Klacht gegrond: fietsenberging mag blijven staan bij chalet, ondernemer mag verwijdering niet eisen

  • Home >>
  • Recreatie >>
De Geschillencommissie Opslaan als PDF




Commissie: Recreatie    Categorie: Algemene voorwaarden    Jaartal: 2025
Soort uitspraak: Bindend Advies   Uitkomst: gegrond   Referentiecode: 766114/932263

De uitspraak:

Waar gaat de uitspraak over?

Een consument klaagde bij de Geschillencommissie Recreatie omdat de ondernemer had bepaald dat de houten fietsenberging bij zijn chalet bij verkoop verwijderd moest worden. De berging was in 2021 met toestemming van de ondernemer geplaatst en maakte deel uit van de situatie bij aankoop van het chalet in 2022. Pas twee jaar later kreeg de consument de opdracht tot verwijdering. De commissie stelde vast dat de berging met medeweten van de ondernemer was gebouwd en dat de consument erop mocht vertrouwen dat deze mocht blijven staan. De eis tot verwijdering werd daarom onterecht geacht. De klacht werd gegrond verklaard en de ondernemer moet het klachtengeld van €52,50 vergoeden.

De volledige uitspraak

BINDEND ADVIES
Geschillencommissie Recreatie

Onderwerp van het geschil

De consument heeft de klacht voorgelegd aan de ondernemer.

Het geschil betreft de houten fietsenberging bij het chalet van de consument, die hij bij verkoop van het chalet dient te verwijderen.

Standpunt van de consument

Voor het standpunt van de consument verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. In de kern komt het standpunt op het volgende neer.

Bij de toestemming tot de aankoop van het zomerhuis door de ondernemer en de daaropvolgende ondertekening van de (jaarlijkse) perceelhuur (2022), bevond zich bij de stenen opstal een houten fietsenberging, in 2021 gebouwd met toestemming van de ondernemer. Onverwacht kregen wij de opdracht in 2024 deze berging binnen drie maanden en op onze kosten te verwijderen. Na bezwaar dezerzijds werd dit gewijzigd in ‘bij eerstvolgende verkoop’. Aangezien dit een aanzienlijke waardevermindering dan wel kostenpost betekent, leggen wij dit voor aan de commissie.

Standpunt van de ondernemer

Voor het standpunt van de ondernemer verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. In de kern komt het standpunt op het volgende neer.

De ondernemer hanteert bij overeenkomsten met gasten een schriftelijke huurovereenkomst om de gemaakte afspraken vast te leggen. De parkreglementen en de RECRON-voorwaarden zijn daar onlosmakelijk mee verbonden. De ondernemer heeft de consument, op basis van de gesloten huurovereenkomst en de parkreglementen die tijdens aankoop onderdeel waren van de huurovereenkomst, nadien erop gewezen dat de bedoelde fietsenberging daar niet mag staan en daarom afgebroken dient te worden. Dit beleid is voor alle recreatiebungalows van toepassing en daar wordt dan ook op toegezien.

Na de contacten tussen de ondernemer en de consument heeft de ondernemer coulance getoond en toegezegd dat uiterlijk bij verkoop van de recreatiebungalow door de consument de bedoelde fietsenberging afgebroken moet worden. Aan deze coulance kunnen verder geen andere rechten ontleend worden. Naar de mening van de ondernemer liggen de grondslagen, op basis waarvan hij kan eisen dat de fietsenberging wordt afgebroken, duidelijk en onomstotelijk vast in eerdergenoemde overeenkomsten, onderliggende algemene voorwaarden en reglementen.

Beoordeling van het geschil

De commissie heeft het volgende overwogen.

Ter zitting heeft de ondernemer bevestigd dat hij de consument pas twee jaar na diens aankoop van het chalet heeft opgedragen de houten fietsenberging te verwijderen. Volgens de ondernemer staat die berging achter het chalet en is het moeilijk zichtbaar. Het gaat om een groot terrein. Her en der staan nog meer bouwwerken die volgens de ondernemer illegaal zijn geplaatst en derhalve verwijderd dienen te worden. Destijds is de ondernemer ter gelegenheid van de verkoop van het chalet niet ter plaatse gaan kijken. Tegenwoordig is dat wel de bedoeling, aldus de vertegenwoordiger van de ondernemer. Ook heeft hij bevestigd dat na bezwaar van de kant van de consument is besloten dat de betreffende fietsenberging pas bij verkoop verwijderd dient te worden.

De vorige eigenaar van het chalet heeft de consument bij e-mail van 17 mei 2024 onder meer het volgende laten weten.

Toen ik vroeg in het voorjaar een metalen fietsenschuurtje liet bezorgen bij mijn vakantiewoning op het terrein van de ondernemer, kreeg ik van de beheerder te horen dat dit niet meer mocht. Om die reden heb ik een klus- en onderhoudsbedrijf verzocht om een houten schuurtje te maken en te plaatsen. Dit is in maart 2021 met medeweten van de beheerder van het park geplaatst. Eerder heb ik jullie hier al een factuur van laten zien. Mijns inziens heb ik destijds volledig transparant en naar wens van de ondernemer gehandeld.

De commissie stelt vast dat de ondernemer niet ter plaatse is gaan kijken op het moment dat de consument het betreffende chalet kocht. Het is een feit van algemene bekendheid dat een eigenaar van een park dat in beginsel wel doet om vast te kunnen stellen wat de beginsituatie is op het moment van aankoop. Onduidelijk is gebleven waarom de ondernemer dat in dit geval niet heeft gedaan. Wel heeft de ondernemer ter zitting aangegeven dat het tegenwoordig wel de bedoeling is dat zo’n schouw wordt gedaan.

De commissie hecht voorts waarde aan bovenstaande verklaring van de vorige eigenaar van het chalet, die de ondernemer overigens niet heeft weersproken.

Ten slotte stelt de commissie vast dat de ondernemer de consument pas na een periode van twee jaar na aankoop heeft opgedragen om de houten fietsenberging binnen drie maanden te verwijderen. De stelling van de ondernemer dat hij de berging niet eerder heeft opgemerkt gelet op de uitgestrektheid van het terrein, snijdt naar het oordeel van de commissie geen hout, temeer niet daar uit de verklaring van de vorige eigenaar blijkt dat de fietsenberging met toestemming van de ondernemer is geplaatst. Weliswaar heeft de ondernemer zijn eis tot verwijdering van de fietsenberging binnen drie maanden genuanceerd door te eisen dat de fietsenberging pas bij verkoop verwijderd hoeft te worden, maar dat doet aan het voorgaande niet af.

Gelet op dit alles mocht de consument er naar het oordeel van de commissie op vertrouwen dat de fietsenberging deel uitmaakte van de koopovereenkomst met de vorige eigenaar en mocht blijven staan op de kavel die hij huurt bij de ondernemer. Dat brengt de commissie tot de conclusie dat de ondernemer ten onrechte bij de consument de eis heeft neergelegd om de fietsenstalling ter gelegenheid van een eventuele verkoop van het chalet te verwijderen.

Op grond van het voorgaande zal de commissie de klacht gegrond verklaren.

Derhalve wordt als volgt beslist.

Beslissing

De commissie verklaart de klacht gegrond.

Bovendien dient de ondernemer overeenkomstig het reglement van de commissie een bedrag van € 52,50 aan de consument te vergoeden ter zake van het klachtengeld.

Overeenkomstig het reglement van de commissie is de ondernemer aan de commissie behandelingskosten verschuldigd.

Aldus beslist door de Geschillencommissie Recreatie, bestaande uit de heer mr. H.A. van Gameren, voorzitter, de heer P.W.M. Meijkamp, mevrouw mr. J.M. Huijsman- Hartkamp, leden, op 24 april 2025.

De uitspraak die de commissie heeft gedaan, is bindend voor beide partijen en vormt het sluitstuk van de procedure. De commissie kent geen mogelijkheid om tegen de uitspraak in beroep te gaan of deze te herzien. Ook niet in het geval van nieuwe feiten of argumenten. U kunt wel binnen 2 maanden na de verzenddatum van de uitspraak aan de burgerlijke rechter vragen de uitspraak te vernietigen. De andere partij heeft die mogelijkheid ook.
De rechter kan de uitspraak vernietigen als hij vindt dat de uitspraak onaanvaardbaar is; inhoudelijk of door de wijze van totstandkoming. Wanneer de uitspraak niet binnen 2 maanden door een van de partijen aan de burgerlijke rechter is voorgelegd door dagvaarding van de andere partij, kan de uitspraak niet meer ongedaan gemaakt worden.

 

Opslaan als PDF