Klacht is gegrond nu de ondernemer tot tussentijdse opzegging is overgegaan zonder de vereiste schriftelijke waarschuwing die aan de opzegging vooraf dient te gaan. De situatie is niet zodanig ernstig geweest dat de schriftelijke waarschuwing achterwege mocht blijven.

  • Home >>
  • Recreatie >>
De Geschillencommissie
Print Friendly, PDF & Email




Commissie: Recreatie    Categorie: Algemene voorwaarden    Jaartal: 2016
Soort uitspraak: -   Uitkomst: -   Referentiecode: 97174

De uitspraak:

Onderwerp van het geschil

Het geschil vloeit voort uit de huur van een toeristische standplaats voor de caravan van de consument.

Standpunt van de consument

Het standpunt van de consument luidt in hoofdzaak als volgt.

De consument verbleef met zijn gezin, waaronder zoon [naam zoon], op het park van de ondernemer. Op 26 juli 2015 was [naam zoon] met een groep in de disco op het park. Daar heeft [naam zoon] zijn broek omlaag getrokken waardoor een deel van zijn achterwerk zichtbaar werd. Ook anderen hebben toen hun achterwerk gedeeltelijk ontbloot. De volgende dag heeft de ondernemer [naam zoon] vanwege die gedraging van de camping verwijderd. Op grond van de toepasselijke Recron-voorwaarden had de ondernemer echter eerst een schriftelijke waarschuwing moeten geven. Dat heeft deze niet gedaan.
Verder heeft de ondernemer de reservering door de consument van een standplaats voor 2016 ongedaan gemaakt.

Ter zitting heeft de consument verder nog – in hoofdzaak – het volgende aangevoerd.

Er waren die avond van 26 juli meer jongelui in de disco die hun broek hebben laten zakken, maar [naam zoon] is de enige die het park heeft moeten verlaten. [naam zoon] en daarmee het gezin van de consument is door deze maatregel van de ondernemer te zwaar gestraft. Het was de bedoeling van de consument om in 2016 met een groot aantal familieleden weer naar het park van de ondernemer te gaan. De beslissing van de ondernemer de reservering voor een standplaats in 2016 ongedaan te maken en de weigering de consument en zijn gezin dan weer een standplaats aan te bieden, vindt de consument onevenredig en onrechtvaardig.

De consument verlangt dat zijn zoon [naam zoon] weer wordt toegelaten tot het park, dat de reservering voor 2016 wordt gehonoreerd en dat de ondernemer hem een vergoeding betaalt voor het gemiste vakantiegenot gedurende het verblijf na 27 juli 2015.

Standpunt van de ondernemer

Het standpunt van de ondernemer luidt in hoofdzaak als volgt.

Het voorval op 26 juli 2015 was de druppel die de emmer heeft doen overlopen. [naam zoon] had ook op 23 juli 2015 in het café op het park zijn broek laten zakken en is daarop aangesproken door medewerkers van het park. Zij hebben hem toen een mondelinge waarschuwing gegeven. Ook in de voorbije jaren heeft het gedrag van [naam zoon] bij herhaling aanleiding gegeven tot problemen en tot ingrijpen door parkmedewerkers. Ieder jaar zijn er gesprekken geweest met [naam zoon] en zijn ouders over zijn gedrag. Daarbij werd telkens beterschap beloofd maar daarvan is niets terecht gekomen. In het licht van het voorgaande leverde het gedrag van [naam zoon] op 26 juli 2015 een dringende reden op zodat een voorafgaande schriftelijke waarschuwing niet nodig was.
De ondernemer wil het gezin van de consument in 2016 niet weer als gast op het park ontvangen. Dat is de consument tijdig voor het seizoen van 2016 meegedeeld. De ondernemer is van mening dat het gezin van de consument niet bijdraag aan de goede sfeer op het park.

Ter zitting heeft de ondernemer verder nog – in hoofdzaak – het volgende aangevoerd.

De ondernemer betreurt de incidenten rond [naam zoon] en hetgeen daarop is gevolgd. Hij heeft moeten vaststellen dat vrijwel ieder jaar hij zelf of zijn medewerkers met de consument en zijn gezin spreken over incidenten. Na het incident op 26 juli 2015 heeft de ondernemer moeten besluiten niet langer met de familie [naam familie] door te gaan. Hij handhaaft zijn beslissing dat hij met de consument geen nieuwe overeenkomst wil sluiten voor het seizoen 2016.

Beoordeling van het geschil

De commissie heeft het volgende overwogen.

1. De verwijdering van het park van [naam zoon] moet worden aangemerkt als een tussentijdse beëindiging met onmiddellijke ingang door de ondernemer van een deel van de met de consument gesloten overeenkomst. Ingevolge artikel 9, eerste lid, van de hier toepasselijke Recron-voorwaarden voor toeristische plaatsen is de ondernemer gerechtigd tot tussentijdse opzegging met onmiddellijke ingang indien de consument “ondanks voorafgaande schriftelijke waarschuwing” de in dat artikellid vermelde handelingen verricht. Het tweede lid van die voorwaarden bepaalt dat de schriftelijke waarschuwing in dringende gevallen achterwege kan worden gelaten.
Vast staat dat de ondernemer [naam zoon] niet eerder schriftelijk had gewaarschuwd toen hij deze op 26 juli 2015 van het park verwijderde. Het hierboven vermelde incident dat de ondernemer tot die verwijdering aanleiding gaf, kan niet worden aangemerkt als een dringend geval als bedoeld in het tweede lid van artikel 9 van voormelde Recron-voorwaarden. Het had op de weg van de ondernemer gelegen [naam zoon] na het incident op 23 juli 2015 een schriftelijke waarschuwing te geven indien hij van oordeel was dat hij dit of ander ongewenst gedrag van [naam zoon] niet langer zou accepteren op straffe van verwijdering van het park. Nu de ondernemer [naam zoon] van het park heeft verwijderd zonder voorafgaande schriftelijke waarschuwing, is hij in zoverre tekort geschoten in de nakoming van de met de consument gesloten overeenkomst. De klacht van de consument is in zoverre gegrond.
Onvoldoende is komen vast te staan dat de consument schade heeft geleden door de verwijdering van [naam zoon]. Daartoe is van belang dat [naam zoon] meerderjarig is, dat hij van de overeengekomen periode van verblijf van drie weken tien dagen op het park heeft verbleven en dat na zijn vertrek de consument en de overige leden van het gezin hun verblijf op het park hebben voortgezet.

2. Het staat een ondernemer vrij te bepalen of hij met een recreant een overeenkomst sluit tot het ter beschikking stellen van een toeristische plaats voor een kampeermiddel. Die vrijheid wordt, behoudens bijzondere afspraken die gesteld noch gebleken zijn, niet beperkt door de omstandigheid dat – zoals in deze zaak het geval is – de ondernemer gedurende een aantal achtereenvolgende jaren met een recreant een dergelijke overeenkomst heeft gesloten. Een dergelijke beperking is evenmin af te leiden uit de door de ondernemer gehanteerde Recron-voorwaarden voor toeristische plaatsen. Een en ander brengt mee dat het de ondernemer vrij staat te weigeren met de consument een overeenkomst te sluiten voor 2016 en dat hij de reservering die de consument voor dat jaar had willen maken, ongedaan mocht maken. Niet gebleken is dat de ondernemer die reservering al had aanvaard in die zin dat hij zich had verbonden tot het ter beschikking stellen van een plaats aan de consument.
Een en ander betekent dat de klacht van de consument met betrekking tot de reservering en het sluiten van een overeenkomst voor 2016, ongegrond is.

3. Derhalve wordt als volgt beslist.

Beslissing

De klacht van de consument met betrekking tot de verwijdering van het park is gegrond.

De klacht van de consument met betrekking tot het ongedaan maken van de reservering en het weigeren in 2016 een standplaats ter beschikking te stellen, is ongegrond.

Het door de consument verlangde wordt afgewezen.

De ondernemer dient overeenkomstig het reglement van de commissie een bedrag van € 52,50 aan de consument te vergoeden ter zake van het klachtengeld.

Overeenkomstig het reglement van de commissie is de ondernemer aan de commissie als bijdrage in de behandelingskosten van het geschil een bedrag verschuldigd van € 90,00.

Aldus beslist door de Geschillencommissie Recreatie op 10 december 2015.