Klacht gegrond: advocaat vergat hoger beroep

De Geschillencommissie Opslaan als PDF




Commissie: Advocatuur Zakelijk    Categorie: Kwaliteit dienstverlening    Jaartal: 2025
Soort uitspraak: arbitraal vonnis   Uitkomst: gegrond   Referentiecode: 513558/836629

De uitspraak:

Waar gaat de uitspraak over?

Een cliënt klaagde dat zijn advocaat had toegezegd hoger beroep in te stellen maar dit niet deed. De commissie oordeelde dat de advocaat inderdaad niet heeft gehandeld zoals van een redelijk bekwame advocaat mag worden verwacht. De klacht is daarom gegrond. De gevraagde schadevergoeding werd afgewezen omdat de schade onvoldoende was onderbouwd en het causaal verband niet vaststond. Wel moet de advocaat de arbitragekosten van € 514,25 aan de cliënt vergoeden.

De volledige uitspraak

Ondergetekenden:

de heer mr. J. van der Groen, de heer mr. T.B.M. Kersten en de heer A.C. Doeser, die in het onderhavige geschil als arbiters optreden, hebben het volgende vonnis gewezen.

Bevoegdheid arbiters en plaats van arbitrage

De bevoegdheid van de arbiters berust op een overeenkomst tot arbitrage, zoals vervat in een door beide partijen op 14 juli 2024 ondertekende akte van compromis, waarin partijen zijn overeengekomen het geschil ter oplossing te onderwerpen aan de Geschillencommissie Advocatuur (hierna te noemen: de commissie) en de bevoegdheid van de commissie te erkennen.
Aldus is voldaan aan de eis van artikel 1021 Wetboek van Burgerlijke rechtsvordering.
Partijen zijn tevens overeengekomen dat het geschil zal worden beslecht overeenkomstig het Reglement Geschillencommissie Advocatuur (hierna te noemen: het Reglement).

De bevoegdheid van ondergetekenden om het geschil tussen partijen als arbiters te beslechten is gezien het vorenstaande gegeven. Zij dienen gelet op het bepaalde in artikel 31 van het Reglement te beslissen als goede personen naar billijkheid, waarbij zij met in achtneming van de tussen partijen gesloten overeenkomst als maatstaf voor het handelen van de advocaat hanteren dat deze heeft gehandeld zoals verwacht mag worden van een redelijk bekwame en redelijk handelende advocaat.

Als plaats van arbitrage is Den Haag vastgesteld.

Standpunt van eiser

Voor het standpunt van eiser verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. In de kern komt het standpunt op het volgende neer.
Verweerder heeft verzuimd tijdig hoger beroep in te stellen tegen een voor eiser nadelig vonnis van de rechtbank. Dit ondanks een getekende offerte en de schriftelijke toezegging van verweerder dit voor hem te regelen. Verweerder heeft zelfs contact opgenomen met de gemachtigde van de wederpartij met het verzoek geen executiemaatregelen te treffen en daarbij toegezegd dat de appeldagvaarding de week daarop zal worden toegezonden. Contact met verweerder is hierna helaas niet meer mogelijk gebleken, ondanks meerdere verzoeken en smeekbedes om informatie omtrent de stand van zaken.
Pas na inschakeling van de huidige advocaat van eiser kwam er een teken van leven.
Doordat communicatie met de wederpartij na het wijzen van het vonnis stokte, is eiser geconfronteerd met executiemaatregelen. Hij is zelfs door zijn hypotheekhouder onder druk gezet.

De zaak ligt eiser door de stress, onzekerheden en kosten heel zwaar op de maag.

Eiser verzoekt de commissie hem een vergoeding van € 23.654,74 toe te kennen voor de schade die hij door toedoen van verweerder heeft geleden.

Ter zitting heeft eiser benadrukt dat hij ervan overtuigd was dat verweerder zijn advocaat voor het in te stellen hoger beroep was en dat hij ook daadwerkelijk in hoger beroep zou gaan.

Standpunt van verweerder

Voor het standpunt van verweerder verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. In de kern komt het standpunt op het volgende neer.

Verweerder heeft geen opdracht van eiser tot het instellen van hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank aanvaard. Hij heeft hem ook geen schriftelijke opdrachtbevestiging gestuurd. De opdrachtbevestiging die eiser heeft ondertekend, is van een ander kantoor dat als tussenpersoon is opgetreden en verweerder heeft benaderd (hierna te noemen: het kantoor).

Vanwege de relatie met het kantoor heeft verweerder uit serviceoverwegingen (naar dit kantoor) het dossier bestudeerd en eiser daarover gesproken. Hij heeft enkel en alleen een e-mail aan de gemachtigde van de wederpartij gestuurd met het verzoek om executiemaatregelen aan te houden. Meer heeft verweerder niet gedaan en hij heeft eiser daarvoor geen kosten in rekening gebracht. Hij heeft eiser geen factuur gestuurd voor het bestuderen van het dossier en ook niet voor de e-mailwisseling over het dossier.

Na bestudering van de dagvaarding, het vonnis en het commentaar van eiser op het vonnis van de rechtbank, heeft verweerder gezien dat eiser door de rechtbank terecht is veroordeeld tot betaling aan de wederpartij. Eiser heeft dit in zijn handgeschreven commentaar op het vonnis niet gemotiveerd kunnen betwisten. Het instellen van hoger beroep was kansloos. Dit zou eiser per saldo meer kosten en een hoger aan de wederpartij te betalen bedrag opleveren.

Er is dus geen overeenkomst tussen verweerder en eiser tot stand gekomen. Bovendien heeft eiser geen schade geleden doordat hij geen hoger beroep heeft ingesteld, maar dit heeft hem juist geld doen besparen en voor onnodig extra hoge kosten behoed.

Ter zitting heeft verweerder benadrukt dat er geen opdracht tussen hem en eiser tot stand is gekomen. Eiser heeft een overeenkomst gesloten met het kantoor. Dit kantoor zou de dagvaarding in hoger beroep opstellen. Verweerder heeft alleen de druk van de dreigende executie bij eiser weg willen halen en daarom uit coulance een bericht naar de gemachtigde van de wederpartij gestuurd.

Behandeling van het geschil

Op 12 maart 2025 heeft te Den Haag de mondelinge behandeling ten overstaan van de arbiters plaatsgevonden, bijgestaan door mevrouw mr. drs. I.M. van Trier fungerend als secretaris.

Partijen zijn tijdig en behoorlijk opgeroepen om ter zitting te verschijnen.

Eiser en zijn gemachtigde zijn fysiek ter zitting verschenen. Verweerder heeft digitaal aan de zitting deelgenomen.

De gemachtigde van eiser heeft het standpunt van eiser toegelicht aan de hand van aantekeningen. De inhoud daarvan moet als hier herhaald en ingelast worden beschouwd.

Beoordeling van het geschil

Naar aanleiding van het over en weer door partijen gestelde overweegt de commissie het volgende.

De commissie beslist naar redelijkheid en billijkheid, waarbij zij als maatstaf voor het handelen van verweerder hanteert dat deze heeft gehandeld zoals verwacht mag worden van een redelijk bekwame en redelijk handelende advocaat.

De commissie constateert dat de kern van de klacht van eiser is dat de advocaat namens hem hoger beroep had moeten instellen. Verweerder heeft dit betwist. Hij stelt dat er tussen hem en de cliënt geen daartoe strekkende overeenkomst tot stand is gekomen. De offerte voor het instellen van het hoger beroep is uitgebracht door het kantoor.

De commissie stelt vast dat het kantoor bij e-mail van 26 januari 2024 aan de gemachtigde van eiser – voor zover van belang – heeft bericht:
“Dank voor uw mail, ik heb overlegd met mijn collega, [naam verweerder].
(…) Mijn aanbeveling is om zo spoedig mogelijk een dagvaarding voor hoger beroep in te dienen, waarin alle argumenten van [naam eiser] worden opgenomen.
(…)
Indien gewenst, zal [naam verweerder] de dagvaarding voor het hoger beroep voor [naam eiser] opstellen.”

De commissie stelt voorts vast dat verweerder in zijn e-mail van 5 februari 2024 aan de gemachtigde van de wederpartij, met CC aan eiser, heeft geschreven:
“[naam eiser] verzocht mij hoger beroep in te stellen tegen het onderhavig vonnis. Ik moge u daarom verzoeken om de betekening en de executie van het vonnis vooralsnog aan te houden. De appeldagvaarding zal u uiterlijk volgende week bereiken”.

De commissie leidt hieruit af dat verweerder via het kantoor de naam van eiser heeft doorgekregen en dat het kantoor hem heeft verzocht de dagvaarding in hoger beroep op te stellen. Verweerder heeft zich vervolgens aan de gemachtigde van de wederpartij en aan eiser ook gepresenteerd als de advocaat belast met het hoger beroep.
De commissie is van oordeel dat onder de gegeven omstandigheden op verweerder de zorgplicht rustte om de zaak af te wikkelen. Indien hij het hoger beroep niet wenste te voeren, had hij dit schriftelijk vast moeten leggen. Door dit niet te doen, heeft hij de indruk gewekt dat hij appel zou instellen. Het had dan ook op zijn weg gelegen de dagvaarding in hoger beroep – eventueel op nader aan te voeren gronden – uit te laten brengen. Verweerder heeft weliswaar gesteld dat het kantoor de dagvaarding zou opstellen, maar uit de e-mail van 5 februari 2024 volgt veeleer het tegendeel. Bovendien heeft hij ook dit niet duidelijk gecommuniceerd aan eiser.
Verweerder heeft voorts nog gesteld dat het instellen van hoger beroep kansloos was. Wat daar ook van zij, ook dit had hij – voor het verstrijken van de appeltermijn – schriftelijk moeten mededelen aan eiser.

Op grond van het voorgaande is de commissie van oordeel dat verweerder niet heeft gehandeld zoals mag worden verwacht van een redelijk bekwame en redelijk handelende advocaat. Dit betekent dat de klacht van eiser gegrond is.

Vaststaat dat uiteindelijk geen hoger beroep is ingesteld. De commissie acht verweerder daarvoor verantwoordelijk en acht hem voorts aansprakelijk voor de gevolgen daarvan.

De commissie zal echter de door eiser verzochte schadevergoeding afwijzen. De commissie heeft onvoldoende gegevens om de schade vast te stellen. Eiser heeft zijn beweerdelijk geleden schade onvoldoende onderbouwd. Bovendien is het causaal verband tussen het handelen en/of nalaten van verweerder en de vermeende schade niet komen vast te staan. De commissie kan niet vaststellen wat het Hof zou hebben beslist als de advocaat wel tijdig hoger beroep had ingesteld.

De commissie zal wel verweerder als de in het ongelijk gestelde partij veroordelen in de kosten van deze arbitrage, die worden vastgesteld op € 514,25 van het door de Stichting De Geschillencommissie vastgestelde bedrag aan honorarium en verschotten van de arbiters. Gelet op de beslissing wordt eiser geacht de arbitragekosten bij wijze van voorschotbetaling mede namens verweerder te hebben voldaan. De commissie bepaalt voorts dat het bedrag dat eiser ter zake de arbitragekosten heeft voldaan in zijn geheel komt te vervallen aan de commissie en veroordeelt verweerder tot betaling van deze kosten aan eiser.

Beslissing

De commissie:

• verklaart de klacht van eiser gegrond;

• wijst de door hem verzochte schadevergoeding af;

• bepaalt dat het bedrag dat eiser ter zake de arbitragekosten heeft voldaan in zijn geheel komt te vervallen aan de commissie en veroordeelt verweerder deze kosten aan eiser te vergoeden, vastgesteld op € 514,25 aan honorarium en verschotten van de arbiters.

Opslaan als PDF