Klacht over Wmo-trajectbegeleiding valt buiten bevoegdheid commissie

De Geschillencommissie Opslaan als PDF




Commissie: Gehandicaptenzorg    Categorie: Bevoegdheid    Jaartal: 2026
Soort uitspraak: Onbevoegdverklaring   Uitkomst: onbevoegd   Referentiecode: 1316443/1333274

De uitspraak:

Waar gaat de uitspraak over?

De zaak gaat over een cliënt die een klacht heeft ingediend over de dagbesteding en trajectbegeleiding die hij via een Wmo-voorziening van de gemeente ontving. De cliënt vond dat de zorgaanbieder niet aan de kwaliteitseisen voldeed en dat de Geschillencommissie Gehandicaptenzorg daarom zijn klacht moest behandelen. De commissie oordeelde echter dat de begeleiding niet valt onder de zorg zoals bedoeld in de Wkkgz, omdat het ging om een door de gemeente gefinancierde Wmo-voorziening en niet om zorg gericht op het bewaken of bevorderen van de gezondheid. Daarom verklaarde de commissie zich onbevoegd en wees zij de cliënt erop dat hij zich met zijn klacht tot de gemeente moet wenden.

De volledige uitspraak

in het geschil tussen

[naam], wonende te [woonplaats] (hierna te noemen: de cliënt)

en

Stichting Cosis, gevestigd te Assen
(hierna te noemen: de zorgaanbieder).

Beoordeling

Het standpunt van de cliënt

Cliënt heeft een jaar lang begeleiding gehad van Cosis Werken, Dagbesteding en Leren (WDL) van onder meer een trajectbegeleider. Het traject is uitgevoerd in opdracht van de gemeente [naam gemeente] en is bekostigd met Wmo-gelden. De klachten van cliënt zien volgens hem op diensten rondom de gehandicaptenzorg. De zorgaanbieder heeft volgens cliënt niet voldaan aan de wettelijke kwaliteitseisen van de Wmo waardoor de zorgaanbieder ten onrechte tienduizenden euro’s aan Wmo-gelden heeft ontvangen. Volgens cliënt is de commissie op basis van het reglement Geschillencommissie Gehandicaptenzorg en artikel 19 van de Wkkgz bevoegd van de klacht kennis te nemen. Cliënt wijst erop dat het bij zorgverlening ook kan gaan om andere zorg, zoals bedoeld in artikel 1 van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg. Volgens cliënt is sprake van andere zorg omdat er een intake heeft plaatsgevonden en omdat er een zorgplan aanwezig is, waardoor sprake is van het bevorderen of bewaken van de gezondheid van de cliënt.

Het standpunt van de zorgaanbieder

Cliënt heeft van februari 2024 tot en met februari 2025 ondersteuning in de vorm van dagbesteding en trajectbegeleiding ontvangen van de zorgaanbieder. Volgens de zorgaanbieder is er geen sprake van zorgverlening in de zin van artikel 19 Wkkgz. Onder zorg in de zin van de Wkkgz wordt onder andere verstaan: Wlz-zorg en Zvw-zorg. Daarvan is geen sprake want het gaat om een klacht over een Wmo-voorziening die vanuit de gemeente is gefinancierd. Volgens de zorgaanbieder is evenmin sprake van andere zorg, nu het aanbieden van dagbesteding en trajectbegeleiding in het kader van uitstromen naar (on)betaald werk niet zonder meer tot doel heeft de gezondheid van de cliënt te bewaken of te bevorderen. Bovendien moet het begrip zorg uit de Wkkgz niet te ruim worden opgevat. De zorgaanbieder wijst erop dat Wmo-klachten, naast dat ze aan de zorgaanbieder zelf kunnen worden voorgelegd, hetgeen in dit geval is gebeurd, ook bij de gemeente kunnen worden ingediend.

De overwegingen van de commissie

Nu de zorgaanbieder zich op de onbevoegdheid van de commissie heeft beroepen, onderzoekt de commissie eerst of zij het geschil mag behandelen.

De commissie is op grond van artikel 19 lid 1 Wkkgz bevoegd geschillen te beslechten over gedragingen van een zorgaanbieder jegens een cliënt in het kader van de zorgverlening. Onder zorg in de zin van de Wkkgz wordt verstaan: Wlz-zorg, Zvw-zorg of andere zorg. Onder andere zorg in het kader van de Wkkgz wordt verstaan: handelingen op het gebied van de individuele gezondheidszorg als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg, niet zijnde Wlz-zorg of Zvw-zorg, alsmede handelingen met een ander doel dan het bevorderen of bewaken van de gezondheid van de cliënt. Volgens cliënt is er sprake van andere zorg nu er onder andere sprake zou zijn van een zorgplan. Als gevolg daarvan is er volgens cliënt sprake van het bevorderen of bewaken van de gezondheid van cliënt. De commissie volgt dit standpunt van cliënt niet. De commissie acht niet aannemelijk dat er sprake is van een zorgplan, nu cliënt het niet heeft overgelegd, maar is ook los daarvan van oordeel dat dagbesteding in het kader van trajectbegeleiding naar (on)betaald werk onvoldoende kenmerken van het bewaken of bevorderen van de gezondheid van een cliënt in zich heeft.

Op grond van vorenstaande maar ook op grond van het feit dat er in geval van cliënt sprake is van een Wmo-voorziening die door de gemeente is gefinancierd, is de commissie van oordeel dat er geen sprake is van zorg in de zin van de Wkkgz en is de commissie van oordeel onbevoegd te zijn deze klacht te behandelen. Ten aanzien van het klachtrecht in het kader van een Wmo-voorziening overweegt de commissie dat de aanbieders van Wmo-voorzieningen zelf verantwoordelijk zijn voor de inrichting van een klachtenregeling (artikel 3.2, eerste lid, sub a Wmo). Nu de klacht van cliënt reeds is behandeld door de zorgaanbieder zal cliënt zich, gelet op hetgeen de zorgaanbieder daartoe heeft aangevoerd, voor behandeling van de klacht tot de gemeente die de Wmo-voorziening heeft verstrekt, moeten wenden.

Op grond van het voorgaande acht de commissie zich onbevoegd het geschil te behandelen.

Derhalve wordt als volgt beslist.

Beslissing

De commissie verklaart zich onbevoegd het geschil te behandelen.

Aldus beslist door de Geschillencommissie Gehandicaptenzorg, bestaande uit mevrouw mr. dr. E. Venekatte, voorzitter, de heer drs. P. Quaedvlieg, de heer H.A. van Dam, leden, in aanwezigheid van mevrouw mr. C. Koppelman, secretaris, op 25 juni 2026.

Opslaan als PDF