Commissie: Energie
Categorie: Overig
Jaartal: 2024
Soort uitspraak: Bindend Advies
Uitkomst: ongegrond
Referentiecode:
289389/509797
De uitspraak:
Waar gaat de uitspraak over?
De consument klaagde dat de warmtelevering in haar woning niet goed was en dat de facturen niet deugden. De commissie oordeelt dat de ondernemer niet tekort is geschoten: de temperatuur voldeed meestal aan de afspraken en er waren geen ernstige storingen. De ondernemer mocht voorschotten berekenen op basis van gemiddeld verbruik. De consument moet daarom het openstaande bedrag van € 231,89 betalen. De klacht is ongegrond.
De volledige uitspraak
Samenvatting
De consument beklaagt zich over ondeugdelijke warmtelevering en over facturen die ondeugdelijk zijn opgesteld. Klacht ongegrond.
Behandeling van het geschil
Partijen zijn overeengekomen dit geschil bij bindend advies door de Geschillencommissie Energie (verder te noemen: de commissie) te laten beslechten.
De consument heeft de klacht voorgelegd aan de ondernemer. De commissie heeft kennisgenomen van de overgelegde stukken.
Partijen zijn tijdig en behoorlijk opgeroepen ter zitting te verschijnen.
Ter zitting werd de ondernemer vertegenwoordigd door de heer H.J. ter Haar en bijgestaan door de heer mr. H. van der Wilt.
De behandeling heeft plaatsgevonden op 20 december 2024 te Utrecht.
De consument heeft een bedrag van € 244,88 niet betaald en bij de commissie gedeponeerd.
De commissie heeft het volgende overwogen.
Beoordeling
De commissie maakt uit de dossierstukken en het ter zitting besprokene het volgende op.
Tot half augustus 2024 is de consument woonachtig geweest in een wooneenheid van een gebouw waaraan de ondernemer in de levering van warmte voorziet.
Kern van het geschil tussen partijen betreft het antwoord op de vraag of de ondernemer in de periode dat de consument in deze wooneenheid heeft gewoond tekort is geschoten in zijn verplichtingen jegens de consument met betrekking tot die warmtelevering. De consument stelt dat dit het geval is geweest: de warmtelevering heeft ondeugdelijk plaatsgevonden, waardoor er onder meer regelmatig sprake is geweest van onvoldoende warmtelevering.
Ook stelt zij te worden geconfronteerd met facturen van de ondernemer op basis van een door de ondernemer zelf ingeschat verbruik. Zij vraagt zich af of zij gehouden is deze factuur te betalen.
Ter zitting heeft de consument aangegeven om nakoming van de overeenkomst te verlangen. Voorts verlangt zij dat de commissie haar betalingsverplichtingen jegens de ondernemer vaststelt.
De ondernemer heeft verweer gevoerd tegen de stellingen van de consument. Voor zover relevant zal de commissie bij de beoordeling daarop ingaan.
Allereerst merkt de commissie op dat de ondernemer zijn niet-ontvankelijkheidsverweren ter zitting heeft ingetrokken. Wat betreft de vraag of de klacht van de consument gegrond is en de vorderingen van de consument toewijsbaar zijn, oordeelt de commissie dat dit niet het geval is. Redengevend daarvoor is het volgende.
Tussen partijen staat niet ter discussie dat artikel 1.2 van de tussen partijen gesloten “Overeenkomst voor levering warmte, koude en/of warm tapwarmte voor consumenten” bepaalt dat de aanvoertemperatuur van het water bestemd voor ruimteverwarming gelegen zal zijn tussen de 25 graden Celsius en 40 graden Celsius. De ondernemer erkent dat de temperatuur in het verleden incidenteel onder de overeengekomen waarde is gezakt, maar heeft onweersproken gesteld binnen de daarvoor geldende regels tijdig actie te hebben ondernomen en er toen coulance halve eenmalig compensatie is verleend. Naar het oordeel van de commissie is niet gesteld of gebleken dat zich in de periode waarover de consument klaagt ernstige storingen als bedoeld in artikel 3a lid 1 van de Warmtewet hebben voorgedaan, dan wel dat de ondernemer anderszins is tekortgeschoten in zijn uit de overeenkomst, Warmtewet, Warmtebesluit en Warmteregeling voortvloeiende verplichtingen.
Naar de commissie begrijpt beklaagt de consument zich ook over het feit dat zij is geconfronteerd met facturen van de ondernemer op basis van een door de ondernemer zelf ingeschat verbruik en vraagt zij zich af of zij gehouden is deze facturen te betalen. In dit verband merkt de commissie op dat de ondernemer op grond van de tussen partijen overeengekomen voorwaarden gerechtigd is maandelijks een voorschot in rekening te brengen op basis van een door de ondernemer vastgestelde (en objectief gemeten) gemiddelde verbruik over een specifieke referteperiode. Niet gebleken is dat de ondernemer op dit punt tekort is geschoten.
De consument is derhalve het door de ondernemer aan haar gefactureerde verschuldigd. Naar de commissie begrijpt gaat het op het moment van de zitting nog om een openstaand bedrag van € 231,89.
Het voorgaande neemt niet weg dat de commissie het betreurt dat de consument onvoldoende warmte in haar (inmiddels voormalige) woning heeft ervaren. Mede gelet op het ter zitting besprokene sluit de commissie niet uit dat de oorzaak van het ervaren van onvoldoende warmte gelegen is geweest in het feit dat er in het betreffende gebouw alwaar de consument woonachtig is geweest naar de commissie begrijpt sprake is van zogenaamde lagetemperatuurverwarming (LTV).
LTV is vooral geschikt voor ruimten die veel worden gebruikt en in beginsel op een constante temperatuur worden gehouden en niet voor de verwarming van de ruimten die je snel of voor een korte duur wilt verwarmen. Dit kan betekenen dat het ’s nachts (te) laag instellen van de thermostaat kan leiden tot
onvoldoende (snel op)warmen overdag.
Op grond van het voorgaande is de commissie van oordeel dat de klacht ongegrond is.
Derhalve wordt als volgt beslist.
Beslissing
Het door de consument verlangde wordt afgewezen.
Met inachtneming van het bovenstaande wordt het depotbedrag als volgt verrekend. € 231,89 zal aan de ondernemer wordt uitbetaald. Het restant zal aan de consument worden terugbetaald.
Aldus beslist door de Geschillencommissie Energie, bestaande uit de heer mr. D.P.C.M. Hellegers, voorzitter, mevrouw mr. W.N. Kip en mevrouw mr. R. Jelicic, leden, op 20 december 2024.