Commissie: Energie
Categorie: (on)deugdelijke levering / uitvoering
Jaartal: 2025
Soort uitspraak: Bindend Advies
Uitkomst: gegrond
Referentiecode:
707532/749282
De uitspraak:
Waar gaat de uitspraak over?
Een consument stelde dat hij door een stroomstoring op 18 april 2024 gedurende drie maanden aanzienlijk minder energie kon terugleveren met zijn zonnepanelen. Hij berekende een schade van ruim €1.100 doordat hij extra stroom moest inkopen. De ondernemer voerde aan dat de storing provisorisch was hersteld en later definitief, en dat er geen recht op compensatie bestond omdat sprake zou zijn van indirecte schade. De Geschillencommissie Energie oordeelde echter dat de consument directe vermogensschade had geleden en dat de ondernemer zich onvoldoende had ingespannen om het probleem tijdig te verhelpen. Omdat de schadeberekening onvoldoende was onderbouwd, matigde de commissie de vergoeding tot €500. Daarnaast moet de ondernemer het klachtengeld van €52,50 vergoeden. De klacht werd gegrond verklaard.
De volledige uitspraak
BINDEND ADVIES
Geschillencommissie Energie
Zaaknummer 707532/749282
Standpunt van de consument
Voor het standpunt van de consument verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. In de kern komt het standpunt op het volgende neer.
Op 18 april 2024 vond er een grote stroomstoring plaats in het gebied van de consument, waarna zijn zonnepanelen aanzienlijk minder energie begonnen terug te leveren. Dit probleem, veroorzaakt door de stroomstoring, leidde ertoe dat de consument vanaf die datum slechts een kwart van de normale energieopbrengst kon terug leveren. Dit wordt bevestigd door de grafieken van de zonnepaneelapplicaties van de consument.
De consument heeft meteen contact opgenomen met de ondernemer. Pas op 26 juli 2024 werd een houten elektriciteitsmast in de straat van de consument vervangen, na eerdere schade in die maand. Na deze werkzaamheden werd de terug levering hersteld, omdat de monteurs van de ondernemer alle aangesloten verbindingen weer zijn nagelopen en hebben opgelost wat niet goed was. Hadden ze dat direct gedaan na het eerste herstel in april 2024 of na diverse verzoeken van cliënt dan had de consument deze schade niet gehad.
De consument heeft berekend dat hij in de periode van 18 april 2024 tot en met 26 juli 2024 4.000 kWh aan energie niet heeft kunnen terug leveren aan zichzelf, daardoor heeft de consument extra energie moeten inkopen. Wat neerkomt op een schadepost van €1.172,26,- (gebaseerd op een vergoeding van €0,31968 per kWh).
De consument is van mening dat de ondernemer is tekort geschoten door zijn eerdere klachten niet serieus te nemen. Hij is ervan overtuigd dat het probleem met de teruglevering zich niet zou hebben voorgedaan indien de werkzaamheden destijds met meer zorgvuldigheid waren uitgevoerd of dat het probleem veel eerder was opgelost als er tijdig en adequaat was gereageerd op zijn meldingen. De consument vraagt aan de ondernemer om een compensatie van € 1.172,26 te betalen ter dekking van de schade die hij heeft geleden door extra kosten die hij heeft omdat hij de energie niet kon terugleveren aan zichzelf.
De consument is zelfvoorzienend in zijn energiebehoefte, maar door het handelen en het nalaten van de ondernemer om het probleem tijdig te herstellen, kon hij niet terugleveren aan zijn eigen systeem en werd hij gedwongen direct energie in te kopen.
Standpunt van de ondernemer
Voor het standpunt van de ondernemer verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. In de kern komt het standpunt op het volgende neer.
Na een storing in april 2024, waarbij in eerste instantie provisorisch herstel heeft plaatsgevonden, was de mogelijkheid om terug te leveren tijdelijk beperkt. Op zonnige dagen kon de door de consument via PV-panelen opgewekte energie niet volledig aan het net worden teruggeleverd. In juli 2024 heeft definitief herstel plaatsgevonden en vanaf dat moment kon de volledige teruglevering vanuit de consument weer op het net worden toegelaten. De ondernemer heeft inmiddels diverse keren de claim van de consument afgewezen. Toen de storing zich voordeed, in april 2024, is binnen enkele uren het transport hersteld door om te schakelen en de ring vanuit de andere kant in te voeden, waarna alle aangeslotenen weer stroom hadden. Er is vervolgens een project gestart om de storing definitief te herstellen. Omdat de klanten stroom hadden was de grootste druk er op dat moment af. Van prioriteit 1 wordt de status dan prioriteit 2. Er dienden materialen aangeschaft te worden, vergunningen te worden aangevraagd, en personeel moest worden ingepland. Het is overigens gebruikelijk dat er wanneer een storing heeft plaatsgevonden, er in eerste instantie provisorisch herstel, en pas na enige tijd het definitieve herstel plaatsvindt. De ondernemer valt hierin niets te verwijten. De ondernemer verwijst naar een eerdere uitspraak van de commissie met als kenmerk 189020- 191819. In die zaak werden door een consument gemiste terugleverings inkomsten gevorderd. Toen is geoordeeld dat de netbeheerder bij gebrek aan capaciteit op het net niet hoeft te vergoeden, echter wel een inspanningsverplichting heeft om het net te verzwaren. In de onderhavige casus gaat het niet om verzwaren van het net, maar om definitief herstel na een storing. Er zijn echter wel overeenkomsten.
De consument geeft aan dat hij normaliter de opgewekte stroom voor zichzelf gebruikt, maar nu stroom moest inkopen. De consument kon de door hemzelf opgewekte stroom onverminderd voor zichzelf gebruiken. Die stroom loopt immers direct vanaf de omvormer de eigen installatie in, en niet via het net van de ondernemer. Dus de tijdelijke verminderde terugleveringsmogelijkheid naar het net toe zou hier geen invloed op moeten hebben. De tijdelijk lagere teruglevering is door de consument niet aangetoond. De consument stelt dat hij kosten voor de inkoop van stroom heeft moeten maken als gevolg van de tijdelijke situatie. De consument heeft geen recht op compensatie van gemiste opbrengsten, enerzijds omdat er geen sprake is van een toerekenbare tekortkoming van de netbeheerder, die heeft de storing direct hersteld conform zijn verplichting en vervolgens binnen enkele maanden definitief verholpen. Anderzijds omdat in de Algemene Voorwaarden aansprakelijkheid voor indirecte schade is uitgesloten. De consument stelt dat er sprake is van directe schade. Directe schade zou het zijn wanneer een storing bijvoorbeeld tot schade aan apparatuur leidt. Er is nu sprake van meerdere stappen (een keten) en de kosten die de consument zou moeten maken zijn indirect.
In de algemene voorwaarden van de ondernemer staat in artikel 17 lid 3 het volgende: Behoudens in geval de schade ontstaat als gevolg van opzet of bewuste roekeloosheid van de netbeheerder of diens leidinggevende werknemers, is in alle gevallen van vergoeding uitgesloten indirecte schade zoals in ieder geval schade als gevolg van bedrijfsstilstand, als gevolg van het niet kunnen uitoefenen van een beroep of bedrijf en als gevolg van winstderving.
Beoordeling van het geschil
De commissie heeft het volgende overwogen.
Ter zitting heeft de ondernemer aan de consument alsnog excuses aangeboden voor het herhaald niet reageren op diens klachten.
Niet weersproken is dat na de stroomstoring van 18 april 2024 en de verrichte herstelwerkzaamheden, teruglevering niet mogelijk is geweest. Op 26 juli is er een elektriciteitsmast in de straat van consument vervangen, waarna weer teruggeleverd kon worden. Niet is aangetoond dat de oorzaak van het niet kunnen terugleveren, netcongestie is geweest. Ook is de oorzaak van de storing door de ondernemer niet bekend gemaakt. Daarentegen heeft de consument wel bij de ondernemer gemeld dat hij overvoltage registreerde. De Consument heeft gesteld dat er voordat de storing plaats heeft gevonden in de wijk capaciteitsverzwaring heeft plaats gevonden. Voordien heeft de consument gedurende meerdere jaren geen probleem met terugleveren gehad. Van een overeenkomst met de door de ondernemer geciteerde eerdere uitspraak van de commissie is naar het oordeel van de commissie hier geen sprake, alleen al omdat hier, zoals de geciteerde uitspraak ook vermeldt de ondernemer op goede gronden kan worden verweten dat hij zich jegens de consument onvoldoende heeft ingespannen.
De commissie is van oordeel dat de consument hier wel degelijk directe vermogensschade door de werkzaamheden heeft geleden. Het door de ondernemer ingeroepen art. 17 lid 3 van de algemene voorwaarden ziet op hele andere hier niet aan de orde zijnde gevallen. De schadeberekening van de consument is echter onvoldoende door hem onderbouwd en door de ondernemer betwist. Op basis van de informatie van de consument, de inspanningsverplichting en de matige communicatie van de ondernemer zal de commissie de schadeclaim matigen tot een bedrag van € 500,–.
Derhalve wordt als volgt beslist.
Beslissing
De klacht wordt gegrond verklaard en de commissie bepaalt dat de ondernemer binnen 14 dagen na de verzending van deze uitspraak een bedrag van € 500,– ter zake van schadevergoeding aan de consument dient te betalen.
Bovendien dient de ondernemer overeenkomstig het reglement van de commissie een bedrag van € 52,50 aan de consument te vergoeden in verband met het klachtengeld.
Overeenkomstig het reglement van de commissie is de ondernemer aan de commissie behandelingskosten verschuldigd.
Deze behandelingskosten worden geheel betaald.
Aldus beslist door de Geschillencommissie Energie, bestaande uit de heer mr. E.D. Rentema, voorzitter, de heer R.A. Timmer, mevrouw mr. E.J.P.J.M. Kneepkens, leden, op 11 februari 2025.
De uitspraak die de commissie heeft gedaan, is bindend voor beide partijen en vormt het sluitstuk van de procedure. De commissie kent geen mogelijkheid om tegen de uitspraak in beroep te gaan of deze te herzien. Ook niet in het geval van nieuwe feiten of argumenten. U kunt wel binnen 2 maanden na de verzenddatum van de uitspraak aan de burgerlijke rechter vragen de uitspraak te vernietigen. De andere partij heeft die mogelijkheid ook.
De rechter kan de uitspraak vernietigen als hij vindt dat de uitspraak onaanvaardbaar is; inhoudelijk of door de wijze van totstandkoming. Wanneer de uitspraak niet binnen 2 maanden door een van de partijen aan de burgerlijke rechter is voorgelegd door dagvaarding van de andere partij, kan de uitspraak niet meer ongedaan gemaakt worden.