensatie voor het extra energieverbruik en het gebrek aan verwarming in genoemde periode. Klacht afgewezen, nu gebleken is dat de verwarmingsproblematiek is veroorzaakt door de draadloze thermosstaat. De thermosstaat hoort tot de binneninstallatie, waarvoor de ondernemer niet verantwoordelijk is. Tevens niet gebleken dat niet voldaan is aan de onderzoeksplicht van de ondernemer.
Beoordeling
De consument heeft in de periode 23 augustus tot en met 15 november 2024 geen verwarming gehad in zijn woning, ondanks meerdere meldingen en verzoeken om herstel bij de ondernemer. Pas op
15 november 2024 is door een door de ondernemer ingeschakeld bedrijf vastgesteld dat de draadloze thermostaat zich niet in de betreffende ruimte bevond, waardoor het systeem onbedoeld bleef koelen in plaats van verwarmen. Door het niet tijdig verhelpen van de klachten is de ondernemer volgens de consument tekortgeschoten in de nakoming van zijn leveringsverplichtingen, zijn onderzoeksplicht en zijn zorgplicht als warmteleverancier. De consument verzoekt een passende financiële compensatie voor het extra energieverbruik en het gebrek aan verwarming in genoemde periode.
De ondernemer betwist het standpunt van de consument. Volgens hem zit het probleem in de binneninstallatie. De binneninstallatie valt niet onder de verantwoordelijkheid van de ondernemer maar onder die van de verhuurder. De inschakeling van een onderhoudsbedrijf om de storing te verhelpen lag daarom primair bij de verhuurder. De ondernemer verzoekt om afwijzing van de klachten.
De commissie stelt het volgende voorop. Uit het contract (artikel 3.1) tussen de consument en de ondernemer blijkt dat de binneninstallatie geen onderdeel uitmaakt van de door de ondernemer te leveren goederen en diensten en dat het functioneren van de binneninstallatie voor rekening en risico is van de contract en/of eigenaar van het perceel. Dit blijkt ook uit de toepasselijke algemene voorwaarden (artikel 7.1 en artikel 21.2). Dit betekent dat de ondernemer niet verantwoordelijk is voor het functioneren van de binneninstallatie.
De verwarmingsproblematiek bij de consument is veroorzaakt door de draadloze thermosstaat, die zich niet (op de juiste plek in) het appartement van de consument bevond. De thermosstaat hoort tot de binneninstallatie. Dit blijkt ook uit een informatiekaart die verstrekt is aan de bewoners van het appartementengebouw van de consument.
De ondernemer is dus niet verantwoordelijk voor de warmteproblemen bij de consument. De oorzaak van het probleem – de thermosstaat – viel onder de verantwoordelijkheid van de verhuurder. De consument dient zich dus met zijn klachten te richten tot de verhuurder.
Met betrekking tot het standpunt van de consument dat de ondernemer niet heeft voldaan aan zijn onderzoeksplicht, geldt dat de ondernemer naar het oordeel van de commissie op goede gronden naar voren heeft gebracht dat hij daaraan voldaan heeft, omdat de ondernemer al na het eerste contact op
11 november 2024 de voorlopige conclusie had getrokken dat de oorzaak van het probleem in de binneninstallatie zat en vervolgens ook nog onverplicht een extern bedrijf heeft ingeschakeld om de oorzaak te achterhalen. Dat de consument al eerder bij de ondernemer zich had gemeld met zijn klacht, namelijk al in augustus 2024, is door de ondernemer weersproken en door de consument vervolgens niet aangetoond met stukken waaruit dit blijkt (zoals een gespreksverslag). Dat deze contacten in augustus hebben plaatsgevonden kan de commissie dus niet vaststellen.
Gezien het voorgaande is niet gebleken dat de ondernemer is tekortgeschoten in de nakoming van zijn leveringsverplichtingen en zijn onderzoeksplicht en zorgplicht als warmteleverancier.
Op grond van het voorgaande is de commissie van oordeel dat de klacht ongegrond is.
Derhalve wordt als volgt beslist.
Beslissing
Het door de consument verlangde wordt afgewezen.
Met inachtneming van het bovenstaande wordt het depotbedrag als volgt verrekend.
Depotverrekening, bedrag aan ondernemer € 250,-.
Aldus beslist door de Geschillencommissie Energie, bestaande uit de heer mr. J. Hoefnagel, voorzitter, mevrouw mr. W.N. Kip, de heer mr. E. Köhlinger, leden, op 2 februari 2026.