Klacht over importkosten bij verhuizing ongegrond verklaard

De Geschillencommissie Opslaan als PDF




Commissie: Verhuizen    Categorie: extra kosten    Jaartal: 2025
Soort uitspraak: Bindend Advies   Uitkomst: ongegrond   Referentiecode: 636780/809568

De uitspraak:

Waar gaat de uitspraak over?

Een consument klaagde dat hij tijdens zijn verhuizing naar het buitenland onverwacht importkosten voor zijn auto moest betalen, omdat deze minder dan zes maanden op zijn naam stond bij de officiële invoerdatum. Hij stelde dat de ondernemer hem had toegezegd dat de auto zonder kosten als verhuisgoed kon worden ingevoerd en hield daarom een deel van de factuur achter. De ondernemer betwistte dit en stelde dat de consument zelf verkeerd had gehandeld en niet de juiste instructies had gevolgd. Tijdens de zitting bleek dat de consument de auto inmiddels in Nederland had verkocht en dus geen invoerrechten of belastingen verschuldigd was. Omdat geen concrete schade kon worden vastgesteld, verklaarde de commissie de klacht ongegrond. De consument moet het openstaande bedrag van € 2.835 betalen en dit depotbedrag wordt aan de ondernemer overgemaakt

De volledige uitspraak

Onderwerp van het geschil

Het geschil vloeit voort uit een op een op 8 juli 2024 tussen partijen tot stand gekomen overeenkomst. De ondernemer heeft zich daarbij verplicht tot:

“A: Het verhuizen van uw inboedel van ca. 29m3 vanuit uw huidige woning in [stad] naar uw nieuwe woning in [stad] ([land 1]) op basis van gecombineerd transport eind augustus/begin september. € 4.985,00
B: Kosten met betrekking tot het in- en uitklaren van de zending en andere douane formaliteiten. € 350,00
C: Transportverzekering buitenland over de weg, conform algemene voorwaarden, buitenland verhuizing. Premie bedraagt 1,5% van de door u gestelde waarde + €50 certificaatkosten.”.

En zulks dus tegen de daarvoor door de consument te betalen totaalprijs van € 5.335,–.”.

De overeenkomst is uitgevoerd medio augustus 2024.

De consument heeft een bedrag van € 2.835,– niet betaald en bij de commissie gedeponeerd.

De consument heeft op 19 augustus 2024 de klacht voorgelegd aan de ondernemer.

Standpunt van de consument

Het standpunt van de consument luidt in hoofdzaak als volgt.

De betaling van de factuur van de ondernemer heeft consument gedeeltelijk opgeschort vanwege een fout bij het inklaren van zijn auto tijdens verhuizing van [stad] naar [stad]. Ondanks advies en afspraken over de verhuisdatum, had consument importkosten van ± € 3.500,– moeten betalen. De ondernemer erkent een fout, maar wijst alle verantwoordelijkheid daarvoor af. Consument heeft dus een deel van de factuur betaald en verzoek een creditfactuur voor het resterende bedrag.

De verhuizing en specifiek de verhuizing van onze [automerk] [model] is aldus gelopen:

Consument wilde half augustus 2024 verhuizen naar [land 1]. Dit werd begin augustus 2024.
De vrouw van de consument heeft toen bij de ondernemer aangegeven dat zij het idee had dit niet kon, met betrekking tot het invoeren van de auto, omdat deze pas op 16 augustus 2024 een half jaar in bezit is van de consument. De ondernemer heeft toen aangegeven dat eerder verhuizen gaat lukken zonder de importkosten voor de auto te hoeven betalen, door de auto direct op de lijst te zetten, maar pas later bij de douane aan te melden (of hoe dat officieel ook mag heten).

De ondernemer heeft ons verhuisd en onze spullen zijn ingevoerd op 6 augustus 2024.
Er is op 16 augustus een afspraak gemaakt voor consument, om de auto in te voeren, precies 6 maanden na aankoop auto. Consument moest daarvoor dan eerst aldaar bij de contactpersoon bij [derden] zijn; zij regelen de papieren voor de import van onze auto. Consument is toen langsgegaan bij [derden] en zij hebben de papieren in orde gemaakt (wat nog een gedoe was, want ik had in eerste instantie niet alle juiste papieren, dus ik moest ter plekke nog dingen downloaden van de RDW-website). Maar uiteindelijk had [derden] alle benodigde papieren en zijn de auto-export en import papieren aan mij gegeven. Met de papieren van [derden] is consument eerst naar [land 2] douane geweest en daarna naar de [land 1]. Bij de [land 1] douane ging het niet goed. Hoewel consument de auto op die datum 6 maanden in bezit had, had hij eerder op 6 augustus 2024 de auto minder dan 6 maanden in bezit en dus moest consument importkosten betalen over zijn auto (+/-12% van de waarde). De [land 1] douanebeambten gaf aan dat het enige wat telt, is de officiële invoerdatum (dus 6 augustus 2024 in ons geval) en dat het moment dat consument aan de balie staat, geen enkele invloed heeft. Consument heeft het proces toen niet doorgezet. Consument heeft toen het proces bij de [land 1] douane (met opmerking “dit moet ik eerst overleggen”) stopgezet, waarop de [land 1] Douane aangaf dat consument niet meer met zijn auto [land 1] in mag rijden, omdat consument reeds in [land 1] woont en dus moest hij iets doen met de auto om naar huis te kunnen gaan.

Consument is toen dus weer teruggegaan naar zijn contactpersoon bij [derden]. Consument heeft daar zijn probleem voorgelegd; zij gaven toen aan dat zij niks voor consument konden betekenen, dus consument weer terug naar de [land 1] douane en heeft daar een twee jarige vrijstelling gekregen met behoud van Nederlands kenteken, daarna moet consument de auto invoeren in [land 1] (a +/-12%= +/- 3500 euro). Na afronding, van een en ander kreeg consument te horen dat er een tweede contactpersoon is, namelijk [expediteur]. Consument weet dat zij in Nederland ondersteuning aan de ondernemer hebben gegeven, maar het is nieuw voor consument dat zij ook iets doen met de import van de auto, want voor het invoeren van de auto en het regelen van de papieren voor het invoeren van de auto had consument [derden] als contactpersoon.

Achteraf zegt [expediteur] niks meer te kunnen doen. Maar zij zeggen ook:
(1) wij hebben geadviseerd om pas eind augustus te verhuizen, en:
(2) dat ze hebben geadviseerd om de auto eerst uit te voeren in NL en niet in 1 keer te exporteren en te importeren, en:
(3) ze hebben ook gezegd om de auto niet voor 16 augustus 2024 over de grens met [land 1] te rijden. Ten slotte (4) zeggen ze ook dat ze eigenlijk niet weten of het dan wel goed zou zijn gegaan, maar dan was er mogelijk nog een oplossing te vinden. Allerlei punten die consument achteraf hoort, terwijl juist consument van de ondernemer te horen had gekregen dat het gewoon kon!

Volgens consument hadden de importkosten van +/- 3500 voorkomen kunnen worden als de ondernemer consument beter had voorgelicht en volgens consument is het daarom onterecht dat al deze kosten voor hem zijn. Vandaar dat consument slechts +/- de helft van de factuur heeft betaald.

Er bleven voor consument twee opties over:

1: auto verkopen in Nederland: consument dacht dat hij de auto reeds uitgevoerd had uit Nederland (formulier “Verkehrsrichting DE-CH”), maar daarop zei [derden] dat dit geen probleem opleverde; de auto bleef een Nederlandse auto totdat consument de auto officieel invoer in [land 1]. Dus ook als consument de auto voor twee jaar, met Nederlandse kentekens, rij in [land 1], dan nog steeds kan consument na twee jaar de auto gewoon verkopen in Nederland, zonder importheffing te betalen (want de auto is en blijft dan Nederlands). De auto verkopen in NL en in [land 1] opnieuw kopen kost ook geld en veel gedoe (ik heb de auto gekocht voor 29.500, maar marktwaarde is 35.000).

2: invoeren in [land 1] (omdat de auto dus niet 6 maanden op mijn naam staat): kost volgens [derden] 12% van de waarde, dus +/- 29.500 x 0,12 = 3540 euro Ook na deze berekening en het overleg tussen de [derden] medewerker die consument sprak en zijn [derden]-collega, kwamen ze tot de conclusie dat er geen andere manier is om de auto in te voeren in [land 1], zonder aanzienlijke importkosten te maken.

Ter zitting heeft de consument verder nog – in hoofdzaak – het volgende aangevoerd.

De consument blijft bij wat door hem is aangevoerd. De klacht betreft dus alleen de misgelopen import van onze auto in [land 1]. De ondernemer is daarvoor verantwoordelijk. De ondernemer had ons ook toegezegd dat de auto als verhuisgoed zonder kosten/importheffing/belasting ingevoerd kon worden. Dat is dus niet gelukt. Consument blijft bij wat daarover door hem is aangevoerd. Consument heeft zich keurig de dag nadat de termijn van zes maanden was verstreken, bij de [land 1] Douane met de auto gemeld.

Als nieuwtje kan consument melden dat zij drie weken geleden hun auto met Nederlands kenteken in Nederland hebben verkocht. De auto is en wordt dus niet door consument geïmporteerd in [land 1]; daarmee gepaard gaande kosten/importheffing/belasting heeft consument dus niet betaald en hoeft consument ook niet meer te betalen. Gevraagd naar wat nu nog mijn schade is die consument vordert, zegt consument u dat de verkoop van de auto met kosten gepaard is gegaan. consument kan u geen bedrag noemen.

Consument wil nog wel zeggen dat de verhuizing prima en plezierig is verlopen. In beginsel is de factuur dan ook geheel verschuldigd.

De consument verlangt: “75% door [bedrijf], 25% door ons
Dus een creditfactuur van (12% importkosten x dagwaarde auto 29.204 x 75%=) 3504 euro
Ik zal dan in totaal nog 876 euro moeten betalen. (PS. 12% importkosten is inschatting gemaakt door [derden], [bedrijf]’s contactpersoon bij grens)”.

Standpunt van de ondernemer

Het standpunt van de ondernemer luidt in hoofdzaak als volgt.

De consument stelt de ondernemer aansprakelijk door de indruk te wekken dat ondernemer verkeerd heeft gehandeld bij het inklaren van hun voertuig in [land 1]. Ondernemer via deze weg benadrukken dat zij, samen met onze douane-expediteur ([expediteur]), van mening zijn dat de consument zélf verkeerd heeft gehandeld en dat het inklaringsproces en de daarbij horende begeleiding naar behoren is uitgevoerd. Het volgende is daarbij relevant:

1. Inklaringsverplichting en communicatie:
Ondernemer heeft de consument duidelijk geïnformeerd dat het voertuig tien dagen na inklaren van de verhuizing in [land 1] moest worden ingeklaard. Deze informatie is schriftelijk gedeeld via e-mail en is herhaald om misverstanden te voorkomen.

2. Daadwerkelijke inklaring:
De consument heeft op dag 10 een bezoek gebracht aan de douane. Dit is precies op de dag geweest dat de auto een half jaar in bezit was van de klant. Het half jaar wat minimaal nodig was om hem belastingvrij in te kunnen klaren. In voorgaande mailtje heeft ondernemer in overleg met hun douane-expediteur aangegeven dat het zaak is om vanaf 10 dagen na inklaren van de verhuizing pas met de auto naar de douane toe te gaan. De klant heeft toch besloten dit op dag 10 te doen wat (achteraf) een risico bleek te zijn.

3. Foute communicatie met de douane:
Tijdens het bezoek aan de douane heeft de consument vragen beantwoord zonder voorafgaand overleg. Dit heeft geleid tot miscommunicatie, wat volgens onze douane-expediteur heeft bijgedragen aan de verwarring bij de douane. Deze miscommunicatie heeft de zaak gecompliceerder gemaakt en is een belangrijke factor in de problemen die zijn ontstaan. De douane heeft daarom na gesprekken met de consument besloten de auto niet in te klaren. De douane heeft naar onze douane-expediteur heeft verklaard, besloten de auto niet belastingvrij in te klaren omdat de consument heeft aangegeven de auto niet meer dan 6 maanden in bezit te hebben (zie mail 19 augustus 2024,15:48 & mail met communicatie van mijn expediteur die contact heeft opgenomen met de douane in [land 1]; 20 september 2024 08.37). Het feit dat de consument langer had moeten wachten is meerdere malen zowel telefonisch als per mail aangegeven.

4. Verantwoordelijkheid van de klant:
Het is de professionele en zakelijke verantwoordelijkheid van de ondernemer om de klant op de hoogte te stellen van de noodzakelijke stappen, zoals het inklaren van het voertuig binnen de gestelde termijn. Het was echter de verantwoordelijkheid van de klant om deze instructies op te volgen en, indien er onduidelijkheden waren, tijdig contact met ondernemer op te nemen voor verdere begeleiding. Dit is helaas niet gebeurd op het moment dat ze bij de douane stonden, ondernemer heeft dus ook niks kunnen doen.

Standpunt ondernemer:
Ondernemer vindt dat zij op de juiste wijze hebben gehandeld door de consument tijdig te informeren over de vereisten voor het inklaren van het voertuig. De douane-expediteur van de ondernemer heeft de consument het juiste advies gegeven. De consument heeft op eigen initiatief en zelfstandig besloten met de douane te communiceren zónder ons of de expediteur te raadplegen. Dit heeft geleid tot de huidige situatie. Daarbij verwacht de klant een compensatie welke irreëel is aan de inklaringskosten welke inklaring van een voertuig met zich meebrengen. Deze kosten bedragen normaliter niet meer dan € 75,–.

Ondernemer weerlegt dan ook nadrukkelijk de beschuldiging van de consument dat ondernemer in deze zaak onzorgvuldig of foutief heeft gehandeld. De consument was gehouden om de instructies en adviezen van ondernemer en hun douane-expediteur op te volgen. De fouten welke nu zijn ontstaan kunnen dan ook niet ten laste gelegd worden aan de verhuisorganisatie maar dienen te worden toegeschreven aan de onjuiste en eigen keuzes van de klant. Immers, die besluit om buiten de afgesproken procedures om te handelen. Kortom: ondernemer betwist rechtsgeldigheid van de inhouding op de openstaande factuur.

Conclusie:
Ondernemer is van mening dat de ondernemer op een professionele en correcte manier heeft gehandeld. Ondernemer is ook van mening dat de consument zélf verantwoordelijk is voor de gemaakte fouten en miscommunicatie met de douane.

Ter zitting heeft de ondernemer verder nog – in hoofdzaak – het volgende aangevoerd.

De ondernemer blijft bij wat door hem is aangevoerd. Wel vindt de ondernemer het gewoon jammer dat het zo is gegaan. Nu de consument hier ter zitting heeft verklaard dat de auto niet is geïmporteerd in [land 1] en met behoud van Nederlands kenteken drie weken geleden is verkocht in Nederland, vraagt de ondernemer zich nu af of de consument wel schade heeft geleden. Dat blijkt nergens uit. De geaccepteerde offerte betreft een zogenaamd combinatie transport. Alleen [expediteur] is onze gesprekspartner. [derden] zit bij de grens in [land 1]; die spreken wij nooit.

Beoordeling van het geschil

De commissie heeft het volgende overwogen.

Eerst ter zitting is komen vast te staan dat de auto van de consument drie weken eerder in Nederland is verkocht, en dat de consument daarom geen vanwege import in [land 1] verschuldigde kosten/invoerrechten/belastingen is verschuldigd of alsnog verschuldigd zal worden.

Dat in andere vorm door de consument schade is geleden of nog zal worden geleden, is door de ondernemer gemotiveerd weersproken en blijkt bovendien nergens uit. Door de consument zijn ook geen schadebedragen genoemd. Immers laat de consument het bij het noemen van “kosten” zonder nadere aanduiding waarom die zijn gemaakt, en tot welke hoogte.

Overigens geldt ook dat voor zover die “kosten” zijn gemaakt bij/voor de verkoop van de auto in Nederland, niet is in te zien dat die schade in redelijkheid als gevolg kan worden toegerekend aan de door de consument gestelde fout/wanprestatie van de ondernemer.

In het licht van het hiervoor overwogene laat de schade zich ook niet schattenderwijze vaststellen (ex aequo et bono).

Dit reeds maakt dat de schadevordering van de consument niet kan worden vastgesteld en toegewezen.

De commissie komt daarom dus niet toe aan een inhoudelijke beoordeling van de vraag of en in hoeverre de ondernemer toerekenbaar is tekortgeschoten in een juiste/volledige nakoming van de met de consument gemaakt afspraken (waaronder die genoemd in artikel 11 “Douaneformaliteiten” van de Algemene Consumentenvoorwaarden die deel uitmaken van de overeenkomst van partijen), bij de uitvoering waarvan de ondernemer zich heeft bediend van meergenoemde [expediteur].

De opschorting van betaling van een deel van de factuur van de ondernemer is dan ook onterecht (geweest).

Door de consument zijn geen (andere) bezwaren geuit tegen volledige betaling van de factuur van de ondernemer. De consument heeft ter zitting ook herhaald dat de verhuizing naar wens en op plezierige wijze door de ondernemer is uitgevoerd.

Op grond van het voorgaande is de commissie van oordeel dat de klacht ongegrond is.

Daarom wordt als volgt beslist.

Beslissing

Het door de consument verlangde wordt afgewezen.

De consument is bij wijze van nakoming gehouden het op voormelde factuur nog openstaande bedrag van € 2.835,– te betalen aan de ondernemer.

Met in achtneming van het bovenstaande wordt het depotbedrag ad € 2.835,– overgemaakt aan de ondernemer.

Aldus beslist door de Geschillencommissie Verhuizen, bestaande uit
mr. M.L.J. Koopmans, voorzitter, de heer L. Pot en mr. M.A. Keulen, leden, op 5 maart 2025.

Opslaan als PDF