Klacht over onjuiste informatie in brief aan ABP ongegrond verklaard

De Geschillencommissie Opslaan als PDF




Commissie: Geestelijke Gezondheidszorg    Categorie: Informatieverstrekking    Jaartal: 2026
Soort uitspraak: Bindend Advies   Uitkomst: ongegrond   Referentiecode: 1270381/1327858

De uitspraak:

Waar gaat de uitspraak over?

Deze zaak gaat over een cliënt die in behandeling is geweest bij een psycholoog voor onder meer PTSS. In verband met een aanvraag voor een Militair Invaliditeitspensioen (MIP) vroeg het ABP informatie op bij de zorgaanbieder. Vervolgens werd een brief naar het ABP gestuurd waarin volgens de cliënt verschillende onjuiste gegevens stonden, waaronder informatie over een vermeend crimineel verleden, een verstandelijke beperking en een onjuiste beschrijving van een medische aandoening. De cliënt vond dat deze informatie gevolgen kon hebben voor de beoordeling van zijn invaliditeitspercentage en vroeg daarom om vernietiging van de brief en een schadevergoeding van € 10.000,-. De zorgaanbieder erkende dat de brief zonder voorafgaand overleg met de cliënt was verstuurd en bood hiervoor excuses aan. Ook stelde de zorgaanbieder voor om de brief te laten intrekken en een aangepaste versie naar het ABP te sturen. De cliënt ging daar aanvankelijk niet mee akkoord vanwege een gebrek aan vertrouwen. De commissie oordeelde dat de gang van zaken rond de brief onzorgvuldig was, maar vond niet aannemelijk dat de betwiste informatie invloed had gehad of zou hebben op de beoordeling van het MIP. Ook was onvoldoende onderbouwd dat de cliënt hierdoor financiële of immateriële schade had geleden. Omdat het gestelde verband tussen de brief en de gevraagde schade niet aannemelijk was gemaakt, wees de commissie de schadevergoeding af. De klacht werd daarom ongegrond verklaard.

De volledige uitspraak

Beoordeling
Het standpunt van de cliënt

Cliënt is via het Nederlands Veteraneninstituut en zijn huisarts in behandeling gekomen bij psycholoog
[naam] van de zorgaanbieder. Het ging daarbij onder andere om de behandeling van PTSS. In verband met de aanvraag van cliënt van een Militair Invaliditeitspensioen (MIP) heeft het ABP een rapport bij psycholoog [naam] opgevraagd. In reactie daarop heeft de zorgaanbieder een brief aan het ABP gestuurd waarin volgens cliënt diverse fouten staan. De fouten in de brief hebben er volgens cliënt toe geleid dat hij al drie keer uitstel heeft moeten vragen aan het APB voor het behandelen van de aanvraag van het MIP.
Volgens cliënt staan onder andere de volgende fouten in de brief:
• dat cliënt uit een criminele familie komt en crimineel is;
• dat hij een verstandelijke beperking heeft;
• dat hij een hartaanval heeft gehad. Volgens cliënt heeft hij een hartinfarct gehad.

Volgens cliënt weegt het ABP, naast zijn militaire verleden, nu ook het gestelde criminele verleden en de mogelijke verstandelijke beperking mee in de beoordeling van zijn invaliditeitspercentage. Doordat het ABP uitgaat van de onjuiste gegevens in de brief, kan zijn invaliditeit als gevolg van zijn militaire verleden volgens cliënt ten onrechte te laag worden ingeschat.
Cliënt wil dat de brief wordt vernietigd en dat aan hem minimaal € 10.000,- aan schadevergoeding wordt toegekend, omdat hij door de brief MIP en andere voorzieningen misloopt, maar ook omdat hij door het incident met de brief, afgezien van zijn begeleider van het Veteraneninstituut, niemand meer vertrouwt.
Daarom is cliënt ook niet ingegaan op een aanbod van de zorgaanbieder om het ABP in een aangepaste nieuwe brief te verzoeken de oude brief als niet verzonden te beschouwen.

Volgens cliënt bedraagt zijn schade in ieder geval € 300,- per maand. Volgens cliënt is er in het verleden een mate van invaliditeit van 6 à 7% bij hem vastgesteld. Als het percentage naar 10% gaat, zal hij elke maand een vergoeding van € 300,- ontvangen voor het gebruik van een auto. Volgens cliënt mag hij niet met het openbaar vervoer reizen.
Volgens cliënt wacht het ABP op de uitspraak van de commissie voordat een beslissing wordt genomen op de aanvraag van het MIP.

Ter zitting heeft cliënt ingestemd met het voorstel om de brief aan te passen, ter goedkeuring aan hem voor te leggen en indien cliënt ermee instemt, de nieuwe brief aan het ABP te versturen. Cliënt heeft verzocht hem te berichten als de nieuwe brief er ligt.

Het standpunt van de zorgaanbieder

Cliënt was van 18 november 2022 tot en met 15 december 2023 in behandeling bij psycholoog [naam].
Bij brief van 26 september 2024 heeft het ABP een verzoek gedaan om informatie te verstrekken over cliënt in het kader van het recht op een MIP. Aangezien psycholoog [naam] gedurende drie maanden met verlof was, heeft teamleider [naam] het verzoek van het ABP afgewikkeld. Teamleider [naam] heeft de afsluitbrief van de behandeling van 15 december 2023 die destijds aan de huisarts is gestuurd, aan het ABP verzonden. Teamleider [naam] heeft de brief niet eerst met cliënt doorgenomen.

Via de klachtenfunctionaris heeft psycholoog [naam] op 22 april 2025 het volgende voorstel gedaan:

• melding doen aan het ABP dat de brief abusievelijk is verstuurd en het ABP verzoeken om de brief als niet verzonden te beschouwen en uit het systeem te halen. Aankondigen dat er een aangepaste brief zal worden verstuurd;
• brief aanpassen in die zin dat het woord hartaanval wordt vervangen door hartinfarct en dat de zinnen over een verstandelijke beperking en de criminele familieachtergrond worden verwijderd;
• aangepaste brief voorleggen aan cliënt en na goedkeuring door cliënt versturen aan het ABP.

In het voorstel heeft psycholoog [naam] excuses gemaakt voor het feit dat de brief zonder overleg met cliënt is verstuurd, omdat dat overleg wel gebruikelijk is.

Cliënt heeft gereageerd door te stellen dat hij geen vertrouwen heeft in psycholoog [naam] en wat zij heeft voorgesteld. Cliënt heeft psycholoog [naam] aansprakelijk gesteld. Volgens cliënt heeft hij minimaal € 10.000,- aan schade geleden. Bij brief van 26 juni 2025 heeft de Raad van Bestuur van de zorgaanbieder de aansprakelijkstelling en schadevergoedingsclaim afgewezen.

Ter zitting heeft psycholoog [naam] verklaard het heel spijtig te vinden hoe de situatie met de brief is verlopen. De zorgaanbieder heeft verklaard dat het voorstel om het ABP te verzoeken de oude brief te vernietigen en een nieuwe aangepaste brief te versturen nog steeds staat.

De overwegingen van de commissie

Vooropgesteld zij dat de commissie zich ervan bewust is dat het reeds beperkte vertrouwen van cliënt in instituties en zorgverleners als gevolg van ingrijpende gebeurtenissen in zijn verleden, nogmaals een knauw heeft opgelopen door het feit dat er een brief is gestuurd aan het ABP met de inhoud waarvan hij zich niet kan verenigen. De gang van zaken rondom die brief is niet geweest wat die zou moeten zijn. De zorgaanbieder heeft dit van meet af aan erkend, daarvoor excuses aangeboden, evenals een manier om het door cliënt gestelde probleem op te lossen.

De vraag die de commissie moet beoordelen is echter of het aannemelijk is dat de inhoud van de brief heeft bijgedragen of zal bijdragen aan een lagere inschatting van het percentage van invaliditeit van cliënt dan in het geval de door cliënt gestelde onjuistheden niet in de brief waren vermeld. De commissie is van oordeel dat dit niet aannemelijk is geworden, nu de commissie niet inziet hoe de vermelding in de brief dat cliënt en/of zijn familie een crimineel verleden heeft en hij mogelijk een verstandelijke beperking heeft, van invloed is op de bepaling van de mate van invaliditeit als gevolg van zijn militaire verleden. Dat maakt dat het aanhouden van de aanvraag van het MIP als gevolg van het versturen van de brief naar het oordeel van de commissie niet noodzakelijk is geweest. De commissie acht dus ook niet aannemelijk dat cliënt door het versturen van de brief MIP en andere voorzieningen misloopt en dat cliënt schade lijdt of zal lijden door het versturen van de brief door de zorgaanbieder. De commissie zal de schadevergoedingsvordering voor zover die ziet op het gestelde mislopen van MIP en overige voorzieningen, welke vordering overigens zeer beperkt met bedragen is onderbouwd, dan ook afwijzen.

Wat betreft de zich in het bedrag van € 10.000,- bevindende schadevergoeding voor geestelijk leed, concludeert de commissie eveneens dat de vordering niet (met bedragen) is onderbouwd. Cliënt heeft niet duidelijk gemaakt of zijn geestelijk welzijn is afgenomen door het gebrek aan vertrouwen in instituties en zorgverleners en welke (immateriële) schade hij daardoor lijdt. Dit heeft tot gevolg dat de commissie dit onderdeel van de schadevergoedingsvordering ook zal afwijzen.

Tenslotte wijst de commissie er op dat nu cliënt een verband tussen de inhoud van de brief en de inschatting van het invaliditeitspercentage wel aannemelijk acht, cliënt in het voorjaar van 2025 reeds had kunnen ingaan op het voorstel om een nieuwe brief te versturen en het ABP te verzoeken de oude brief als niet verzonden te beschouwen. Uitgaande van het standpunt van cliënt had de schade die cliënt verwachtte te lijden, daardoor aanzienlijk kunnen worden beperkt.

Op grond van het voorgaande is de commissie van oordeel dat de klacht ongegrond is.

Derhalve wordt als volgt beslist.

Beslissing

De commissie:
· verklaart de klacht ongegrond;
· wijst de vordering tot toekenning van schadevergoeding af.

Aldus beslist door de Geschillencommissie Geestelijke Gezondheidszorg, bestaande uit mr.
M.M. Verhoeven, voorzitter, E. Krist, mr. H.E.L. Loeffen, leden, in aanwezigheid van mr. C. Koppelman, secretaris, op 21 mei 2026.

Opslaan als PDF