Commissie: Energie
Categorie: Betaling / Kosten
Jaartal: 2025
Soort uitspraak: bindend advies na tussen advies
Uitkomst: gegrond
Referentiecode:
256938/417132
De uitspraak:
Waar gaat de uitspraak over?
Een consument betwistte de juistheid van de jaarnota van 25 december 2023, waarin €4.722,42 werd gevorderd. Zij wees op fotobewijs dat de door de ondernemer gehanteerde meterstanden niet konden kloppen. De ondernemer stelde dat sprake was van een naheffing wegens ontbrekende beginstanden en dat het verbruik alsnog was berekend. De Geschillencommissie Energie oordeelde dat de jaarnota onvoldoende duidelijk en begrijpelijk was opgesteld en dat de consument pas in het verweer inzicht kreeg in de werkelijke gang van zaken. Uit redelijkheid en billijkheid achtte de commissie het onaanvaardbaar dat de ondernemer het volledige bedrag kon vorderen. De incassokosten van €640 werden geschrapt en de jaarnota werd met €1.500 verlaagd, zodat de consument €3.222,42 moet betalen. Het klachtengeld van €52,50 wordt door de ondernemer vergoed. De klacht werd gegrond verklaard.
De volledige uitspraak
BINDENDADVIES NA TUSSENADVIES
Geschillencommissie Energie
Zaaknummer 256938/417132
Samenvatting
Het geschil betreft de jaarnota van 25 december 2023 met een bij te betalen bedrag van € 4.722,42.
De consument heeft op 29 december 2023 de klacht bij de ondernemer ingediend.
Standpunt van de consument
Voor het standpunt van de consument verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. In de kern komt het standpunt op het volgende neer.
De consument is na het faillissement van [externe partij] klant geworden van de ondernemer.
De consument betwist de juistheid van de jaarnota omdat zij beschikt over fotobewijs waaruit blijkt dat de door de ondernemer geschatte meterstanden niet kloppen. Ook na twee maanden correspondentie blijft de ondernemer het aangedragen bewijs negeren.
De consument heeft vanaf de aanvang van het contract op 1 november 2021 geen meterstanden doorgegeven omdat de meter zich op een ontoegankelijke plek in het studentenhuis bevond. De consument heeft eenmaal een foto weten te maken van de gasmeter op 27 maart 2022 met een stand van 21928 m3 en tweemaal van de elektriciteitsmeter, te weten op 27 maart 2022, 42752 kWh en op 7 oktober 2022, 44278 kWh.
Daaruit blijkt dat de door de ondernemer genoteerde standen van 17 november 2022, te weten 440096 kWh en 21734 m3 niet juist kunnen zijn omdat de meters niet achteruitlopen, maar vooruit.
De consument begrijpt niet waarom de ondernemer de nadruk legt op de beginstanden terwijl de schatting door de ondernemer per 27 november 2022 duidelijk niet juist is.
Naar aanleiding van het verweer van de ondernemer merkt de consument het volgende op.
De jaarnota van 2023 was een afrekening van het betreffende jaar. Nu beweert de ondernemer opeens dat sprake is van een naheffing over meerdere jaren, die is gebaseerd op geschatte en aantoonbaar onjuiste meterstanden. De ondernemer heeft dat gedaan door net te doen of in de eerste helft van 2023 sprake was van een significant hoger verbruik. Dat is misleidend. Uit de jaarnota valt af te leiden dat tussen 27 november 2022 en 9 mei 2023 een gasverbruik van 2784 m3 is geweest. Een naheffing als zodanig is door de consument nooit ontvangen. De consument beroept zich op verjaring en wijst op artikel 7:28 BW.
Aan de hand van de door de consument overgelegde foto’s van de meter blijkt dat het gemiddelde jaarverbruik 2.220 m3 is.
De consument heeft berekend dat er over de periode van 17 november 2022 tot 1 mei 2023 een bedrag van € 2.555,58 te veel in rekening is gebracht.
Ter zitting heeft de consument verder nog in hoofdzaak het volgende aangevoerd.
Het is een lang proces geweest. Er loopt een betalingsregeling. De consument heeft nog voor het indienen van de klacht gebeld met de ondernemer maar nooit een behoorlijke uitleg gekregen.
Standpunt van de ondernemer
Voor het standpunt van de ondernemer verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. In de kern komt het standpunt op het volgende neer.
De consument was klant van de ondernemer voor de levering van gas en elektriciteit van 1 november 2021 tot 22 maart 2024. Tot 5 mei 2023 was sprake van een conventionele meter en was de ondernemer afhankelijk van de door de consument door te geven standen. De consument heeft ondanks meerdere verzoeken de standen nooit doorgegeven. Aldus was de ondernemer gelet artikel 9 lid 7 van de AV het verbruik van 1 november 2021 tot 17 november 2022 te berekenen.
Op 9 mei 2023 zijn de oude meters vervangen door slimme meters. De uitbouwstanden zijn verwerkt in de nota van 25 december 2023 en is alsnog het werkelijke verbruik in rekening gebracht. De consument heeft wel foto’s opgestuurd, maar de ondernemer kan niet verifiëren op welke datum die zijn genomen. Ook al zouden die foto’s juist zijn dan is nog steeds sprake van tussenstanden omdat de beginstanden niet door de consumenten kunnen worden aangeleverd.
Uitgaande van de juistheid van de foto’s heeft de ondernemer 490 kWh te weinig in rekening gebracht en voor gas 161 m3 te weinig. De ondernemer vindt het spijtig dat de consument achteraf met een hogere jaarnota wordt geconfronteerd. Deze naheffing is een verschuiving van niet eerder in rekening gebrachte verbruiken. Als de beginstand en de latere standen tijdig had doorgegeven had de naheffing kunnen worden voorkomen.
Ter zitting heeft de ondernemer verder nog in hoofdzaak het volgende aangevoerd.
De ondernemer heeft zijn best gedaan om de meterstanden te achterhalen. Voor het verbruik moet worden betaald. De achteraf verstrekte meterstanden zijn verwerkt. Er heeft een inhaalslag plaatsgevonden. De nota is inderdaad gebaseerd op berekende standen. Het voortraject is niet bekend. Er behoort wel uitleg te worden gegeven. De consument is geen klant meer en daardoor heeft de ondernemer geen inzage meer in haar gegevens. De ondernemer is bereid de incassokosten van € 640,– af te boeken.
Beoordeling
De commissie heeft het volgende overwogen.
In dit geschil klaagt de consument onder meer over het op de jaarnota van 25 december 2023 in rekening gebrachte verbruik.
De ondernemer voert gemotiveerd verweer.
De commissie stelt voorop dat van een jaarnota mag worden verwacht dat deze helder, leesbaar en begrijpelijk is opgesteld en zonodig van een toelichting is voorzien.
De consument klaagde over het op de jaarnota in een betreffende periode in rekening gebrachte verbruik en kreeg als uitleg dat het gebruik was geschat, mede omdat de consument de beginstanden niet had aangeleverd. Het werd de consument echter niet duidelijk, en dat bleek ook niet uit de jaarnota zelf, dat sprake was van een naheffing waarbij het volledige verbruik vanaf het begin van de levering in rekening werd gebracht. Eerst in het verweer van de ondernemer werd de juiste gang van zaken uit de doeken gedaan. Feit blijft dat die gang van zaken niet blijkt uit de jaarnota zelf of uit een daarbij verstrekte toelichting.
Gelet op deze omstandigheden acht de commissie het uit een oogpunt van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar dat de ondernemer onverkort recht kan doen gelden op het op de jaarnota in rekening gebrachte verbruik.
De commissie zal dan ook bepalen dat geen aanspraak kan worden gemaakt op de in rekening gebrachte incassokosten van € 640,– en dat het te betalen bedrag van € 4,722,42 met een bedrag van € 1.500,– wordt verminderd, zodat de jaarnota wordt beperkt tot hetgeen de consument gemiddeld in het betreffende verbruiksjaar zou zijn verschuldigd.
Op grond van het voorgaande is de commissie van oordeel dat de klacht gegrond is.
Derhalve wordt als volgt beslist.
Beslissing
De commissie bepaalt dat de consument geen incassokosten is verschuldigd en dat de jaarnota van
25 december 2023 met een bedrag van € 1.500,– wordt verminderd, tot een door de consument te betalen bedrag van € 3.222,42.
De commissie wijst het meer of anders verlangde af.
Bovendien is de ondernemer gehouden het door de consument betaalde klachtengeld van € 52,50 aan haar te vergoeden en voorts zal aan de ondernemer overeenkomstig het reglement van de commissie een bijdrage in de behandelingskosten in rekening worden gebracht.
Deze behandelingskosten worden geheel betaald.
Aldus beslist door de Geschillencommissie Energie, bestaande uit de heer mr. F.C. Schirmeister, voorzitter, de heer J.H.P.T. den Ouden, de heer drs. E.J.M. Polman, leden, op 19 februari 2025.
de heer mr. F.C. Schirmeister
De uitspraak die de commissie heeft gedaan, is bindend voor beide partijen en vormt het sluitstuk van de procedure. De commissie kent geen mogelijkheid om tegen de uitspraak in beroep te gaan of deze te herzien. Ook niet in het geval van nieuwe feiten of argumenten. U kunt wel binnen 2 maanden na de verzenddatum van de uitspraak aan de burgerlijke rechter vragen de uitspraak te vernietigen. De andere partij heeft die mogelijkheid ook.
De rechter kan de uitspraak vernietigen als hij vindt dat de uitspraak onaanvaardbaar is; inhoudelijk of door de wijze van totstandkoming. Wanneer de uitspraak niet binnen 2 maanden door een van de partijen aan de burgerlijke rechter is voorgelegd door dagvaarding van de andere partij, kan de uitspraak niet meer ongedaan gemaakt worden.