Klacht over winddelen en levering windstroom ongegrond

De Geschillencommissie Opslaan als PDF




Commissie: Energie    Categorie: (non)conformiteit    Jaartal: 2026
Soort uitspraak: Bindend Advies   Uitkomst: ongegrond   Referentiecode: 1218306/1310730

De uitspraak:

Waar gaat de uitspraak over?

De consument vindt dat de ondernemer de stroom uit zijn zes winddelen onterecht verkoopt op de vrije markt en hem niet uitbetaalt waar hij recht op heeft. Hij vermoedt zelfs dat de ondernemer samenwerkt met de coöperatie om hem te benadelen. Uit de stukken blijkt echter dat winddelen alleen kunnen worden verrekend als het lid een elektriciteitscontract heeft bij de ondernemer. De consument heeft dit contract per 24 september 2024 beëindigd. De coöperatie levert daarom geen productiegegevens meer aan de ondernemer, waardoor verrekening niet mogelijk is. De commissie ziet geen bewijs dat de ondernemer windstroom van de consument verkoopt of samenspant met de coöperatie. Ook blijkt nergens dat een gascontract voldoende zou zijn om aanspraak te maken op winddelen. Omdat de consument zijn verwijten niet aannemelijk heeft gemaakt, verklaart de commissie de klacht ongegrond en wijst zij alle verzoeken af.

De volledige uitspraak

Samenvatting
De consument meent dat de ondernemer ten onrechte windstroom waar de consument recht op heeft, op de vrije markt verkoopt. Het gaat om stroom, die door windmolens van een coöperatie wordt opgewekt; de consument is lid van die coöperatie. Hij meent dat de ondernemer samenspant met de coöperatie om de consument uit zijn rechten te ontzetten.
De ondernemer betaalt de consument ten onrechte niet voor die stroom.
De consument vraagt uitbetaling van facturen, uitbetaling van de contante waarde van de participaties van zijn windmolens en uitbetaling van gemaakte kosten.
De commissie wijst het verzoek af.

Beoordeling
Uit de stukken blijkt het volgende.
Bij de aanschaf van een windmolen richt de windcentrale een coöperatie op die de elektriciteitsproductie van de desbetreffende windmolen opdeelt in zogenaamde winddelen.
Winddelen worden tegen betaling uitgegeven aan leden van de coöperatie.
De consument heeft zes van die winddelen.
Tussen de coöperatie en de leden zijn afspraken gemaakt, die in de kern op het volgende neerkomen. De winddelen geven recht op een evenredig deel van de elektriciteitsproductie van de windmolen per jaar gedurende de levensduur van de windmolen.
Een lid moet beschikken over een leveringsovereenkomst voor elektriciteit met de ondernemer om dat te faciliteren.

Tussen de coöperatie en de ondernemer zijn in dit verband ook afspraken gemaakt.
De ondernemer verrekent de door de windmolen geproduceerde elektriciteit jaarlijks met de elektriciteit die het desbetreffende lid afneemt van de ondernemer. De coöperatie levert daarvoor de nodige informatie aan.

De ondernemer incasseert namens de coöperatie ook onderhoudskosten. Over de hoogte van de kosten die per lid in rekening moeten worden gebracht, krijgt de ondernemer informatie van de coöperatie.
De consument had een leveringsovereenkomst met de ondernemer en heeft die per 24 september 2024 opgezegd.

De commissie is van oordeel dat de consument zijn verwijten aan het adres van de ondernemer niet aannemelijk heeft gemaakt.
Ter zitting heeft de ondernemer desgevraagd gezegd, dat de coöperatie de elektriciteit waarop de consument recht heeft op grond van zijn winddelen, niet meer levert aan de ondernemer, omdat de consument geen leveringsovereenkomst voor elektriciteit meer heeft met de ondernemer.
De commissie heeft geen reden gevonden om daaraan te twijfelen.
Waarop de consument zijn stelling baseert dat hem toekomende elektriciteit door de ondernemer op de vrije markt wordt verkocht, is de commissie niet duidelijk.
Ook is niet aannemelijk geworden dat er samen is gespannen door de ondernemer en de coöperatie om de consument te benadelen, zoals de consument kennelijk zelf denkt.

De consument gaat ervan uit dat hij wel voldoet aan de afspraken omdat hij nog steeds gas afneemt van de ondernemer. Omdat de afspraken met de coöperaties uitgaan van verrekening van elektriciteitsaandelen uit de windmolenproductie met door de consumenten (leden van de coöperaties) van de ondernemer afgenomen elektriciteit, ligt het in de rede dat de voorwaarde van het hebben van een leveringsovereenkomst met de ondernemer betrekking heeft op de levering van elektriciteit. De commissie heeft uit de stukken, anders dan de consument, niet kunnen opmaken dat die voorwaarde ook (alleen) op een gascontract met de ondernemer betrekking kon hebben.

Al met al is de commissie van oordeel, dat de klacht ongegrond is. Er wordt daarom als volgt beslist.

Beslissing
Het door de consument verlangde wordt afgewezen.

Aldus beslist door de Geschillencommissie Energie, bestaande uit mevrouw mr. I.E. de Vries, voorzitter, mevrouw mr. W.N. Kip, de heer drs. L. van Rootselaar, leden, op 4 maart 2026.

Opslaan als PDF