Commissie: Energie
Categorie: Nalatig handelen
Jaartal: 2025
Soort uitspraak: Bindend Advies
Uitkomst: gegrond
Referentiecode:
450603/487600
De uitspraak:
Waar gaat de uitspraak over?
Een consument klaagde dat haar woning onvoldoende werd verwarmd en het tapwater niet warm genoeg was, ondanks een leveringsovereenkomst met de ondernemer sinds januari 2021. Gedurende ruim twee jaar deed zij herhaaldelijk meldingen, maar de ondernemer reageerde nauwelijks en onderzocht het probleem niet deugdelijk. Uiteindelijk werd het systeem in mei 2024 vernieuwd, waarna de klachten verdwenen. De ondernemer stelde dat het probleem lag in de binneninstallatie en wees aansprakelijkheid af. De Geschillencommissie Energie oordeelde echter dat de ondernemer nalatig was door de klachten niet serieus te onderzoeken en te verhelpen. Omdat hij zich bewust moet zijn geweest van problemen met de warmte toevoer, werd de klacht gegrond verklaard. De ondernemer moet €625 schadevergoeding en €52,50 klachtengeld betalen.
De volledige uitspraak
BINDEND ADVIES
Geschillencommissie Energie
Zaaknummer 450603/487600
Samenvatting
De consument heeft op 8 januari 2021 een leveringsovereenkomst met de ondernemer gesloten voor de levering van warmte en koud en warm tapwater.
Volgens de consument bleek het systeem enkele maanden na aanvang van het contract niet goed te werken. De woning werd onvoldoende verwarmd en het tapwater werd niet warm genoeg. Ondanks vele meldingen daarvan in de periode tot 27 mei 2024 heeft de ondernemer niet of nauwelijks actie ondernomen om het achterliggende probleem te verhelpen. Uiteindelijk heeft de ondernemer het systeem vernieuwd waarna geen klachtmeldingen meer zijn gedaan.
De consument verlangt een financiële compensatie door de ondernemer voor de periode waarin het systeem niet goed functioneerde.
Volgens de ondernemer betreft de klacht onvoldoende werking van de vloerverwarming die behoort tot de binneninstallatie, waarvoor niet hij maar de verhuurder van het betreffende wooncomplex verantwoordelijk is. Naar aanleiding van de meldingen van de consument is op afstand de werking van de warmtepomp gecontroleerd die goed bleek te werken. De ondernemer wijst iedere aansprakelijkheid in deze af.
De commissie oordeelt dat de ondernemer nalatig is geweest om het herhaaldelijk gemelde probleem deugdelijk te onderzoeken en op te lossen. De ondernemer dient de consument daarvoor te compenseren.
Beoordeling
Tot de ingebrachte stukken behoort onder meer een overzicht van de ondernemer met betrekking tot de storingsmeldingen van de consument over de periode 21 juli 2022 tot 5 december 2023. Onder die meldingen bevindt zich een veelheid van klachten over onvoldoende warmte in de woning en van het tapwater. Voorts blijkt uit het dossier dat de ondernemer eenmaal op afstand de afleverset heeft gecontroleerd en goed bevonden. Voorts blijkt dat eenmaal iemand namens de ondernemer tezamen met een monteur van Feenstra ter plaatse is geweest, waarbij is gediscussieerd over de vraag of de invoer temperatuur voldoende was. Wat opvalt is dat ondanks de herhaalde storingsmeldingen iedere melding van de consument door de ondernemer vanaf november 2022 als een nieuwe storing is geadministreerd en daar niet steeds op is gereageerd
De commissie oordeelt dat de respons van de ondernemer op de veelheid van gelijkluidende storingsmeldingen van de consument onvoldoende is geweest. Daarbij kan een negatieve rol hebben gespeeld dat de ondernemer de meldingen vanaf november 2022 steeds als een nieuwe storing heeft geadministreerd. In elk geval had het op de weg van de ondernemer gelegen met het oog op de herhaalde meldingen te onderkennen dat er mogelijk iets aan de hand was met de warmte toevoer en ter plaatse een diepgaand onderzoek te doen naar de oorzaak van de storingen. Dat hij dat heeft nagelaten valt de ondernemer te verwijten.
Voorts neemt de commissie in aanmerking dat hij niet heeft weersproken dat hij op een gegeven moment kachels en boilers (inclusief een vergoeding voor elektra kosten) heeft aangeboden aan warmte afnemers in het wooncomplex die over de geleverde warmte en warm tapwater klaagden. Daaruit leidt de commissie een rechtsvermoeden af dat de ondernemer zich ervan bewust was dat de storingen (ook mede) te wijten waren aan problemen met de warmte toevoer. Dat uiteindelijk op 27 mei 2024 het gehele systeem is vervangen (inclusief de binneninstallatie in opdracht van de verhuurder van het wooncomplex) en daarna alle klachten waren opgelost voor de consument ondersteunt in zoverre dat rechtsvermoeden.
Een en ander rechtvaardigt naar het oordeel van de commissie dat de ondernemer aan de consument een compensatie geeft voor zijn nalatigheid om het herhaaldelijk gemelde probleem deugdelijk te onderzoeken en op te lossen. Naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid begroot de commissie die vergoeding op €625,– welk bedrag de ondernemer aan de consument dient te betalen.
Op grond van het voorgaande is de commissie van oordeel dat de klacht gegrond is.
Derhalve wordt als volgt beslist.
Beslissing
De ondernemer dient binnen veertien dagen na verzending van dit bindend advies aan de consument een vergoeding te betalen van € 625,–
Bovendien dient de ondernemer overeenkomstig het reglement van de commissie een bedrag van € 52,50 aan de consument te vergoeden ter zake van het klachtengeld.
Overeenkomstig het reglement van de commissie is de ondernemer aan de commissie behandelingskosten verschuldigd.
Deze behandelingskosten worden geheel betaald.
Aldus beslist door de Geschillencommissie Energie, bestaande uit de heer mr. R.J. van Boven, voorzitter, mevrouw mr. W.N. Kip, de heer mr. P. P. van der Neut, leden, op 3 februari 2025.
De uitspraak die de commissie heeft gedaan, is bindend voor beide partijen en vormt het sluitstuk van de procedure. De commissie kent geen mogelijkheid om tegen de uitspraak in beroep te gaan of deze te herzien. Ook niet in het geval van nieuwe feiten of argumenten. U kunt wel binnen 2 maanden na de verzenddatum van de uitspraak aan de burgerlijke rechter vragen de uitspraak te vernietigen. De andere partij heeft die mogelijkheid ook.
De rechter kan de uitspraak vernietigen als hij vindt dat de uitspraak onaanvaardbaar is; inhoudelijk of door de wijze van totstandkoming. Wanneer de uitspraak niet binnen 2 maanden door een van de partijen aan de burgerlijke rechter is voorgelegd door dagvaarding van de andere partij, kan de uitspraak niet meer ongedaan gemaakt worden.