Klacht over lage BPM bij importauto ongegrond: consument had eerder moeten handelen

De Geschillencommissie Opslaan als PDF




Commissie: Voertuigen    Categorie: (non)conformiteit    Jaartal: 2025
Soort uitspraak: Bindend Advies   Uitkomst: ongegrond   Referentiecode: 622029/720666

De uitspraak:

Waar gaat de uitspraak over?

De consument kocht op 1 oktober 2022 een geïmporteerde Volkswagen Passat voor € 28.260. Bij een poging tot inruil in 2024 ontdekte hij dat de auto een opvallend lage BPM-waarde had, wat volgens hem leidde tot een waardeverlies van € 6.000 tot € 7.000. Hij vermoedde dat dit kwam door schade aan de auto en diende een klacht in. De ondernemer gaf aan dat de lage BPM voortkwam uit een belastingtechnische regeling (tegenbewijsregeling) en dat de auto geen schadeauto is. De deskundige bevestigde dat de BPM-waarde bij aankoop duidelijk was en dat de consument wist dat het om een importauto ging. De commissie oordeelde dat de consument geen vragen stelde over de BPM bij aankoop, geen aankoopkeuring liet uitvoeren en pas na bijna twee jaar klaagde. Ook kon hij niet aantonen dat de auto schade had of dat hij daadwerkelijk financiële schade leed door de lage BPM. Daarom is de klacht ongegrond en wordt het verzoek van de consument afgewezen.

De volledige uitspraak

Onderwerp van het geschil

Het geschil vloeit voort uit een op 28 september 2022 tussen partijen tot stand gekomen overeenkomst. De ondernemer heeft zich daarbij verplicht tot het leveren van een gebruikte auto van het merk VW, type Passat, tegen een door de consument te betalen prijs van € 28.260,–.

De overeenkomst is op 1 oktober 2022 uitgevoerd.

De consument heeft de klacht op 22 juni 2024 voorgelegd aan de ondernemer.

Standpunt van de consument

Voor het standpunt van de consument verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. In de kern komt het standpunt op het volgende neer.

Als de consument de bij de ondernemer gekochte auto wil inruilen blijkt deze een verdacht lage BPM te hebben waardoor de auto bij inruil € 6.000, — à € 7.000, — minder waard is dan volgt uit de ANWB-koerslijst. Bij de aankoop was bekend dat het om een import auto ging, maar is niet gewezen op de lage BPM. Desgevraagd wil de ondernemer niet aangeven waarop de lage BPM is gebaseerd. Wel zegt de ondernemer dat het geen schadeauto is, maar er is wel sprake van behoorlijk wat spuitwerk. Dat was de consument bij de proefrit niet opgevallen. De opstelling van de ondernemer heeft tot gevolg dat de consument een behoorlijk financieel risico loopt en € 15.000,– moet afschrijven in twee jaar.

Naar aanleiding van het rapport van de deskundige is de consument van mening dat dit rapport qua kwaliteit en diepgang teleurstellend is. De deskundige heeft geen contact met partijen opgenomen en het gaat voorbij aan de vragen waarop de consument een onderbouwd antwoord op wilde hebben.

Standpunt van de ondernemer

Voor het standpunt van de ondernemer verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. In de kern komt het standpunt op het volgende neer.

De ondernemer is niet bereid het taxatierapport met de consument te delen. Het betreft een kwestie tussen de belastingdienst en de erkende taxateur van de ondernemer. De auto is twee jaar geleden gekocht en nu komt de consument opeens met allerlei vragen. Bij de import zijn er verschillende manieren om de BPM te berekenen, met een steeds verschillende uitkomst. De conclusie dat bij een lage BPM sprake is van een schadeauto is onzin. De ondernemer is bereid de auto voor een marktconform bedrag in te nemen. De consument had in het kader van zijn onderzoekplicht bij de koop kunnen zien hoe hoog de BPM was en kunnen zien dat er enig spuitwerk is geweest als gevolg van een lakbeschadiging.

Deskundigenrapport

De door de commissie benoemde deskundige heeft blijkens zijn rapportage voor zover van belang het volgende vastgesteld.

De klant kocht op 28 september 2022 bovenomschreven voertuig. Het voertuig had toen 41.856 kilometer gepresteerd en werd aangekocht voor € 28.260,–. Volgens de opgave zou het voertuig nu circa 87.000 kilometer hebben gepresteerd. De klant wil nu het voertuig verkopen en thans blijkt dat het voertuig minder waard zou zijn door het lage bpm-bedrag. De klant noemt, dat daardoor de auto circa € 6.000,– – € 7.000,– minder waard is.

Onderzoek: De documenten zijn duidelijk zodat de deskundige een een fysiek onderzoek niet nodig acht. Het was bekend bij de klant dat het hier een geïmporteerd voertuig betreft.

Geeft het volgende aan op hun site: Deze Volkswagen Passat Variant komt uit 2018, werd geleverd van 12 oktober 2018 tot 31 oktober 2019 en kostte toen € 41.723,–. Deze geïmporteerde personenauto staat sinds 2022 op kenteken. Bij import wordt gebruik gemaakt van de tegenbewijsregeling.

Wat is de tegenbewijsregeling? Het BPM tegenbewijs stelt voertuigbezitters in staat om aan te tonen dat de waarde van hun auto lager is dan de door de Belastingdienst vastgestelde waarde. Hierdoor kunnen zij in aanmerking komen voor een lager bedrag aan BPM, wat resulteert in lagere kosten voor de import. Bij een tegenbewijsregeling is een taxatierapport nodig waarbij bijvoorbeeld beschadigingen in mindering worden gebracht op de waarde van het voertuig. De bruto BPM van dit nieuw voertuig in 2018 is volgens de koerslijst 2018 € 4.578,–. In onderhavig geval werd de bruto bpm vastgesteld op € 1.378,– (afgerond) middels een tegenbewijsregeling. De eerste toelating internationaal is 12 december 2018 De eerste toelating nationaal is 1 oktober 2022. Volgens de BPM afschrijvingstabel is er een afschrijving van 65 % van € 1.378,– wat resulteert in een rest- bpm bedrag van € 482,81 conform de factuur d.d.28 september 2022. De rapportage van de tegenbewijsregeling is voor de deskundige niet ter inzage. Dit impliceert echter niet dat het een slechte auto is of een auto met een ernstig schadeverleden. Op de factuur van 28 september 2022 is volgens de deskundige duidelijk aangegeven dat de bruto bpm € 1.377.15 is en de rest bpm € 482,01, hetgeen dus bij aankoop bekend was. De deskundige heeft in onderhavig geval ook de ANWB Koerslijst geraadpleegd (bijlage 2) waarop andere prijzen zijn genoemd dan door de klant. Bij een gedwongen verkoop zal een voertuig altijd een lagere prijs opbrengen dan men verwacht. Daarnaast wil de deskundige opmerken dat de biedingen zijn gedaan zonder het voertuig te zien en te inspecteren, dus ongezien.

Conclusie: Inmiddels heeft de klant twee jaar en ruim 40.000 kilometer met de auto gereden en wist dat het een import voertuig was waarvan het bpm-bedrag bekend was. [naam] en [bijlage]

Beoordeling van het geschil

De commissie heeft het volgende overwogen.

In het onderhavige geschil klaagt de consument geruime tijd na de aflevering van de auto op 1 oktober 2022 over de hoogte van het op de aankoopfactuur vermelde BPM-bedrag van € 482,81 en vermoedt dat dit bedrag zo laag is omdat sprake is geweest van een schadeauto. De consument stelt dat hij daardoor een groot financieel risico loopt.

De ondernemer heeft weliswaar geen verweerschrift overgelegd, maar diens standpunt blijkt uit de stukken.

De commissie ziet geen enkele aanleiding om het rapport van de door haar ingeschakelde deskundige in twijfel te trekken enkel omdat de inhoud daarvan de consument kennelijk niet welgevallig is. De omstandigheid dat de deskundige het taxatierapport waarbij de BPM berekening is gebaseerd niet kan opvragen, maakt dit niet anders. Met de ondernemer is de commissie bovendien van oordeel dat deze informatie, het taxatierapport, niet behoeft te worden overgelegd, nu de gronden waarop inzage kan worden gevraagd door de consument zich hier niet voordoen. De consument staat buiten de transactie tussen de belastingdienst en de ondernemer. Zie het bepaalde in artikel 843a Rv.

Eventuele twijfel over de staat van de auto had voor de consument aanleiding kunnen zijn om een aankoopkeuring te doen c.q. om bij of voorafgaand aan de koop vragen te stellen over de berekening van het BPM bedrag. Noch van het een noch van het ander is de commissie gebleken.

Ook leest de commissie in het standpunt van de ondernemer een beroep op de klachtplicht van de ondernemer als bedoeld in artikel 7:23 BW. Dat beroep slaagt nu de consument bij de aankoop reeds bekend was met de hoogte van het BPM bedrag en daarover geen enkele vraag heeft gesteld en vervolgens tot juni 2024 heeft gewacht met het indienen van een klacht.

Ten overvloede stelt de commissie vast dat de consument noch zijn stellingen dat sprake is geweest van een schadeauto en dat hij schade lijdt als gevolg van de lage BPM op behoorlijke en objectieve wijze heeft onderbouwd, zodat ook daaraan voorbij moet worden gegaan.

Op grond van het bovenstaande is de klacht van de consument ongegrond.

Derhalve wordt beslist als volgt.

Beslissing

De commissie wijst het door de consument verlangde af.
Aldus beslist door de Geschillencommissie Voertuigen, bestaande uit de heer mr. F.C. Schirmeister, voorzitter, mr. C.R.J.M. den Hartog-Kaaij en C.J. Bosboom, leden, op 11 februari 2025.

 

Opslaan als PDF