Commissie:
Categorie: Kwaliteit dienstverlening
Jaartal: 2026
Soort uitspraak: Bindend Advies
Uitkomst: ten dele gegrond
Referentiecode:
1312550/1328435
De uitspraak:
Waar gaat de uitspraak over?
De klacht betreft het medicatiebeleid voor de vader van klaagster, die verblijft op de locatie [plaatsnaam] te [plaats] van de zorgaanbieder. Klaagster verwijt de zorgaanbieder – kort gezegd – een onzorgvuldig medicatiebeleid met gezondheidsschade, het negeren van haar rol als wettelijk vertegenwoordiger, onbevoegd handelen en toezichtsfalen, gebrekkige communicatie en rapportages en een onzorgvuldige klachtbehandeling. Zij verlangt erkenning en een schadevergoeding van € 25.000,–. Voor zover de klacht ziet op onvrijwillige zorg (de toediening van medicatie) acht de commissie zich onbevoegd, omdat een klacht over onvrijwillige zorg op grond van de Wet zorg en dwang is voorbehouden aan de Wzd-klachtencommissie en niet onder de Wkkgz valt. Inhoudelijk oordeelt de commissie dat de zorgaanbieder bij het medicatiebeleid, de betrokkenheid van klaagster als vertegenwoordiger en het toezicht heeft gehandeld zoals van een redelijk bekwaam en redelijk handelend hulpverlener mag worden verwacht; die klachtonderdelen zijn ongegrond. Het klachtonderdeel over de communicatie is – overeenkomstig de erkenning door de zorgaanbieder – gegrond; over de rapportages is de klacht ongegrond. De verlangde schadevergoeding wordt afgewezen, omdat niet is gebleken tot welke schade de gebrekkige communicatie heeft geleid en de gestelde schade overigens onvoldoende is onderbouwd.
De volledige uitspraak
Onderwerp van het geschil
in het geschil tussen
mevrouw [naam], wonende te [plaatsnaam]
(hierna te noemen: de klaagster)
gemachtigde: de heer [naam]
en
Stichting BrabantZorg, gevestigd te Oss
(hierna te noemen: de zorgaanbieder).
De klager heeft de klacht voorgelegd aan de zorgaanbieder.
Het geschil betreft de vraag of de zorgaanbieder bij het medicatiebeleid voor de vader van klaagster zorgvuldig heeft gehandeld.
Standpunt van klaagster
Voor het standpunt van klaagster verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. In de kern komt het standpunt puntsgewijs op het volgende neer.
1. Onzorgvuldig medicatiebeleid en gezondheidsschade
De vader kreeg door een basisarts het medicijn citalopram voorgeschreven. In het medisch dossier is geen schriftelijk verslag of supervisieverslag aangetroffen van het overleg met de verantwoordelijke supervisor of specialist ouderengeneeskunde. Dit duidt op tekortschietende medische verantwoording en controle in het behandelproces.
Naast het medicijn citalopram kreeg de vader ook haloperidol voorgeschreven. De medicatie leidde tot ernstige lichamelijke en cognitieve achtergang: verlies van mobiliteit en stem, gewichtsverlies (15 kg), plasproblemen, duizeligheid, angst en het geloof dat hij zou sterven. Verzoeken om de medicatie af te bouwen werden aanvankelijk afgewezen. Na herhaaldelijk aandringen en afbouw volgde duidelijk herstel. Dat toont causaal verband aan tussen het medicatiebeleid en de achteruitgang. De gang van zaken wijst op chemische fixatie. De medicatie werd ingezet voor ‘verzorgbaarheid en welzijn’.
2. Genegeerde wettelijke vertegenwoordiging
Klaagster is in haar rol als wettelijk vertegenwoordiger van haar vader herhaaldelijk genegeerd. Verzoeken en bezwaren tegen de medicatie zijn niet opgevolgd. Het dreigen met vervanging als contactpersoon is in strijd met de WGBO en de Wzd. Er is sprake van gebrek aan respect voor het recht op vertegenwoordiging en besluitvorming in samenspraak.
Niet-medicamenteuze interventies zijn pas ingezet na een formele klacht, terwijl dit normaliter voor de start van risicovolle medicatie moet plaatsvinden. De Verenso richtlijnen zijn niet gevolgd.
3. Onbevoegd handelen en toezichtsfalen
Tijdens multidisciplinaire overleggen nam een niet BIG-geregistreerde psycholoog deel aan de besluitvorming over medicatie en gedrag. Ook paste zij zelfstandig het behandelplan aan. Er is sprake van onbevoegd handelen. De zorgaanbieder heeft geen toezicht gehouden door onbevoegde beroepsuitoefening toe te staan zonder correctie of verslaglegging.
4. Gebrekkige communicatie en rapportages
Vragen zijn regelmatig onbeantwoord gebleven en rapportages bevatten feitelijke onjuistheden of laten relevante verbeteringen na medicatie afbouw onvermeld. Van de door de zorgaanbieder toegezegde analyse door het gedragsconsultatieteam is geen verslag of rapport overgelegd.
5. Onzorgvuldige klachtbehandeling en ontbreken van hoor en wederhoor
Op de reactie van klaagster van 30 december 2024 op het oordeel van de Raad van Bestuur van 5 december 2024 is nooit inhoudelijk gereageerd. In het oordeel wordt niet vermeld wie is gehoord, wanneer gesprekken hebben plaatsgevonden en wat de inhoud daarvan is. Er is geen verslag van deze gesprekken aan klaagster verstrekt. Het is daardoor niet toetsbaar of de beginselen van hoor en wederhoor en het zorgvuldigheidsbeginsel zijn nageleefd. Dat is vereist op grond van de Wkkgz en de interne klachtenregeling van de zorgaanbieder. De interne klachtenbehandeling voldoet daardoor niet aan de eisen van zorgvuldigheid en controleerbaarheid.
Er is sprake van structurele tekortkomingen, gezondheidsschade en ernstige emotionele belasting voor de vader en de familie. Klaagster verlangt een schadevergoeding van € 25.000,–. De claim is gebaseerd op art. 19 Wkkgz en wordt gerechtvaardigd door de aard en ernst van het nalatig handelen. Daarnaast verlangt klaagster erkenning.
Ten aanzien van het beroep op onbevoegdheid ten aanzien van het klachtonderdeel onvrijwillige zorg voert klaagster aan dat sprake is van Wkkgz-zorg waarin normen uit de Wzd een rol spelen. Daarnaast geeft klaagster aan dat de zorgaanbieder expliciet heeft verwezen naar de commissie zodat zij zich nu niet alsnog op het standpunt kan stellen dat de commissie onbevoegd is.
Na de zitting heeft klaagster – na daartoe in de gelegenheid te zijn gesteld – een rapportage uit Puur overgelegd waarin de basisarts aangeeft dat eetlust- en smaakverlies niet erkend worden als bijwerkingen van haloperidol. Dat is onjuist. Het Farmacotherapeutisch Kompas vermeldt verminderde eetlust bij zowel citalopram als haloperidol. De basisarts heeft als gevolg hiervan de signalen structureel afgewezen, de bijwerkingen zijn niet als zodanig geregistreerd in het dossier, bijsturing van het medicatiebeleid op deze grond heeft niet plaatsgevonden en klaagster heeft geen juiste informatie ontvangen, waardoor geïnformeerde toestemming in de zin van art. 7:448 jo. 7:450 BW niet tot stand is gekomen.
Standpunt van de zorgaanbieder
Voor het standpunt van de zorgaanbieder verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. In de kern komt het standpunt ten aanzien van de klachtonderdelen op het volgende neer.
1. Onzorgvuldig medicatiebeleid en gezondheidsschade
Volgens de zorgaanbieder is er geen sprake van onzorgvuldig medicatiebeleid in de zin van een toerekenbare tekortkoming in de zorg. Het starten en verhogen van de medicatie is steeds met klaagster besproken. In overleg zijn de verzoeken van klaagster tot afbouw en stop van psychofarmaca altijd gehoord, besproken en zorgvuldig afgewogen vanuit de goede zorg die de zorgaanbieder verleent. Het belang van de vader en de medische verantwoordelijkheid is hierbij meegewogen. Het feit dat afbouw niet acuut heeft plaatsgevonden, maar in overleg met klaagster op een geleidelijke manier, geeft weer hoe de zorgaanbieder haar verantwoordelijkheden voortvloeiend uit de behandelovereenkomst correct heeft genomen. Het beeld van chemische fixatie acht de zorgaanbieder in deze context onjuist.
2. Genegeerde wettelijke vertegenwoordiging
Er is structureel in overleg met klaagster goede zorg verleend. De zorgaanbieder heeft gehandeld in lijn met hetgeen mag worden verwacht van een redelijk bekwaam en redelijk handelend hulpverlener in gelijke omstandigheden. Medicatiebeleid is gevoerd conform richtlijnen ‘probleemgedrag bij dementie’ van Verenso. Hoewel het team de achteruitgang van de vader primair duidde als het natuurlijke beloop van de dementie en in september 2024 van de bijkomende urineweginfectie, is op uitdrukkelijk verzoek van klaagster afbouw van de medicatie gestart. De wens van klaagster was een snellere afbouw, maar de goede zorg vroeg op dat moment om een zorgvuldige besluitvorming en een meer geleidelijke afbouw, en dus tijd. De wens (eis) tot versnelde afbouw van de medicatie is door de zorgaanbieder steeds met klaagster besproken en hierin is in gezamenlijkheid verder koers bepaald en zijn vele verslagleggingen gedaan.
3. Onbevoegd handelen en toezichtsfalen
Klaagster verwijt de zorgaanbieder dat onvrijwillige zorg is toegepast in de vorm van medicatietoediening, zonder klaagsters instemming en zonder dat het Wzd-stappenplan is gevolgd. Daarover kan alleen bij de Wzd-klachtencommissie worden geklaagd. Dit klachtonderdeel valt niet onder de Wkkgz en de commissie is niet bevoegd om een oordeel over dit klachtonderdeel te geven. Klaagster dient niet-ontvankelijk te worden verklaard in dit klachtonderdeel.
De basisarts werd te allen tijde gesuperviseerd door een specialist ouderengeneeskunde die gedurende de casus de medische zorg heeft overgenomen van de basisarts, op diens verzoek. Dit vanwege de uitingen en impact van het gedrag van klaagster op de vertrouwensrelatie tussen arts en wettelijk vertegenwoordiger.
De functie van psycholoog is geen beschermde titel. De zorgaanbieder heeft zowel master- als gezondheidspsychologen in dienst. Zij volgen hierbij de richtlijnen van het NIP. Dat een psycholoog niet BIG-geregistreerd is, doet niets af aan de deskundigheid.
4. Gebrekkige communicatie en rapportages
De zorgaanbieder heeft in het oordeel van 5 december 2024 de klacht op het gebied van ‘gebrekkige communicatie’ reeds gegrond verklaard. De zorgaanbieder erkent dat ze er onvoldoende in is geslaagd klaagster goed mee te nemen op een gelijkwaardige manier, en heeft excuses aangeboden dat er frictie is ontstaan in de communicatie. Dit heeft geleid tot een onevenredig aantal contactmomenten met vragen en opmerkingen vanuit klaagster, telefoontjes over wat de zorgverleners hadden opgeschreven in het elektronisch cliëntendossier en vervolgens de klacht. Na de klachtenafhandeling zijn verbetermaatregelen getroffen en wederkerige afspraken gemaakt ter verbetering van de onderlinge communicatie. Partijen lijken verder verwijderd te raken van elkaar met nadelig effect voor zowel klaagster als voor de zorgaanbieder. De zorgaanbieder lijkt de situatie niet te kunnen verbeteren en beraadt zich over een duurzame oplossing.
De verwachtingen van klaagster corresponderen niet altijd met de werkwijze c.q. protocollen die worden gehanteerd bij de zorgaanbieder en wat in zijn algemeenheid verwacht mag worden in de zorg. Daardoor ontstaat bij klaagster de indruk dat er gebrekkig wordt gerapporteerd.
De rapportages in oktober en november geven een goed beeld van de situatie, gedrag en mobiliteit en alertheid van de vader. De link naar de medicatie is niet genoteerd omdat dit niet feitelijk aantoonbaar is en dit niet de overtuiging is vanuit de betrokken behandelaren.
De rapportages zijn een zakelijke weergave van de zorgcontacten, waarbij de bedoeling is dat de zorgverlener rapporteert wat noodzakelijk is voor het verlenen van goede zorg.
De verlangde schadevergoeding moet worden afgewezen. Er is geen sprake van een verwijtbaar tekortschieten: het valt onder de zorgplicht van de zorgaanbieder dat medicatie die wordt ingezet met een bepaald doel conform protocol wordt toegediend (en afgebouwd) en er niet, enkel op verzoek van de wettelijk vertegenwoordiger, op korte termijn wisselend beleid wordt toegepast. De zorgaanbieder heeft gehandeld volgens de toepasselijke richtlijnen.
Nergens uit blijkt dat de (niet concreet onderbouwde) schadeposten in causaal verband staan met enige tekortkoming van de zorgaanbieder. Als al sprake zou zijn van een tekortkoming in het medicatiebeleid, staat geenszins vast dat de medicatie zou hebben geleid tot gezondheidsschade en al helemaal niet tot welke gezondheidsschade. De toenemende klachten passen bij de gebruikelijke achteruitgang binnen het ziektebeeld van de vader. De vermeende schadeposten zijn onvoldoende onderbouwd.
Na daartoe in de gelegenheid te zijn gesteld heeft de zorgaanbieder ten aanzien van de na de zitting door klaagster overgelegde stukken het volgende aangevoerd. De klaagster is ter zitting in de gelegenheid gesteld om aanvullende onderbouwing aan te leveren van ontkenning van gewichtsafname als mogelijke bijwerking van het medicijn citalopram. In de door klaagster aangeleverde stukken wordt dit breder getrokken en gaat het om ‘bijwerkingen eetlust- en smaakverlies citalopram en haloperidol’.
Gewichtsafname is bij de behandelaren een bekende bijwerking van met name citalopram. Hier is ook aandacht voor geweest. Echter het handelen van de arts dient breder beschouwd te worden: in mei tot augustus 2024 verslechtert de vader vanwege het ziektebeeld dementie en was het beleid gericht op het gedrag van de vader: comfort en vermindering van agitatie/onrust. De mentale en fysieke toestand van de vader verslechterde en het beeld van het zorgteam op dat moment was dat dit zelf onomkeerbaar kon zijn. Ten aanzien van de notitie van de basisarts van 6 september 2024 merkt de zorgaanbieder op dat de door de klaagster geciteerde en gebruikte citaten in een bredere context moeten worden bezien. De basisarts heeft geprobeerd de zorgen van de klaagster transparant te benoemen in het dossier. Er staat niet dat hij deze zorgen niet (h)erkent. In hetzelfde verslag blijkt namelijk dat er wel bij is stilgestaan. Het zorgteam heeft begin september een andere inschatting gemaakt van de reden van de verminderde eetlust dan de klaagster dat deed. De vader at al langer slecht en daar waren verschillende verklaringen voor: stemming, onrust, niet goed passend gebit, weigeren van eten. De basisarts schrijft verder dat verminderde eetlust of verlies van smaak bij het middel haloperidol nooit beschreven is. Dat is feitelijk juist. De zorgaanbieder verwijst naar het uittreksel van het farmacotherapeutisch kompas. Gewichtsverandering staat wel vernoemd als bijwerking bij gebruik van Haloperidol, maar kan namelijk ook optreden zonder vermindering van eetlust.
Beoordeling van het geschil
De commissie heeft het volgende overwogen.
Bevoegdheid
De zorgaanbieder voert aan dat de commissie niet bevoegd is om een oordeel te geven over de door klaagster gestelde onvrijwillige zorg in de vorm van toediening van medicatie.
De commissie is op grond van de Wet kwaliteit, klachten en geschillen zorg (Wkkgz) bevoegd geschillen te beslechten over gedragingen van een zorgaanbieder jegens een cliënt in het kader van de zorgverlening (artikel 19 en 21 Wkkgz). Een klacht over onvrijwillige zorg valt daarbuiten. De Wet zorg en dwang (Wzd) voorziet voor klachten over onvrijwillige zorg – waaronder het opnemen daarvan in het zorgplan en de uitvoering ervan, zoals de toediening van medicatie – in een eigen klachtprocedure bij de Wzd-klachtencommissie, die daarover beslist ‘in afwijking van hoofdstuk 3 van de Wet kwaliteit, klachten en geschillen zorg’ (artikel 53, tweede lid, in verbinding met artikel 55 Wzd). Tegen de beslissing van die klachtencommissie staat vervolgens de gang naar de rechter open (artikel 56c Wzd), en niet die naar de geschilleninstantie.
Voor zover klaagster erover klaagt dat medicatie als onvrijwillige zorg is toegediend zonder haar instemming en zonder toepassing van het Wzd-stappenplan, is de commissie daarom niet bevoegd. Dat de zorg in het kader van een behandelingsovereenkomst en dus binnen een Wkkgz-relatie is verleend, maakt dit niet anders: de wetgever heeft klachten over onvrijwillige zorg nu juist uitdrukkelijk aan de Wzd-klachtencommissie voorbehouden. De omstandigheid dat de zorgaanbieder klaagster naar deze commissie zou hebben verwezen, kan aan die wettelijke afbakening evenmin afdoen, nu de bevoegdheid van de commissie voortvloeit uit de wet en het reglement en niet ter vrije bepaling van partijen staat.
De commissie zal zich ten aanzien van het klachtonderdeel over onvrijwillige zorg dan ook onbevoegd verklaren.
Inhoudelijk
Op grond van de Wet op de geneeskundige behandelingsovereenkomst moet de zorgaanbieder bij zijn werkzaamheden de zorg van een goed hulpverlener in acht nemen en daarbij handelen in overeenstemming met de op hem rustende verantwoordelijkheid, voortvloeiende uit de voor hulpverleners geldende professionele standaard (artikel 7:453 van het Burgerlijk Wetboek). Deze zorgplicht houdt in dat de zorgaanbieder die zorg moet betrachten die een redelijk bekwaam en redelijk handelend hulpverlener in dezelfde omstandigheden zou hebben betracht. De commissie dient te beoordelen of de zorgaanbieder de op hem rustende zorgplicht voldoende is nagekomen.
1. Onzorgvuldig medicatiebeleid en gezondheidsschade
De kern van het klachtonderdeel is dat de vader als gevolg van de voorgeschreven medicatie last kreeg van ernstige lichamelijke en cognitieve klachten in het bijzonder dat hij 15 kilo is afgevallen, dat zijn situatie verslechterde en dat niet tijdig is gehandeld op aangeven van klaagster.
Uit de overgelegde stukken en hetgeen ter zitting naar voren is gebracht blijkt dat de zorgaanbieder steeds medisch zorgvuldig heeft afgewogen wat de beste behandeling voor de vader was. Voordat is besloten tot medicatie zijn andere (gedragsmatige) alternatieven uitgeprobeerd, maar deze hebben onvoldoende resultaat gehad. Ook volgt uit het dossier dat klaagster steeds is betrokken bij de behandeling van de vader. Klaagster is aanvankelijk akkoord gegaan met de start van medicatie in de vorm van citalopram en later haloperidol.
Klaagster verwijt de zorgaanbieder dat vervolgens niet snel genoeg is gehandeld toen zij aangaf dat de medicatie moest worden afgebouwd. De zorgaanbieder geeft aan dat een te snelle afbouw zou kunnen leiden tot ontwenningsverschijnselen. Op aandringen van klaagster is toch besloten tot een snellere afbouw. De commissie is van oordeel dat van onzorgvuldig handelen geen sprake is. Hoewel aan de wens van klaagster gehoor is gegeven, heeft de zorgaanbieder ook de gevolgen van de te snelle afbouw voor de vader in ogenschouw genomen bij de beoordeling hoe snel kon worden afgebouwd.
Klaagster heeft verder aangevoerd dat de zorgaanbieder het gewicht van de vader onvoldoende in de gaten heeft gehouden. Volgens de zorgaanbieder was de vader reeds voordat werd gestart met de medicatie 5 kilo afgevallen en dat hij in een periode van 3 weken 3 kilo is afgevallen. Naar het oordeel van de commissie is de frequentie waarin de vader is gewogen in de gegeven tijdlijn niet onzorgvuldig.
Voor klaagster lijkt vast te staan dat het gewichtsverlies en de verminderde mobiliteit het gevolg zijn van de medicatie. De zorgaanbieder geeft aan dat deze klachten ook het gevolg kunnen zijn van de ernst van de dementiefase waarin de vader op dat moment verkeerde. Klaagster heeft aangevoerd dat de basisarts in het medisch dossier van de vader heeft genoteerd dat gewichtsverlies niet als bijwerking staat vermeld op de bijsluiter. Verminderd eten en slecht kunnen lopen zouden geen gevolg zijn van de medicatie. Klaagster is na de zitting in de gelegenheid gesteld om stukken uit het medisch dossier over te leggen waaruit dit blijkt.
Uit het door klaagster overlegde stuk uit Puur blijkt dat de basisarts op 6 september 2024 schrijft: “Aangegeven dat verlies van eetlust of smaak niet te wijten is aan haloperidol, omdat dhr. hier al last van had VOOR start haloperidol. CP is het niet mee eens. NB: vandaag de bijsluiter van dit middel opnieuw doorgelezen, misselijkheid is vermeld als bijwerking (maar daar heeft dhr. geen last van, heeft hij geen enkele keer aangegeven), maar verminderde eetlust of verlies van smaak is NOOIT beschreven als bijwerking.”
In het Farmacotherapeutisch Kompas wordt verminderde eetlust en smaakverlies alleen bij citalopram vermeld en niet bij haloperidol. Het bedoelde citaat in het dossier gaat over haloperidol. De arts heeft dus correct genoteerd dat voormelde bijwerkingen bij haloperidol niet genoemd werden. Een en ander betekent overigens niet dat deze bijwerkingen niet kunnen voorkomen.
Naar het oordeel van de commissie heeft de zorgaanbieder volgens de professionele standaard gehandeld. De zorgaanbieder dient telkens een medische beoordeling te geven van de behandeling. Daarbij dient te worden afgewogen en een inschatting te worden gemaakt. Naar het oordeel van de commissie is van een verkeerde inschatting of van onzorgvuldig handelen geen sprake geweest.
Uit het voorgaande volgt dat het klachtonderdeel ongegrond is.
2. Genegeerde wettelijke vertegenwoordiging
Klaagster verwijt de zorgaanbieder dat zij genegeerd is als wettelijk vertegenwoordiger van haar vader. Uit het overgelegde dossier blijkt dat klaagster telkens is meegenomen bij de behandeling van haar vader. Ook is telkens haar toestemming verkregen om medicatie in te zetten. Toen klaagster de medicatie niet langer wenste is deze (uiteindelijk) afgebouwd. Dat een en ander klaagster niet snel genoeg is gegaan, betekent niet dat zij als wettelijk vertegenwoordiger is genegeerd. Het klachtonderdeel is ongegrond.
3. Onbevoegd handelen en toezichtsfalen
Een basisarts is bevoegd om zelfstandig medicatie voor te schrijven. De basisarts heeft steeds contact gehouden met de supervisor. Ook is de behandeling in het multidisciplinair overleg steeds besproken.
Een BIG-registratie is voor psychologen niet verplicht. Indien een psycholoog niet BIG-geregistreerd is, betekent dat niet dat de psycholoog niet deskundig is. De zorgaanbieder volgt de richtlijnen van het NIP.
Dat de zorgaanbieder onvoldoende toezicht zou hebben gehouden is niet gebleken. Het klachtonderdeel is ongegrond.
4. Gebrekkige communicatie en rapportages
De zorgaanbieder erkent dat de communicatie gebrekkig is geweest. In zoverre is het klachtonderdeel dan ook gegrond.
Dat de rapportages gebrekkig zijn wordt door de zorgaanbieder gemotiveerd betwist en is niet gebleken. In zoverre is het klachtonderdeel ongegrond.
5. Onzorgvuldige klachtbehandeling en ontbreken van hoor en wederhoor
Op de door klaagster ingediende klachten is door de zorgaanbieder op 5 december 2024 gereageerd. Daaruit blijkt niet dat de klachtbehandeling onzorgvuldig is geweest. Het klachtonderdeel is ongegrond.
Op grond van het voorgaande is de commissie van oordeel dat het klachtonderdeel over gebrekkige communicatie gegrond is en dat de overige klachtonderdelen ongegrond zijn.
De commissie ziet geen aanleiding om de gevorderde schadevergoeding toe te wijzen. Deze is onvoldoende onderbouwd. Niet is gebleken tot welke schade de gebrekkige communicatie heeft geleid.
Derhalve wordt als volgt beslist.
Beslissing
De commissie:
Verklaart zich onbevoegd ten aanzien van het klachtonderdeel over onvrijwillige zorg;
Verklaart het klachtonderdeel over de gebrekkige communicatie gegrond en de overige (inhoudelijk beoordeelde) klachtonderdelen ongegrond;
Wijst het verzoek om schadevergoeding af;
Bovendien dient de zorgaanbieder overeenkomstig het reglement van de commissie een bedrag van € 52,50 aan klaagster te vergoeden ter zake van het klachtengeld.
Overeenkomstig het reglement van de commissie is de zorgaanbieder aan de commissie behandelingskosten verschuldigd.
Aldus beslist door de Geschillencommissie Verpleging Verzorging en Geboortezorg, bestaande uit de heer mr. dr. B. Wallage, voorzitter, mevrouw mr. M.B. van Leusden-Donker, de heer mr. P.O.H. Gevaerts, leden, in aanwezigheid van mevrouw mr. L. Kramer, secretaris, op 28 april 2026.