Commissie: Water
Categorie: tarieven
Jaartal: 2025
Soort uitspraak: Bindend Advies
Uitkomst: ongegrond
Referentiecode:
890748/944142
De uitspraak:
Waar gaat de uitspraak over?
Een consument klaagde over de hoge kosten van € 1.765,80 voor de aanleg van een bouwaansluiting voor drinkwater. Zij vond dit bedrag onredelijk, zeker omdat de werkzaamheden gelijktijdig met de elektriciteitsaansluiting waren uitgevoerd en de netbeheerder daarvoor een veel lagere factuur stuurde. De ondernemer stelde dat het gehanteerde bedrag een standaardtarief is, gebaseerd op gemiddelde kosten en getoetst door de overheid en ACM, en dat dit tarief in 2024 correct is toegepast. De commissie oordeelde dat er geen sprake is van een excessief of onaanvaardbaar hoog tarief en dat de ondernemer terecht het standaardtarief heeft berekend. Daarom is de klacht ongegrond verklaard en wordt het depotbedrag volledig aan de ondernemer uitgekeerd.
De volledige uitspraak
Samenvatting
Het geschil betreft de door de ondernemer in rekening gebrachte kosten van € 1.765,80 voor de aanleg van een bouwaansluiting.
De consument heeft op 10 december 2024 de klacht bij de ondernemer ingediend.
De consument heeft op 11 februari 2025 een bedrag van € 1.765,80 bij de commissie in depot gestort.
Beoordeling
Standpunt van de consument
Voor het standpunt van de consument verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. In de kern komt het standpunt op het volgende neer.
De consument schrok van het door haar te betalen bedrag voor de bouwaansluiting. De wateraansluiting is gelijktijdig aangelegd met de bouwaansluiting voor elektriciteit. Er is gelijktijdig gegraven en in de door de aannemer van de consument gegraven geul zijn de elektriciteitskabel en de waterleiding geplaatst. Van de netbeheerder ontving de consument een factuur ten bedrage van € 1.020,– ex BTW en dat is veel lager dan het bedrag dat de ondernemer in rekening brengt, te weten € 1.620,– ex BTW. Bovendien lijkt een 3-fasen elektriciteitskabel duurder dan een enkele waterleiding.
Nu de aansluitingen gelijktijdig zijn gerealiseerd is een korting op de werkzaamheden redelijk. Ook dient rekening te worden gehouden met de omstandigheid dat de ondernemer monopolist is en er geen concurrentie is. De consument kan niet kiezen, maar is gebonden aan de ondernemer.
Ter zitting heeft de consument voor zover van belang nog het volgende aangevoerd.
De consument vindt het onterecht dat zij het volle pond moet betalen, nu de beide aparte opdrachten zijn samengevoegd en in enkele uren zijn uitgevoerd. De werkzaamheden zijn al uitgevoerd en men is al aan het bouwen. Er wordt niet gecommuniceerd. De consument moet twee aparte aanvragen indienen en tweemaal betalen voor in feite één opdracht.
Standpunt van de ondernemer
Voor het standpunt van de ondernemer verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. In de kern komt het standpunt op het volgende neer.
Op 29 juni 2024 diende de consument een aanvraag in voor een bouwaansluiting drinkwater. De ondernemer stuurde op 3 juli 2024 de bevestiging van de aanvraag. Na de uitvoering van de werkzaamheden ontving de consument op 10 december 2024 de factuur. Hierna is tussen partijen een discussie bestaan over de hoogte van de factuur.
De ondernemer wijst op het bepaalde in artikel 14 lid 1 van de Algemene Voorwaarden. Op grond van deze bepaling is de consument gehouden de kosten van de werkzaamheden, zoals die in de Tarievenregeling staan vermeld, te betalen. In 2024 was het tarief € 1.765,80 voor het aanleggen van een bouwaansluiting. De tarieven die gelden in het jaar van de uitvoering van de werkzaamheden zijn bepalend.
Het gehanteerde tarief is een standaardtarief, een zogenaamd postzegeltarief. Dat houdt in dat het een gemiddelde is van de kosten dien normaal met dit soort werkzaamheden gepaard gaan. In sommige gevallen zullen de daadwerkelijke kosten lager uitvallen, in andere gevallen hoger. Vergelijk het met een postzegel. Het maakt niet uit hoe groot de afstand is die met de bezorging van een brief gepaard gaat.
De reden dat de ondernemer van een dergelijk tarief gebruikt maakt is dat het maken van individuele calculaties kostbaar en tijdrovend is. Alle drinkwatertarieven, ook de tarieven voor dit soort werkzaamheden, kennen een kostprijsberekening die van overheidswege wordt getoetst door de Inspectie Leefomgeving en Transport, onderdeel van het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat., na consultatie van de Autoriteit Consument en Markt. Alle drinkwatertarieven moeten ingevolge artikel 11 van de Drinkwaterwet minimaal kostendekkend zijn.
In dat tarief zijn alle kosten verdisconteerd. De omstandigheid dat de regionale netbeheerder een lager tarief hanteert, maakt dit niet anders.
De consument is vooraf over het tarief geïnformeerd en de kosten zijn gemaakt. De ondernemer wijst bovendien op een uitspraak van de commissie met een vergelijkbare klacht, die ongegrond is beoordeeld.
Ter zitting heeft de ondernemer voor zover van belang nog het volgende aangevoerd.
Er wordt in overleg met de netbeheerder één aannemer uitgezocht om de werkzaamheden uit te voeren. De kostenopbouw is bij een netbeheerder anders dan bij een waterbedrijf als de ondernemer.
De 10 waterbedrijven stellen jaarlijks een verslag op over de kosten. Elk drinkwaterbedrijf kent eigen tarieven omdat de kosten om een m3 drinkwater te maken variëren per locatie.
In het tarief zou ook het aanleggen van een sleuf hebben gezeten. Er wordt altijd bodemonderzoek verricht door de aannemer. Als er gesaneerd moet worden ontstaat een nieuwe situatie.
De ondernemer geeft evenmin als de netbeheerder korting op de werkzaamheden.
Beoordeling van het geschil
De commissie heeft het volgende overwogen.
In dit geschil klaagt de consument over de hoogte van de factuur voor de aanleg van een bouwaansluiting.
De ondernemer voert gemotiveerd verweer.
De ondernemer stelt zich op het standpunt dat door hem het juiste tarief, te weten het tarief dat in 2024 is verschuldigd, is toegepast. De consument is erop gewezen dat het tarief van toepassing is dat op het moment van het uitvoeren van de werkzaamheden geldt.
Het stond de ondernemer dan ook vrij om het in 2024 geldende tarief in rekening te brengen. De commissie is in beginsel niet bevoegd zich over de door de ondernemer gehanteerde tarieven uit te laten en heeft op dat gebied slechts een uiterst marginale bevoegdheid.
Dit vindt zijn oorzaak in de omstandigheid dat de tarieven door de Inspectie Leefomgeving en Transport in samenwerking met de ACM worden getoetst, zodat de commissie op dit punt, te weten de hoogte van de tarieven, een grote terughoudendheid dient te betrachten.
In deze zaak heeft de consument geen omstandigheden gesteld en aannemelijk gemaakt die tot het oordeel kunnen leiden dat sprake is van een excessief en onaanvaardbaar hoog tarief. De enkele omstandigheid dat de factuur van de netbeheerder voor het aanleggen van een bouwaansluiting elektriciteit maakt dit niet anders. Ook de omstandigheid dat sprake is geweest van een gelijktijdige uitvoering brengt niet mee dat de factuur moet worden verlaagd, nu dat verder niets zegt over de kosten van de gemiddelde normale werkzaamheden waarop het tarief is gebaseerd.
Op grond van het bovenstaande is de klacht van de consument ongegrond.
Derhalve wordt als volgt beslist.
Beslissing
De commissie wijst het door de consument verlangde af.
Met inachtneming van het bovenstaande wordt het depotbedrag als volgt verrekend.
Het depotbedrag wordt aan de ondernemer overgemaakt.
Aldus beslist door de Geschillencommissie Water, bestaande uit de heer mr. F.C. Schirmeister, voorzitter, de heer mr. E.F. Verduin, mevrouw mr. A. Zwart-Hink, leden, op 27 maart 2025.