Klacht tegen contra-expert over vakbekwaamheid en partijdigheid ongegrond

De Geschillencommissie Opslaan als PDF




Commissie: Tuchtcommissie NIVRE    Categorie: Partijdigheid    Jaartal: 2025
Soort uitspraak: Uitspraak   Uitkomst: ongegrond   Referentiecode: 1201179/1268831

De uitspraak:

Waar gaat de uitspraak over?

Een klager diende een klacht in tegen een contra-expert die onderzoek had gedaan naar slecht straatwerk. Volgens de klager was de expert niet deskundig genoeg, niet onafhankelijk, niet transparant en had hij zijn werk slordig uitgevoerd. Ook zou de expert zich onprofessioneel hebben gedragen in zijn communicatie. De expert ontkende dit en gaf aan dat hij als partijdeskundige werkte in opdracht van de tegenpartij en dat hij voldoende ervaring had om de opdracht uit te voeren. De commissie oordeelde dat de expert voldoende had aangetoond dat hij deskundig was en dat hij zorgvuldig heeft gewerkt. Ook vond de commissie dat het normaal is dat een partijdeskundige namens één partij optreedt en dat dit niet automatisch betekent dat hij partijdig is. Er was geen bewijs dat de expert onprofessioneel of onzorgvuldig had gehandeld, dat hij belangrijke informatie had gemist of dat hij zich ongepast had gedragen. Hoewel sommige communicatie duidelijker had gekund, is dit niet ernstig genoeg voor een tuchtrechtelijk verwijt. De klacht is daarom ongegrond verklaard.

De volledige uitspraak

Onderwerp van de klacht

De klager heeft de klacht voorgelegd aan de beklaagde.

Klager heeft een deskundige ingeschakeld om een rapport op te stellen over vermeend gebrekkig straatwerk. Vervolgens heeft de wederpartij beklaagde verzocht een contra-expertise uit te voeren. Klager stelt zich op het standpunt dat beklaagde niet beschikte over de vereiste vakbekwaamheid om deze contra-expertise uit te voeren, dat hij niet onafhankelijk en onpartijdig heeft gehandeld, onvoldoende transparant is geweest in zijn werkwijze, de opdracht onzorgvuldig heeft uitgevoerd en zich in de communicatie ongepast heeft uitgelaten.

Standpunt van de klager

Voor het standpunt van klager verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. In de kern komt het standpunt van klager op het volgende neer.

Klager heeft opdracht gegeven tot het uitvoeren van een expertise met betrekking tot gebrekkig straatwerk gelegd door (bedrijfsnaam stratenlegger). Deze expertise is vastgelegd in een rapport dat is opgesteld door expertisebureau (naam bureau). Beklaagde heeft vervolgens een contra-expertise uitgevoerd in opdracht van (bedrijfsnaam stratenlegger) (hierna: de opdrachtgever) naar hetzelfde straatwerk.

Klager stelt dat er ernstige twijfels bestaan over de onafhankelijkheid, deskundigheid en integriteit van beklaagde

Gebrek aan vakbekwaamheid
Klager stelt dat beklaagde aantoonbaar onvoldoende deskundig is op het gebied van bestratingswerkzaamheden. Beklaagde is volgens klager gespecialiseerd in zwaar materieel en mobility, maar beschikt niet over de vereiste expertise op het specifieke vakgebied van bestrating. Dit gebrek aan deskundigheid blijkt volgens klager tevens uit de aard en reikwijdte van de NIVRE-inschrijving van beklaagde.

Onafhankelijkheid en onpartijdigheid
Klager stelt dat beklaagde bevriend is met de opdrachtgever en actief diens belangen heeft behartigd. Zo heeft beklaagde onder meer brieven opgesteld namens de opdrachtgever. Door op te treden als belangenbehartiger heeft beklaagde volgens klager zijn positie als onafhankelijk expert ondermijnd. Dit optreden zou blijken uit de wijze van communiceren in e-mailcorrespondentie, alsmede uit de betrokkenheid van beklaagde bij onderhandelingen met de jurist van klager. Klager is van mening dat beklaagde hierdoor niet neutraal heeft kunnen opereren en dat sprake is van een gebrek aan onafhankelijkheid, althans van de schijn van belangenverstrengeling.

Daarnaast zijn opdrachtgever en beklaagde tijdens de contra-expertise gezamenlijk in dezelfde auto gearriveerd. Ook deze omstandigheid draagt volgens klager bij aan de indruk dat beklaagde niet onafhankelijk heeft gehandeld.

Transparantie
Klager stelt dat beklaagde de opdrachtgever actief heeft afgeraden aanwezig te zijn bij de expertise die is uitgevoerd door expertisebureau (naam bureau). Volgens klager is een expertise slechts waardevol wanneer alle betrokken partijen in de gelegenheid worden gesteld hun standpunten toe te lichten. Beklaagde was bovendien niet aanwezig bij de door klager aangevraagde expertise, waardoor hij essentiële informatie niet uit eerste hand heeft kunnen waarnemen. Klager benadrukt dat zowel de opdrachtgever als beklaagde daarbij uitdrukkelijk welkom waren.

Voorts is het rapport van de contra-expertise aanzienlijk later verstrekt dan was afgesproken, te weten na twaalf weken in plaats van de overeengekomen termijn van twee weken. Klager stelt dat dit handelen de transparantie ondermijnt en in strijd is met professionele neutraliteit.

Gebrekkige uitvoering
Klager stelt dat beklaagde tijdens de uitvoering van de contra-expertise zelf geen metingen of waarnemingen heeft verricht, maar deze werkzaamheden heeft overgelaten aan de opdrachtgever. Hierdoor zijn de werkzaamheden volgens klager niet persoonlijk en onvoldoende zorgvuldig uitgevoerd. Daarnaast stelt klager dat diverse door haar aangedragen aandachtspunten niet in het rapport van beklaagde zijn terug te vinden.

Ongepaste communicatie en gedrag
Klager stelt dat beklaagde kritiek heeft geuit op het rapport van expertisebureau (naam bureau) zonder de feitelijke situatie zelf te hebben beoordeeld. Volgens klager heeft beklaagde zich hiermee niet professioneel en niet respectvol opgesteld tegenover een collega-expert. Daarnaast heeft beklaagde voorafgaand aan de contra-expertise ongepast contact gezocht met de heer (naam expert), waarbij deze expert onjuist is bejegend. Ook richting klager heeft beklaagde zich volgens klager ongepast uitgelaten door te spreken over “stemmingmakerij”.

Ter zitting
Klager heeft ter zitting aangegeven dat zijn standpunt reeds voldoende is toegelicht. Klager heeft benadrukt dat het niet juist is om een partijdeskundige als belangenbehartiger te laten optreden.

Standpunt van de beklaagde

Voor het standpunt van de beklaagde verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. In de kern komt het standpunt op het volgende neer.

Beklaagde voert aan dat hij is opgetreden als partijdeskundige namens de opdrachtgever. Beide partijen hebben daarnaast ieder een eigen jurist ingeschakeld, die na afronding van de respectieve rapportages de verdere schadeafwikkeling ter hand konden nemen. Omdat zowel klager als opdrachtgever beschikten over een eigen partijdeskundige en een eigen juridisch vertegenwoordiger, zijn volgens beklaagde de belangen van beide partijen voldoende behartigd.

Gebrek aan vakbekwaamheid
Beklaagde stelt dat het verwijt van een gebrek aan vakbekwaamheid berust op onwetendheid aan de zijde van klager. Klager had volgens beklaagde voorafgaand aan de opdracht navraag kunnen doen naar diens deskundigheid. Beklaagde voert aan dat hij beschikt over ruime ervaring als expert en dat zijn deskundigheid breder is dan uitsluitend blijkt uit zijn inschrijving in het NIVRE-register.

Onafhankelijkheid en onpartijdigheid
Beklaagde betwist dat sprake is van een vriendschappelijke relatie met de opdrachtgever en stelt dat zij elkaar uitsluitend zakelijk kennen. Wel maken zij beiden deel uit van een gezamenlijke appgroep met enkele lokale ondernemers, die incidenteel bijeenkomsten organiseren. Beklaagde stelt dat deze omstandigheid geen invloed heeft gehad op zijn professionele handelen.

Op 13 november 2025 heeft beklaagde de opdracht ontvangen tot het uitvoeren van een contra-expertise. In die hoedanigheid heeft hij, op verzoek van zijn opdrachtgever, enkele berichten geredigeerd en contact gezocht met de partijdeskundige van klager. Beklaagde stelt dat hij hiermee geen dubbelrol heeft vervuld, maar uitsluitend is opgetreden als partijdeskundige namens de opdrachtgever.

Beklaagde voert aan dat zijn rol als partijdeskundige met zich brengt dat hij kritisch kijkt naar het standpunt en het verweer van zijn opdrachtgever richting klager, maar tevens kritisch toetst aan de verwijten en stellingen van klager.

Ten aanzien van het gezamenlijk arriveren op de onderzoekslocatie voert beklaagde aan dat de expertise voorafgaand gezamenlijk was voorbereid op zijn werklocatie. Vanuit praktisch oogpunt is er daarom voor gekozen om gezamenlijk naar de locatie te reizen, in plaats van afzonderlijk.

Transparantie
Beklaagde betwist dat hij de opdrachtgever zou hebben afgeraden om bij het expertisebezoek aanwezig te zijn. Integendeel, hij geeft aan juist te hebben ingezet op een gezamenlijk onderzoek, waarvoor de opdrachtgever de uitnodiging ook heeft geaccepteerd. Vervolgens heeft klager laten weten dat het onderzoek door beklaagde pas kon plaatsvinden na afronding van het onderzoek door de eigen deskundige van klager.

Beklaagde geeft aan dat er telefonisch contact is geweest met de deskundige van klager, waarin is verzocht om een gezamenlijk onderzoek. De deskundige van klager stond hier niet voor open. Wel is afgesproken dat de conceptrapportage van deze deskundige met beklaagde zou worden gedeeld. Op basis daarvan achtte beklaagde de aanwezigheid van de opdrachtgever bij het expertisebezoek niet langer noodzakelijk. Uiteindelijk heeft beklaagde deze conceptrapportage niet ontvangen.

Beklaagde voert aan dat hij van de partijdeskundige van klager niet aanwezig mocht zijn bij diens expertise. Na afstemming met de betrokken juristen heeft beklaagde op 12 maart 2025 alsnog een bezoek aan de werklocatie gebracht.

Ten aanzien van de termijnoverschrijding bij het uitbrengen van het rapport voert beklaagde aan dat deze vertraging samenhing met de omvang van het rapport en de aard van zijn werkzaamheden, waaronder de behandeling van spoedeisende schadegevallen.

Tot slot geeft beklaagde aan dat hij zijn rol en positie in het traject steeds duidelijk heeft toegelicht.

Gebrekkige uitvoering
Beklaagde voert aan dat hij zich, aan de hand van de door de opdrachtgever verstrekte stukken, reeds vóór aanvaarding van de opdracht een inhoudelijk beeld heeft gevormd van de casus. Op basis van de tussen partijen gesloten overeenkomst heeft beklaagde de kern van het geschil in kaart gebracht. In het expertiserapport is daarom een onderscheid gemaakt tussen onderdelen waarop garantie van toepassing was en overige door klager geuite verwijten.

Voorafgaand aan de contra-expertise heeft beklaagde aan klager kenbaar gemaakt dat hij het rapport van de deskundige van klager zou beoordelen en zich met name zou richten op de punten waarover tussen partijen geen consensus bestond. Aangezien de deskundige van klager reeds had aangegeven dat de hoogte correct was, achtte beklaagde het verrichten van een nieuwe meting niet noodzakelijk.

Ongepaste communicatie en gedrag
Beklaagde voert aan dat hij in zijn rapport op inhoudelijke en feitelijke wijze, met onderbouwing, is ingegaan op de stellingen van de partijdeskundige van klager. Daarbij zijn ook punten benoemd die volgens beklaagde feitelijk onjuist bleken te zijn. Beklaagde voert voorts aan dat hij zich wel degelijk een beeld heeft gevormd van de situatie ter plaatse.
Het verwijt van onheuse bejegening kan beklaagde niet plaatsen. Hij geeft aan dat hij zich heeft beperkt tot feitelijke rapportage en professionele duiding in zijn rapport. Ook de door klager aangehaalde opmerking over “stemmingmakerij” is volgens beklaagde uit de context gehaald. Hoewel beklaagde een aantal door de partijdeskundige van klager aangevoerde punten heeft erkend, achtte hij andere onderdelen onnodig en heeft hij deze als stemming makend aangemerkt.

Ter zitting
Beklaagde heeft ter zitting benadrukt dat klager en opdrachtgever reeds dicht bij een oplossing waren gekomen. Voorts heeft beklaagde toegelicht dat een inschrijving bij het NIVRE weliswaar een specifiek aandachtsgebied kent, maar dat dit niet uitsluit dat hij in de praktijk breder werkzaam is. Beklaagde heeft aangegeven dat hij vergelijkbare zaken behandelt en, indien hij constateert dat specifieke deskundigheid ontbreekt, een specialist inschakelt. Daarnaast heeft beklaagde verklaard dat hij de door de deskundige van klager verrichte metingen correct achtte en daarom heeft afgezien van het uitvoeren van aanvullende metingen.

Beoordeling van de klacht

De commissie heeft het volgende overwogen.

Ingevolge artikel 3.1. van haar reglement heeft de commissie tot taak het behandelen van klachten over het handelen en/of nalaten van een beklaagde ten tijde van diens NIVRE-registratie of inschrijving in de Kamer van het NIVRE, dat mogelijk in strijd is met de gedragscode en/of Statuten en/of Reglementen van het NIVRE en/of met hetgeen overigens bij een goede beroepsuitoefening door de beklaagde betamelijk is. Zij doet dit door een uitspraak te doen.

Voorop gesteld wordt dat een expert dient te handelen conform de Gedragsregels, de Statuten en Reglementen van het NIVRE, alsmede conform al hetgeen overigens bij een goede beroepsuitoefening betamelijk is. Zo dient men zich te gedragen zoals een redelijk bekwaam en redelijk handelend expert betaamt, waarbij men dient te voldoen aan de eisen van betrouwbaarheid, professionaliteit, integriteit en collegialiteit, zoals nader omschreven in de NIVRE Gedragsregels.

Deze Gedragsregels zijn bedoeld, zo blijkt uit de inleiding daarvan, als een norm voor de verwachtingen die mensen hebben over het gedrag en de intentie van een NIVRE-geregistreerde. Het inhoudelijke werk van een NIVRE-geregistreerde staat niet ter beoordeling van de commissie. Inhoudelijke geschillen dienen langs daartoe geëigende wegen beslecht te worden.

Indien en voor zover een expert een inhoudelijk standpunt heeft betrokken dat redelijkerwijze niet verdedigbaar is, kan dat strijd opleveren met de Gedragsregels en tot een gegrondverklaring en/of tot een eventuele tuchtrechtelijke veroordeling leiden. Daarbij dienen alle omstandigheden van het geval betrokken te worden waardoor het mogelijk is dat, ook indien achteraf/objectief geconstateerd wordt dat er een (inhoudelijke) fout is gemaakt, daar niet automatisch uit volgt dat men tevens klachtwaardig gehandeld heeft.

De klacht ziet in de kern op de vraag of beklaagde zijn opdracht zorgvuldig heeft uitgevoerd, vakbekwaam genoeg was om de opdracht uit te voeren en of hij bij het uitvoeren van de opdracht zich voldoende onafhankelijk en onpartijdig heeft opgesteld.

Gebrek aan vakbekwaamheid

Op grond van artikel 5.1, aanhef en onder a en b, van de toepasselijke gedragsregels rust op een NIVRE-geregistreerde de verplichting zich te onthouden van het aanvaarden en uitvoeren van opdrachten waarvan hij weet, althans redelijkerwijs behoort te weten, dat hij daarvoor niet over de vereiste deskundigheid beschikt. Deze norm strekt ertoe te waarborgen dat een deskundige slechts optreedt binnen de grenzen van zijn professionele bekwaamheid.

Indien een NIVRE-geregistreerde een opdracht aanvaardt die buiten de reikwijdte van zijn formele registratie valt, mag van hem worden verwacht dat hij voorafgaand aan en gedurende de uitvoering van de opdracht kritisch en toetsbaar beoordeelt of hij beschikt over voldoende kennis en ervaring om de opdracht naar behoren uit te voeren. Daarbij geldt dat niet de registratie als zodanig doorslaggevend is, maar of de deskundige aannemelijk kan maken dat hij in het concrete geval over voldoende inhoudelijke expertise beschikte, dan wel tijdig aanvullende deskundigheid heeft ingeschakeld met toestemming van de opdrachtgever.

Klager stelt dat beklaagde niet over de vereiste deskundigheid beschikte, nu diens NIVRE-registratie is beperkt tot zwaar materieel en mobility. Beklaagde heeft dit gemotiveerd betwist en aangevoerd dat zijn professionele ervaring zich niet beperkt tot de formele registratie, maar mede ziet op het behandelen van schades van vergelijkbare aard, welke hij ook in het verleden heeft verricht.

De commissie stelt vast dat beklaagde zowel schriftelijk als ter zitting inzichtelijk heeft gemaakt op welke gronden hij meende over voldoende deskundigheid te beschikken.
Daarbij heeft hij toegelicht dat hij reeds meerdere vergelijkbare opdrachten heeft uitgevoerd. Voorts heeft beklaagde verklaard dat hij, indien hij zou hebben vastgesteld dat specifieke expertise ontbrak, een andere deskundige/specialist zou hebben geraadpleegd.

De commissie is van oordeel dat beklaagde in dit concrete geval voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij de opdracht heeft uitgevoerd binnen de grenzen van zijn professionele bekwaamheid. Niet is gebleken dat beklaagde signalen heeft genegeerd waaruit hij had moeten afleiden dat hij over onvoldoende deskundigheid beschikte, noch dat hij heeft nagelaten maatregelen te treffen die in redelijkheid van hem mochten worden verwacht ter borging van de kwaliteit en zorgvuldigheid van zijn werkzaamheden. De commissie neemt daarbij tevens in aanmerking dat de opdrachtgever beschikte over relevante vakinhoudelijke kennis, zodat ervan mocht worden uitgegaan dat eventuele inhoudelijke onjuistheden in het rapport zouden zijn onderkend en aan de orde gesteld. Dat hiervan sprake is geweest, is niet gebleken.

De commissie benadrukt daarbij dat van een NIVRE-geregistreerde in het kader van de tuchtrechtelijke norm mag worden verlangd dat hij bij iedere opdracht zelfstandig en kritisch beoordeelt of deze binnen zijn deskundigheidsgebied valt, en dat deze verplichting temeer geldt indien de opdracht buiten de formele registratie valt. Dit betreft een voortdurende eigen verantwoordelijkheid van de deskundige.

Gelet op het voorgaande komt de commissie tot de conclusie dat beklaagde niet tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld. Dit klachtonderdeel wordt derhalve ongegrond verklaard.

Onafhankelijkheid en onpartijdigheid

Artikel 5.1, aanhef en onder i, van de gedragsregels bepaalt dat een NIVRE-geregistreerde ervoor zorg draagt dat zijn positie als objectief deskundige niet in gevaar komt. Artikel 7.1 brengt tot uitdrukking dat de deskundige zich steeds bewust dient te zijn van zijn vertrouwenspositie en geen opdracht mag uitvoeren waarbij sprake is van sturing richting een door de opdrachtgever gewenste uitkomst. Op grond van artikel 7.1, aanhef en onder g, rust op de deskundige bovendien de plicht om bij (mogelijke) belangenverstrengeling de betrokken partijen onverwijld te informeren en de opdracht niet te aanvaarden of neer te leggen, tenzij sprake is van schriftelijke instemming van alle betrokkenen.

Klager stelt dat beklaagde niet onpartijdig en niet onafhankelijk heeft gehandeld, althans dat de schijn van partijdigheid is gewekt. Hij baseert dit op de stelling dat beklaagde en diens opdrachtgever bevriend zouden zijn, dat beklaagde heeft opgetreden als belangenbehartiger van de opdrachtgever en dat beklaagde en opdrachtgever gezamenlijk zijn gearriveerd bij de contra-expertise. Beklaagde betwist dat sprake is van een vriendschappelijke relatie. Hij erkent dat hij na overleg met de opdrachtgever enkele berichten heeft gestuurd, maar stelt dat daarbij geen sprake was van een dubbelrol. Het gezamenlijk arriveren op locatie was volgens beklaagde praktisch van aard, nu het locatiebezoek kort daarvoor gezamenlijk was voorbereid.

De commissie stelt voorop dat beklaagde in deze zaak optrad als partijdeskundige van de opdrachtgever. Dit brengt inherent met zich mee dat hij in opdracht en ten behoeve van die partij werkzaamheden verricht. Dat gegeven kan op zichzelf reeds een zekere schijn van partijdigheid oproepen, maar maakt het handelen van beklaagde niet zonder meer tuchtrechtelijk verwijtbaar. In dat licht is het niet ongebruikelijk dat een partijdeskundige en diens opdrachtgever na een voorbespreking gezamenlijk op een locatie verschijnen. Uit de aanwezigheid van beklaagde en opdrachtgever in een zakelijke communicatiegroep kan evenmin worden afgeleid dat sprake is van een vriendschappelijke relatie in de zin zoals door klager gesteld.

De commissie overweegt wel dat de wijze van communiceren door beklaagde, waaronder de mailwisselingen met de belangenbehartiger van klager, het risico met zich brengt dat de schijn van partijdigheid wordt versterkt. Uit het dossier blijkt dat beklaagde zich niet heeft beperkt tot het uitbrengen van een deskundigenrapport, maar ook actief heeft gecommuniceerd over het dossier op een wijze die aan een vertegenwoordigende rol raakt. In de specifieke omstandigheden van dit geval, waarin zowel klager als opdrachtgever beschikten over een eigen deskundige en een eigen belangenbehartiger, acht de commissie dit handelen nog aanvaardbaar. Daarbij wordt echter benadrukt dat van een deskundige mag worden verwacht dat hij terughoudend is met het aannemen van een rol die kan worden opgevat als belangenbehartiging, teneinde iedere schijn van belangenverstrengeling te voorkomen.

Alles afwegende komt de commissie tot de conclusie dat in deze zaak onvoldoende is gebleken dat beklaagde zijn objectiviteit en onafhankelijkheid heeft geschonden, noch dat sprake is geweest van (de schijn van) belangenverstrengeling in de zin van de gedragsregels. Van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen is derhalve geen sprake.

Transparantie

Artikel 5.1 van de gedragsregels bepaalt dat een NIVRE-geregistreerde zorg draagt voor een voortvarende uitvoering van zijn opdracht, teneinde een snelle dossierafhandeling te bewerkstelligen. Artikel 6.1 schrijft voor dat een bureau of NIVRE-geregistreerde zorg draagt voor een voortvarende, zorgvuldige en objectieve schadevaststelling of schaderegeling, gericht op een snelle, efficiënte en adequate dossierafhandeling.

Klager stelt dat beklaagde bewust aan de opdrachtgever heeft aangeraden niet aanwezig te zijn bij de expertise van de expert van klager, en dat beklaagde door het niet aanwezig zijn bij het bezoek wezenlijke informatie zou hebben gemist. Beklaagde betwist dit en voert aan dat hij wel aanwezig wilde zijn, maar dat dit door de expert van klager niet was toegestaan.

De commissie merkt op dat er tussen partijen discussie bestaat over de vraag of beklaagde welkom was bij het bezoek van de expert van klager. In een schadezaak waarin beide partijen een deskundige hebben ingeschakeld kan het wenselijk zijn dat beide experts bij een locatiebezoek aanwezig zijn. Of dit wenselijk is en binnen de opdracht van de expert valt, hangt af van de afspraken met de opdrachtgever. Feit is dat beklaagde niet aanwezig is geweest toen de expert van klager het onderzoek op locatie uitvoerde. Dit hoeft op zich geen probleem te zijn. Beklaagde heeft de locatie zelf bezocht voordat hij zijn rapport opstelde, waardoor de commissie kan concluderen dat beklaagde zich wel een juist beeld heeft kunnen vormen van de schade ter plaatse. Het betoog van klager dat beklaagde wezenlijke informatie zou hebben gemist, kan de commissie daarom niet volgen.

Daarnaast stelt klager dat het rapport te laat is opgeleverd en dat dit in strijd zou zijn met de NIVRE-gedragsregels. Beklaagde bevestigt dat het rapport later is opgeleverd dan aanvankelijk verwacht, maar voert aan dat dit niet in strijd is met de gedragsregels.

In zijn verweerschrift heeft beklaagde gemotiveerd waarom het rapport vertraging heeft opgelopen, onder andere vanwege de omvang van het rapport en de aard van zijn werkzaamheden, waarin hij ook spoedeisende schadegevallen moet beoordelen. De commissie kan deze toelichting volgen. Bovendien geldt dat de opleverdatum van een rapport van een partijdeskundige een afspraak is tussen de opdrachtgever en de expert, en niet tussen de expert en de tegenpartij. Gezien deze omstandigheden is het niet tuchtrechtelijk verwijtbaar dat het rapport later is opgeleverd.

Gelet op het voorgaande is de commissie van oordeel dat beklaagde heeft gehandeld binnen de normen van voortvarendheid, zorgvuldigheid en objectiviteit zoals neergelegd in artikel 5.1 en 6.1 van de gedragsregels. Van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen is derhalve geen sprake.

Gebrekkige uitvoering

Artikel 5, aanhef en onder c, van de toepasselijke gedragsregels bepaalt dat een NIVRE-geregistreerde gehouden is een opdracht zorgvuldig, discreet en met een kwalitatief hoog niveau, naar beste weten en kunnen, uit te voeren. Deze norm brengt mee dat van de deskundige mag worden verwacht dat hij zijn werkzaamheden op een transparante en controleerbare wijze verricht en dat de door hem gemaakte keuzes in de uitvoering van de opdracht deugdelijk en navolgbaar kunnen worden gemotiveerd.

Klager stelt dat beklaagde in strijd met deze norm heeft gehandeld, omdat hij niet zelf metingen zou hebben verricht, dan wel deze metingen heeft overgelaten aan de opdrachtgever. Voorts voert klager aan dat bepaalde aandachtspunten, die volgens hem relevant waren, niet in het rapport zijn opgenomen.

Beklaagde heeft gemotiveerd en onbetwist uiteengezet op welke wijze hij de opdracht heeft uitgevoerd. Daarbij heeft hij toegelicht welke werkwijze hij heeft gehanteerd, om welke redenen bepaalde metingen niet door hemzelf zijn verricht en dat hij klager hierover voorafgaand aan de rapportage heeft geïnformeerd.

De commissie is van oordeel dat de door beklaagde geschetste gang van zaken, bezien in het licht van artikel 5, aanhef en onder c, niet als onzorgvuldig of onprofessioneel kan worden aangemerkt. Niet is gebleken dat beklaagde in redelijkheid gehouden was de betreffende metingen zelf uit te voeren, noch dat de rapportage als gevolg van zijn werkwijze inhoudelijk tekortschiet of relevante aandachtspunten ontbeert. Hoewel klager in zijn reactie op het verweerschrift heeft gesteld dat tijdens de expertise diverse punten zijn aangedragen die niet in het rapport zijn opgenomen, heeft hij niet geconcretiseerd om welke punten het daarbij gaat. Hierdoor kan de commissie niet vaststellen dat sprake is van een tekortschieten in de verslaglegging.

Gelet op het voorgaande komt de commissie tot de conclusie dat beklaagde heeft gehandeld binnen de grenzen van de zorgvuldigheid en professionele standaard die op grond van de gedragsregels van een NIVRE-geregistreerde mogen worden verwacht. Van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen is derhalve geen sprake. Dit klachtonderdeel wordt ongegrond verklaard.

Ongepaste communicatie en gedrag

Artikel 8.1, onder b, van de toepasselijke gedragsregels bepaalt dat een NIVRE-geregistreerde zich niet in negatieve zin inhoudelijk over een beroepsgenoot of over een door hem verleende dienst mag uiten, tenzij zijn mening of visie op feiten expliciet door een derde in het kader van zijn opdracht wordt gevraagd. Daarnaast bepaalt artikel 3 dat een bureau of NIVRE-geregistreerde zich bij de uitoefening van zijn beroep moet gedragen zoals een redelijk bekwame en redelijk handelende deskundige betaamt op het terrein van schadevaststelling, risicobeoordeling en aanverwante deskundigheden. Deze normen dienen ter waarborging van professionaliteit, respectvolle communicatie en inhoudelijke integriteit in het contact met collega’s en derden.

Klager stelt dat beklaagde kritiek heeft geuit op het rapport van expertisebureau (naam bureau) (de partijexpert van klager) en dat daarbij ongepast contact is gezocht met de expert van klager, waarbij zowel de expert als klager zelf onheus zouden zijn bejegend. Hierbij wordt met name verwezen naar de opmerking over stemmingsmakerij. Beklaagde betwist deze aantijging en geeft aan dat hij slechts inhoudelijk en feitelijk, met onderbouwing, is ingegaan op de stellingen van de expert van klager.

Uit het dossier en de door klager aangeleverde stukken blijkt niet dat klager of zijn expert onjuist is bejegend door beklaagde. De genoemde opmerking over stemmingmakerij is mogelijk ongelukkig geformuleerd, maar in de context van de e-mail van 29 januari 2025 blijkt dat deze opmerking primair is gebruikt ter onderbouwing van het standpunt van beklaagde met betrekking tot vermeende onjuistheden in het rapport van de expert van klager.

Het is een normale en professionele taak van een partijdeskundige om het werk van de expert van de tegenpartij te beoordelen en daar een inhoudelijk en feitelijk onderbouwd oordeel over te geven. Een dergelijke beoordeling wordt pas tuchtrechtelijk verwijtbaar indien een deskundige zonder onderbouwing het werk van een collega zwartmaakt of de persoon van de deskundige zelf aanvalt. In dit geval blijkt uit het dossier dat beklaagde zijn oordeel heeft gemotiveerd en dat er geen aanwijzingen zijn van een persoonlijke aanval of van een ongepaste bejegening.

Uit de toegevoegde communicatie blijkt bovendien dat het contact tussen beklaagde en de vertegenwoordiger van klager hoofdzakelijk in overlegvorm heeft plaatsgevonden en functioneel gericht was op de inhoud van de expertise. Er is geen aanwijzing dat er sprake is geweest van onjuist of ongepast gedrag tegenover de expert van klager of klager zelf.

Gelet op het voorgaande komt de commissie tot de conclusie dat beklaagde heeft gehandeld binnen de normen die volgen uit artikel 8.1 onder b en artikel 3. Van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen is derhalve geen sprake. Dit klachtonderdeel wordt ongegrond verklaard.

Op grond van het voorgaande is de commissie van oordeel dat de klacht ongegrond is.

Derhalve wordt als volgt beslist.

Beslissing

De commissie verklaart de klacht van de klager ongegrond.

Opslaan als PDF