Commissie: Telecommunicatiediensten
Categorie: Betaling
Jaartal: 2025
Soort uitspraak: Bindend Advies
Uitkomst: ongegrond
Referentiecode:
865305/1025754
De uitspraak:
Waar gaat de uitspraak over?
Een consument klaagde dat zijn oude telecomaanbieder na overstap naar een nieuwe provider ten onrechte abonnementskosten bleef incasseren en hem zelfs als wanbetaler registreerde. De ondernemer stelde dat de aansluiting pas op 23 december 2024 door de nieuwe provider was afgemeld en dat de factuur daarom terecht was. De Geschillencommissie Telecommunicatiediensten oordeelde dat de consument de incasso niet had mogen storneren en dat het probleem feitelijk door de nieuwe provider was veroorzaakt. Omdat geen incassokosten zijn berekend en de registratie inmiddels vervallen is, werd de klacht ongegrond verklaard. Het depotbedrag van €55,29 wordt aan de consument terugbetaald.
De volledige uitspraak
BINDEND ADVIES
Geschillencommissie Telecommunicatiediensten
Zaaknummer 865305/1025754
Onderwerp van het geschil
De consument heeft de klacht voorgelegd aan de ondernemer.
Het geschil betreft een overstap
De consument heeft een bedrag van € 55,29 niet betaald en bij de commissie gedeponeerd.
Standpunt van de consument
Voor het standpunt van de consument verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. In de kern komt het standpunt op het volgende neer.
Op 3 december ben ik overgestapt van [ondernemer] naar [externe partij]. [Ondernemer] incasseert echter ook over de periode na de overstap nog abonnementskosten, welke incasso door mij is gestorneerd. [Ondernemer] gaat nu over tot betalingsherinneringen, aanmelding bij de stichting [naam stichting] en de aankondiging van extra in rekening te brengen kosten. Volgens [ondernemer] zou [externe partij] iets verkeerd hebben gedaan, waardoor ik ook na de abonnementsperiode nog abonnementsgeld verschuldigd zou zijn. Afspraken over de overstapprocedure tussen telecomproviders zijn door deze organisaties zelf onderling gemaakt. Ik heb geen zicht op de juiste naleving van deze procesafspraken tussen [ondernemer] en [externe partij], ben er m.i. niet verantwoordelijk voor en wens ook niet dubbel te betalen. De stichting [naam stichting] is zelfs niet telefonisch te benaderen. Een bezwaar tegen registratie dient schriftelijk te worden ingediend, waarbij ook nog aan allerlei voorwaarden moet worden voldaan om in behandeling te worden genomen. Vervolgens neemt deze stichting nog eens maximaal 30 dagen om het bezwaar te onderzoeken. [Externe partij] heeft overigens direct toegezegd de factuur van [ondernemer] aan [ondernemer] te zullen vergoeden, maar ook dat is voor [ondernemer] blijkbaar geen reden om mij niet met (no-reply) mails te (laten) bestoken en als een wanbetaler te laten registreren. Omdat [ondernemer] niet per mail is te bereiken en telefonisch slechts naar Odido verwijst heb ik [ondernemer] ook per aangetekende brief van mijn standpunt op de hoogte gesteld.
Standpunt van de ondernemer
Voor het standpunt van de ondernemer verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. In de kern komt het standpunt op het volgende neer.
Op 3 november 2024 hebben wij een bericht ontvangen van [externe partij] dat de consument per 3 december 2024 naar hen zou overstappen. [Ondernemer] zou haar aansluiting- met inachtneming van 1 maand opzegtermijn – per 3 december 2024 beëindigen De nieuwe aansluiting van [externe partij] werd vervolgens op 3 december 2024 opgeleverd. Op 9 december 2024 ontving de consument echter toch nog een factuur van [ondernemer], voor de periode 9 december – 8 januari 2025 waarvan hij de rechtmatigheid betwist, en die onderwerp is van dit geschil. Hij heeft de betaling van deze factuur gestorneerd. Op 23 december 2024 ontving [ondernemer] het bericht van [externe partij] dat de nieuwe aansluiting aan hun zijde was opgeleverd. Wij hebben daarop het abonnement van de consument per die datum beëindigd. Op 9 januari 2025 volgde de slotnota, waarop een bedrag van € 60,64 werd gecrediteerd. Het ging om restitutie van de door de consument via de factuur van 9 december vooruitbetaalde abonnementskosten over de periode 23 december 2024 tot en met 8 januari 2025 bijlage 3). Zoals op de factuur vermeld wordt zou dit bedrag worden uitbetaald, of verrekend met een eventueel nog openstaande bedrag. Er bleef na verrekening nog een bedrag van € 49,94 open staan. De consument stelt nu, vrij samengevat, dat de factuur van 9 december onterecht zou zijn, het overstapproces tussen telecomaanbieders voor hem als contractant onduidelijk is, en dat communicatie met [externe partij] en [ondernemer] over gemaakte procesafspraken onmogelijk is en voor hem niet te controleren, en hij derhalve daarvan geen slachtoffer zou mogen worden. Eveneens ervaart hij het als intimiderend dat hij als gevolg van de stornering van de door hem betwiste factuur van 9 december als wanbetaler werd aangemeld bij [naam stichting]. [Externe partij] zou overigens wel hebben aangeboden de factuur van 9 december 2024 (deels) te voldoen met een betaling aan [ondernemer] van een bedrag van € 56,62. De consument heeft nu het onderhavige geschil aanhangig gemaakt waarin hij zes voorstellen doet om het geschil op te lossen. Wij zullen puntsgewijs reageren. De consument heeft bij zijn overstap van [ondernemer] naar [externe partij] gebruik gemaakt van de overstapservice. In die procedure is de afspraak tussen telecomaanbieders onderling dat de aansluiting van de latende partij (in dit geval [ondernemer]) pas wordt opgeheven als de vragende partij (in dit geval [externe partij[) haar dienst gereed meldt bij de latende partij. Deze procedure gaat dus niet uit van een eventueel contractueel overeengekomen overstapdatum, maar van de feitelijke datum van de gereedmelding door de ontvangende telecomaanbieder. Die datum kan immers afwijken van een contractueel overeengekomen overstapdatum als er onverwacht vertraging optreedt doordat bijvoorbeeld door de vragende partij werkzaamheden dienen te worden uitgevoerd in een wijkcentrale of bij de consument. Zo wordt voorkomen dat de latende partij de aansluiting te vroeg opheft en de contractant daardoor geheel zonder aansluiting komt te zitten. In de overstapbevestiging van 3 november 2024 wordt dit ook expliciet vermeld onder het kopje “Je abonnement en bijbehorende voordelen stoppen”: “Wij stoppen je abonnement als [externe partij] aan ons bevestigt datje bent overgestapt.” Dit is bron van dit geschil, omdat [externe partij] de oplevering van naar nieuwe aansluiting niet op december, maar pas op 23 december 2024 bij [ondernemer] afmeldde. Daardoor bleef het [ondernemer]-abonnement intact tot wij op 23 december werden geïnformeerd door [externe partij]. De consument heeft de automatische incasso van de factuur van 9 december 2024 gestorneerd, waardoor er een betaalachterstand ontstond. [Ondernemer] heeft de consument op 18 december 2024 per sms, email en post een herinnering gestuurd De factuur bleef echter onbetaald. De consument vordert nu ter oplossing van het geschil het volgende: 1. [Ondernemer] had naar zijn mening na zijn overstap naar [externe partij] geen bedragen meer mogen factureren. Onder verwijzing naar de hierboven toegelichte overstapprocedure meent [ondernemer] echter wel gerechtigd te zijn geweest het abonnementsgeld over de periode 3 tot 23 december 2024 te factureren, nu [externe partij] de oplevering van hun nieuwe aansluiting pas op 23 december bij [ondernemer] gereed meldde. Overigens geeft de Consument in het geschil aan wél bereid te zijn de openstaande factuur van € 110,58 te voldoen als [ondernemer] het bedrag van € 60,64 daadwerkelijk overmaakt. Nu [ondernemer] het bedrag via de factuur van 9 januari 2025 inderdaad heeft gecrediteerd en de consument zelf – onder protest – op 31 maart 2025 de resterende € 49,94 heeft betaald is de door de consument betwiste factuur van 9 december volledig voldaan, en heeft [ondernemer] geen vordering meer op hem. Nu [externe partij] bovendien heeft aangeboden een bedrag van € 56,62 aan de Consument te vergoeden, menen wij dat, wanneer dit bedrag wordt voldaan, daarmee de door hem betwiste factuur van 9 december 2024 ruimschoots door [ondernemer] en [externe partij] is gecompenseerd en deze vordering dus dient te vervallen. De Consument vraagt de geschillencommissie te verklaren dat [ondernemer] geen incassokosten ad € 20,– in rekening mag brengen. Deze kosten werden aangekondigd op de 1ste Herinnering van 24 december 2024 en zouden in rekening gebracht worden indien betaling daarna zou uitblijven (bijlage). Maar aangezien een 2%° Herinnering nooit is aangemaakt, zijn deze incassokosten nooit in rekening gebracht. 3. De consument vraagt de geschillencommissie Telecommunicatiediensten [ondernemer] te verplichten tot het laten versturen door [naam stichting] van een verklaring dat de registratie van de betaalachterstand van de Consument onterecht was en ook verwijderd is, tegen een dwangsom van 50 euro per week, ingaande 2 weken na het doen van een uitspraak door de Geschillencommissie Telecommunicatiediensten. [Ondernemer] meent dat de registratie van de betaalachterstand bij [naam stichting] terecht was nu de consument door stornering van de automatische incasso en het negeren van de daaropvolgende betalingsherinnering zelf verantwoordelijk was voor de ontstane betalingsachterstand. Overigens is de registratie van de achterstand, nadat de consument het resterend openstaande bedrag van € 49,94 op 31 maart had voldaan, automatisch weer verwijderd. Daarmee menen wij dat de geschillencommissie Telecommunicatiediensten o.i. niet meer dient toe te komen aan een beoordeling van een eventuele toewijzing van de door de consument gevorderde dwangsom dienaangaande. 4. De Consument vordert een vergoeding van € 150,– voor het door hem aan de geschillencommissie betaalde klachtengeld, portokosten, reiskosten en overige kosten indien wij met hem tot een overeenstemming komen voorafgaand aan een eventuele zitting, en € 350,– als het toch tot een zitting komt. [Ondernemer] wijst deze vordering af. Wij hebben inderdaad getracht met de consument tot een schikking te komen. Op 31 maart 2025 hebben wij de consument per mail een uitleg gegeven van de situatie, met het voorstel de kwestie nader telefonisch te bespreken. Wij hebben hem daarna op 3 april 2025 kort gesproken, maar moesten helaas constateren dat de consument niet open stond voor een schikking. Wij hebben hem in dat gesprek nog net kunnen aanbieden om de nog door hem betwiste € 49,94 alsnog naar zijn rekening over te maken om daarmee de kwestie af te ronden en een zitting te voorkomen, maar zijn er niet aan toegekomen om ook de kosten van het geschil daar in mee nemen omdat de consument aangaf het gesprek te willen beëindigen, wat ook geschiedde. Nu de klachten van de consument, volgend uit het voorgaande, o.i. onterecht zijn, meent [ondernemer] niet gehouden te zijn te voldoen aan zijn vordering van € 150,– voor het klachtengeld en overige kosten. Nu hij bovendien niet bereid was om met ons op 3 april in gesprek te treden en wij daarmee niet tot een schikking zijn gekomen, maakt dat wij menen dat het door de consument gevorderde verhoogde bedrag van € 350,– als het tot een zitting zou komen zondermeer dient te worden afgewezen. [Ondernemer] ziet geen aanleiding om nog nader met de consument over dit onderwerp van gedachten te wisselen, met uitzondering van wat wellicht ter zitting zal worden besproken. 6. De consument vraagt de geschillencommissie Telecommunicatiediensten [ondernemer] te verbieden verder te trachten de consument via intimidaties, boetes of registraties te bewegen geld over te maken waar wij volgens de consument geen recht op zouden hebben. Nu de door de consument betwiste factuur van 9 december 2024 deels via een creditering via de factuur van 9 januari 2025, en deels door een betaling van de consument uit eigen beweging geheel voldaan is, heeft [ondernemer] geen vordering meer op hem. Wij zien daarom ook geen aanleiding meer om verdere maatregelen zoals de consument die omschrijft te ondernemen.
Beoordeling van het geschil
De commissie heeft het volgende overwogen.
Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting onderschrijft de commissie in grote lijnen het standpunt van de ondernemer. De ondernemer heeft bij de bevestiging van de overstap duidelijk aan de consument aangegeven wanneer het contract zou worden beëindigd. Het had op de weg van de consument gelegen om, uitgaande van zijn visie op de overstapprocedure, uitleg van de ondernemer te vragen alvorens tot stornering over te gaan waarvan de consument had moeten kunnen beseffen dat stornering een vordering niet te niet doet gaan. De consument richt zijn pijlen op de ondernemer, terwijl in feite Odido het probleem heeft veroorzaakt door niet tijdig aan de ondernemer door te geven dat de aansluiting was gerealiseerd. Ter zitting is gebleken dat geen incassokosten of herinneringskosten aan de consument in rekening zijn gebracht en dat de op zichzelf niet onjuiste vermelding bij [naam stichting] inmiddels is komen te vervallen. De klacht treft geen doel.
Op grond van het voorgaande is de commissie van oordeel dat de klacht ongegrond is.
Derhalve wordt als volgt beslist.
Beslissing
Het door de consument verlangde wordt afgewezen.
Met inachtneming van het bovenstaande wordt het depotbedrag als volgt verrekend.
Het in depot gestorte bedrag van € 55,29 wordt aan de consument gerestitueerd.
Overeenkomstig het reglement van de commissie is de ondernemer aan de commissie behandelingskosten verschuldigd.
Aldus beslist door de Geschillencommissie Telecommunicatiediensten, bestaande uit de heer mr. D.J. Buijs, voorzitter, de heer N.A. Dammers, de heer H.W. Zuur, leden, op 20 juni 2025.
De uitspraak die de commissie heeft gedaan, is bindend voor beide partijen en vormt het sluitstuk van de procedure. De commissie kent geen mogelijkheid om tegen de uitspraak in beroep te gaan of deze te herzien. Ook niet in het geval van nieuwe feiten of argumenten. U kunt wel binnen 2 maanden na de verzenddatum van de uitspraak aan de burgerlijke rechter vragen de uitspraak te vernietigen. De andere partij heeft die mogelijkheid ook.
De rechter kan de uitspraak vernietigen als hij vindt dat de uitspraak onaanvaardbaar is; inhoudelijk of door de wijze van totstandkoming. Wanneer de uitspraak niet binnen 2 maanden door een van de partijen aan de burgerlijke rechter is voorgelegd door dagvaarding van de andere partij, kan de uitspraak niet meer ongedaan gemaakt worden.