Commissie: Advocatuur
Categorie: (Niet) Ontvankelijkheid
Jaartal: 2024
Soort uitspraak: Niet-ontvankelijkverklaring
Uitkomst: niet-ontvankelijk
Referentiecode:
524451/681298
De uitspraak:
Waar gaat de uitspraak over?
In deze zaak klaagt een cliënte bij de Geschillencommissie Advocatuur over de rol van haar advocaat in een dossier dat volgens haar heeft geleid tot het mislukken van het IB-diploma van haar zoon. Ze stelt dat de advocaat het dossier heeft vertraagd en onjuist heeft gehandeld, waardoor haar zoon schade heeft geleden. De advocaat voert aan dat de interne klachtprocedure al op 14 juni 2021 was afgerond en dat de cliënte haar klacht pas op 6 augustus 2024 bij de commissie heeft ingediend. Volgens het reglement moet een klacht binnen twaalf maanden na afronding van de interne klacht worden ingediend. De cliënte zegt dat ze eerst de uitspraak van de Raad van Discipline wilde afwachten, die pas in mei 2024 kwam. De commissie oordeelt echter dat de tuchtprocedure losstaat van de klachtprocedure bij de commissie en dat er geen reden was om zo lang te wachten. Daarom wordt de cliënte niet-ontvankelijk verklaard in haar klacht.
De volledige uitspraak
Onderwerp van het geschil
De cliënte verwijt het de advocaat haar zoon onmogelijk te hebben gemaakt zijn IB-diploma te behalen, waardoor hij schade heeft geleden dan wel in de toekomst zal lijden.
Standpunt van de cliënte
Voor het standpunt van de cliënt verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. In de kern komt het standpunt op het volgende neer.
De klacht gaat over de slechte dienstverlening van de advocaat betreffende de toelating van de zoon van de cliënte tot les voor een IB-diploma. De advocaat heeft opzettelijk het dossier getraineerd, waarbij hij meermaals zelfs fors gelogen heeft. Hierdoor heeft hij het onmogelijk gemaakt dat de zoon alsnog zijn IB-diploma kon halen. De cliënte vordert schadevergoeding voor de geleden en nog toekomstige schade.
Standpunt van de advocaat
Voor het standpunt van de advocaat verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. In de kern komt het standpunt op het volgende neer.
De interne klachtafhandeling is reeds op 14 juni 2021 afgerond. De advocaat verzoekt daarom met verwijzing naar artikel 7 lid 2 sub c van het Reglement van de commissie om de cliënte niet-ontvankelijk te verklaren in haar klacht.
Beoordeling van het geschil
De commissie heeft het volgende overwogen.
In artikel 7 lid 2 van het reglement is ten aanzien van de ontvankelijkheid het volgende bepaald:
2. De commissie verklaart op verzoek van de advocaat – mits gedaan bij eerste gelegenheid – de cliënt in zijn klacht niet-ontvankelijk
a. indien hij zijn klacht niet eerst overeenkomstig de kantoorklachtenregeling bij de advocaat heeft ingediend binnen drie maanden na het moment waarop de cliënt kennis nam of redelijkerwijs had kunnen nemen van het handelen of nalaten dat tot de klacht aanleiding heeft gegeven;
b. indien na indiening van de klacht als bedoeld onder a nog geen vier weken zijn verstreken of indien voor de klacht binnen deze termijn tussen de advocaat en de cliënt een regeling is overeengekomen die door de advocaat aan de cliënt schriftelijk is bevestigd;
c. indien na schriftelijke afhandeling van de klacht als bedoeld onder a meer dan twaalf maanden zijn verstreken.
Vaststaat dat de cliënte de klacht overeenkomstig de interne klachtenregeling van de advocaat heeft voorgelegd aan de advocaat. Op 14 juni 2021 heeft de externe klachtenfunctionaris in een e-mail aan de cliënte aangegeven dat de interne klachtenprocedure tot een einde is gekomen. In de reactie daarop van de cliënte van 21 juni 2021 maakt zij reeds melding van het voorleggen van de klacht aan de geschillencommissie. Zij heeft dit echter pas gedaan op 6 augustus 2024, zodat meer dan twaalf maanden zijn verstreken na de schriftelijke afhandeling van de interne klacht.
De cliënte stelt dat haar geen verwijt gemaakt kan worden van deze termijnoverschrijding, omdat zij de klacht eerst heeft voorgelegd aan de Raad van Discipline en de Raad pas op 27 mei 2024 uitspraak heeft gedaan, waarbij de klacht gegrond werd verklaard en de advocaat werd getuchtigd. Zij heeft deze procedure willen afwachten, om vervolgens de klacht voor vergoeding van schade bij de commissie in te dienen. De cliënte stelt verder de commissie te hebben willen ontlasten door eerst het traject bij de Raad voor Discipline af te wachten. De commissie is van oordeel dat een tuchtprocedure bij de Raad van Discipline los staat van een procedure bij de commissie. Het is niet aan de cliënte om te besluiten deze procedure af te wachten dan wel daarmee de commissie te willen ontlasten. Er was geen beletsel om het geschil niet binnen twaalf maanden na afronding van de interne klacht het geschil bij de commissie in te dienen.
Op grond van het voorgaande is de cliënte niet-ontvankelijk in de klacht.
Derhalve wordt als volgt beslist.
Beslissing
De cliënte wordt in de klacht niet-ontvankelijk verklaard.
Aldus beslist door de Geschillencommissie Advocatuur, bestaande uit de heer mr. A.G.M. Zander, voorzitter, de heer mr. I.L. Haverkate, de heer H.W. Zuur, leden, in aanwezigheid van mevrouw mr. M. Gardenier, secretaris, op 6 december 2024.