Klacht tegen fraudecoördinator mag inhoudelijk worden behandeld

De Geschillencommissie Opslaan als PDF




Commissie: Tuchtcommissie NIVRE    Categorie: Bevoegdheid / Ontvankelijkheid    Jaartal: 2026
Soort uitspraak: Bevoegdverklaring   Uitkomst: bevoegd   Referentiecode: 1314991/1326233

De uitspraak:

Waar gaat de uitspraak over?

In deze zaak moest de Tuchtcommissie NIVRE eerst beoordelen of zij bevoegd was om een klacht te behandelen tegen een coördinator fraudebeheersing en of de klager ontvankelijk was. De beklaagde stelde dat coördinatoren fraudebeheersing niet onder het tuchtrecht van het NIVRE vallen en voerde daarnaast aan dat de klacht eigenlijk een civiel geschil over een arbeidsongeschiktheidsverzekering betrof, waarvoor het Kifid de juiste instantie zou zijn. Ook vond hij dat de klacht te laat was ingediend. De commissie onderzocht de statuten en reglementen van het NIVRE en concludeerde dat coördinatoren fraudebeheersing expliciet als NIVRE-geregistreerden worden aangemerkt en daarom onder het tuchtrecht vallen. Daarnaast bleek uit de statuten, reglementen en openbare uitingen van het NIVRE dat klachten over deze beroepsgroep door de tuchtcommissie kunnen worden behandeld. De commissie oordeelde verder dat een tuchtprocedure een ander doel heeft dan een procedure bij het Kifid. Het tuchtrecht richt zich op de beoordeling van professioneel handelen, terwijl het Kifid civiele geschillen behandelt. Daarom kunnen beide procedures naast elkaar bestaan. Ook zag de commissie geen misbruik van recht. Verder stelde zij vast dat de klacht tijdig was ingediend, omdat de termijn pas begon te lopen nadat de beklaagde persoonlijk op de klacht had gereageerd. De commissie verklaarde zich daarom bevoegd om de klacht te behandelen en oordeelde dat de klager ontvankelijk is. Over de inhoud van de klacht zelf werd nog geen beslissing genomen.

De volledige uitspraak

Onderwerp van de klacht

Klager heeft bij de tuchtcommissie een klacht ingediend tegen beklaagde met betrekking tot diens handelen bij de uitvoering van een fraudeonderzoek, verricht in diens hoedanigheid van coördinator fraudebeheersing. Beklaagde heeft gesteld dat hij niet onder het tuchtrecht van het NIVRE valt. Volgens beklaagde is de tuchtcommissie daarom niet bevoegd de klacht inhoudelijk te behandelen, althans dient klager in haar klacht niet ontvankelijk te worden verklaard.

De tuchtcommissie stelt vast dat partijen zich over en weer hebben uitgelaten over de vraag naar de toepasselijkheid van het tuchtrecht en daarmee de bevoegdheid van de commissie. De tuchtcommissie acht het aangewezen om eerst op deze voorvraag te beslissen alvorens, indien daartoe aanleiding bestaat, toe te komen aan een inhoudelijke beoordeling van de klacht.

Standpunt van de klager

Voor het standpunt van de klager verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. In de kern komt het standpunt op het volgende neer.

Bevoegdheid
Klager stelt zich op het standpunt dat de vraag of een coördinator fraudebeheersing onder het tuchtrecht van het NIVRE valt, dient te worden beoordeeld aan de hand van een samenstel van factoren, waaronder de statuten van het NIVRE, het reglement van de tuchtcommissie, de inrichting van het registerstelsel, de externe uitingen van het NIVRE en het feitelijk handelen van de coördinator fraudebeheersing.

De statuten van het NIVRE
Ten aanzien van de statuten van het NIVRE voert klager aan dat op grond van artikel 3.3 van de statuten onder het begrip “NIVRE‑geregistreerde” mede een coördinator fraudebeheersing moet worden verstaan. Volgens klager volgt hieruit dat artikel 17.2 van de statuten, waarin deze categorie niet expliciet wordt genoemd, niet is bedoeld als een limitatieve opsomming. Klager wijst erop dat de bewoordingen van deze bepaling geen limitatief karakter dragen en bovendien in samenhang dienen te worden gelezen met het bredere registerstelsel.

Voorts stelt klager dat artikel 17.2 van de statuten primair ziet op de procedurele inrichting van de klachtafhandeling, terwijl voor de materiële reikwijdte aansluiting moet worden gezocht bij het reglement van de tuchtcommissie. In dat verband verwijst klager tevens naar artikel 17.3 van de statuten, waarin is bepaald dat de tuchtcommissie belast is met het behandelen van klachten over het handelen en/of nalaten van een beklaagde gedurende diens NIVRE registratie. Volgens klager valt daarom een coördinator fraudebeheersing als NIVRE geregistreerde in de zin van artikel 3.3 onder het bereik van het tuchtrecht.

Reglement tuchtcommissie
Met betrekking tot het reglement van de tuchtcommissie stelt klager dat dit reglement aansluit bij de terminologie van de statuten en bepaalt dat klachten kunnen worden ingediend tegen een NIVRE‑geregistreerde. Nu een coördinator fraudebeheersing onder die noemer valt en het reglement niet voorziet in uitzonderingen, is het tuchtrecht van toepassing.

Reglement register Coördinator Fraudebeheersing
Ten aanzien van het reglement van het register Coördinator Fraudebeheersing voert klager aan dat daaruit volgt dat coördinatoren fraudebeheersing zijn gebonden aan gedragsregels en dat uitschrijving uit het register mogelijk is. Nu echter niet in een zelfstandige toetsings- of klachtenprocedure is voorzien, dient volgens klager aansluiting te worden gezocht bij een binnen hetzelfde institutionele kader bestaande regeling, te weten de statuten en het reglement van de tuchtcommissie van het NIVRE.

Externe presentatie door NIVRE
Voorts wijst klager op de externe presentatie door het NIVRE. Volgens klager heeft het NIVRE gedurende meerdere jaren het register Coördinator Fraudebeheersing structureel en publiekelijk gepresenteerd als vallend onder het tuchtrecht. Klager verwijst daarbij naar de officiële website uit de periode waarin de klacht speelt, waaronder de presentatie van het betreffende register, alsmede naar door het bestuur vastgestelde jaarverslagen.

Daarnaast stelt klager dat het klachtenloket van het NIVRE heeft bevestigd dat coördinatoren fraudebeheersing onder het tuchtrecht vallen en dat op die basis de onderhavige klacht in behandeling is genomen.

De door beklaagde aangehaalde webpagina acht klager niet representatief voor de officiële en bestendige uitingen van het NIVRE.

Feitelijk gedrag Coördinator Fraudebeheersing
Ten slotte voert klager aan dat ook het feitelijk handelen van beklaagde relevant is. Klager stelt beklaagde voorafgaand aan het indienen van de klacht te hebben geïnformeerd en hem de gelegenheid te hebben geboden tot een minnelijke regeling te komen. Volgens klager heeft beklaagde toen op geen enkel moment aangevoerd dat hij niet onder de bevoegdheid van de tuchtcommissie zou vallen.

Niet ontvankelijk
Klager voert aan dat de onderhavige klacht dient te worden aangemerkt als een tuchtklacht en niet als een klacht die is bedoeld voor een Kifid-procedure. De klacht richt zich uitsluitend op het persoonlijk handelen en nalaten van beklaagde in diens hoedanigheid van Register-Coördinator Fraudebeheersing. Waar het Kifid civielrechtelijke geschillen tussen consument en financiële dienstverlener beoordeelt aan de hand van de verzekeringsovereenkomst, ziet het niet op de toetsing van tuchtrechtelijke gedragsnormen.

Voorts betwist klager dat sprake is van misbruik van recht. De klacht strekt niet tot beslechting van een contractueel geschil, maar is gericht op de normatieve beoordeling van het professioneel handelen van beklaagde. De omstandigheid dat naast een civielrechtelijke procedure tevens een tuchtprocedure aanhangig wordt gemaakt, sluit tuchtrechtelijke toetsing niet uit en maakt het tuchtrecht evenmin tot een substituut voor civiele rechtsbescherming.
Ten aanzien van het standpunt van beklaagde dat de klacht te laat zou zijn ingediend, stelt klager dat dit berust op een onjuiste uitleg van het toepasselijke reglement. De klacht dient te worden ingediend binnen drie jaar na het verweten handelen of nalaten. De daarin genoemde termijn van drie maanden heeft betrekking op de afronding van de interne klachtenprocedure en het moment waarop de klacht bij het klachtenloket van het NIVRE wordt ingediend, en staat niet in verband met het oorspronkelijke voorval. Klager heeft derhalve voldaan aan de geldende termijnen.

Standpunt van beklaagde

Voor het standpunt van beklaagde met betrekking tot de bevoegdheid van de tuchtcommissie verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. In de kern komt het standpunt op het volgende neer.

Onbevoegd
Beklaagde stelt zich op het standpunt dat het register voor Coördinator Fraudebeheersing een zogeheten gelieerd register betreft dat uitsluitend door het NIVRE wordt beheerd. Volgens beklaagde brengt dit met zich dat personen die in dit register staan ingeschreven niet zijn onderworpen aan het tuchtrecht van het NIVRE. Beklaagde wijst er in dit verband op dat dit ook als zodanig op de website van het NIVRE is vermeld.

Ter nadere toelichting voert beklaagde aan dat het register Coördinator Fraudebeheersing in 2009 is opgericht, waarbij de regie destijds bij het Verbond van Verzekeraars lag en het NIVRE belast was met de administratieve uitvoering. Het register werd in 2020 opengesteld voor fraudefunctionarissen uit de financiële sector in brede zin. Hierdoor is de betrokkenheid van het Verbond van Verzekeraars beëindigd en is het register als gelieerd register ondergebracht bij het NIVRE.

Voorts verwijst beklaagde naar artikel 17.2 van de statuten van het NIVRE. Op grond van deze bepaling heeft het tuchtrecht uitsluitend betrekking op bij het NIVRE geregistreerde experts en -deskundigen. Beklaagde stelt dat sprake is van een limitatieve opsomming, zodat personen die daar niet onder vallen waaronder, naar zijn mening, coördinatoren fraudebeheersing buiten de reikwijdte van het tuchtrecht vallen.

Niet-ontvankelijk

Beklaagde stelt zich op het standpunt dat klager door de Tuchtcommissie NIVRE niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in haar klacht.

Allereerst ziet de klacht op de uitvoering van een particuliere arbeidsongeschiktheidsverzekering en is deze in wezen gericht tegen de verzekeraar, in het bijzonder tegen het besluit tot opzegging van de verzekeringsovereenkomst en het daaraan ten grondslag liggende fraudeonderzoek. Dit betreft een civielrechtelijk geschil tussen klager en de verzekeraar. Over dit geschil is bovendien reeds in augustus 2024 geklaagd in het kader van de interne klachtenprocedure van de verzekeraar, gevolgd door een procedure bij het Kifid. Het tuchtrecht is niet bedoeld als een alternatief forum voor de beslechting van civielrechtelijke geschillen, noch als middel om druk uit te oefenen in een dergelijk geschil. Reeds hierom dient klager niet-ontvankelijk te worden verklaard.

Voorts maakt klager misbruik van recht door de onderhavige tuchtprocedure aan te wenden als drukmiddel in een lopend civielrechtelijk geschil.

Daarnaast is de klacht niet tijdig ingediend. Op grond van het reglement had de klacht uiterlijk op 31 juni 2025, althans op 18 september 2025, bij het klachtenloket kenbaar moeten zijn gemaakt. De klacht is evenwel pas op 7 oktober 2025 ingediend. Daarmee is de klacht buiten de geldende termijn ingediend en om die reden eveneens niet-ontvankelijk.

Beoordeling van haar bevoegdheid

De commissie dient allereerst te beoordelen of zij bevoegd is om de klacht van klager te behandelen, nu beklaagde heeft gesteld dat hij niet onder het tuchtrecht van het NIVRE valt en de tuchtcommissie derhalve niet over zijn handelen kan oordelen.

De commissie overweegt daartoe als volgt.

Centraal staat de vraag of een coördinator fraudebeheersing onder de reikwijdte van het tuchtrecht van het NIVRE valt en, in het verlengde daarvan, of de tuchtcommissie bevoegd is kennis te nemen van een klacht tegen een dergelijke coördinator. In dit kader dient de tuchtcommissie rekening te houden met hetgeen is bepaald in de statuten en de daarop gebaseerde reglementen, alsmede met de betekenis van de uitingen die het NIVRE hierover naar buiten heeft gebracht.

Naar het oordeel van de commissie dient de beoordeling van haar bevoegdheid in de eerste plaats te worden gebaseerd op de statuten van het NIVRE en het daarop gebaseerde reglement van de tuchtcommissie, nu daarin de grondslag en reikwijdte van het tuchtrecht zijn neergelegd. Uitingen van het NIVRE, zoals informatie op de website, kunnen bij deze beoordeling een rol spelen, in het bijzonder voor zover zij van betekenis zijn voor het vertrouwen dat derden mogen ontlenen aan de inrichting en werking van de registers.

De commissie komt, gelet op het navolgende, tot het oordeel dat zij bevoegd is om kennis te nemen van klachten over het handelen van coördinatoren fraudebeheersing. Hierna zal de commissie uiteenzetten op welke gronden zij tot dit oordeel is gekomen.

De tuchtcommissie stelt vast dat ten tijde van de gedragingen die tot de klacht hebben geleid (2023 en nadien) de statuten van het NIVRE, vastgesteld op 30 september 2021, van toepassing waren. Uit artikel 2 van deze statuten volgt dat het NIVRE onder meer tot doel heeft de deskundigheid en kwaliteit van de beroepsuitoefening te bevorderen en in stand te houden. Dit doel wordt onder meer gerealiseerd door het in stand houden van openbare registers, waarin onder andere zijn ingeschreven de NIVRE Register-Experts, NIVRE Register-Risicodeskundigen, NIVRE Register-Coördinatoren Fraudebeheersing, NIVRE Registerdeskundigen en bureaus (artikel 4.1 van de statuten).

In de statuten zijn, voor zover hier van belang, de volgende bepalingen opgenomen.

Artikel 3.3
Overal waar in deze statuten gesproken wordt van de ‘NIVRE-Geregistreerde’ wordt bedoeld een natuurlijk persoon werkzaam op het terrein van schadevaststelling/risicobeoordeling en/of risicopreventie, toedracht en/of fraudeonderzoek en/of fraudebeheersing, inspecties en/of taxaties en aanverwante disciplines, in het bijzonder in het kader van schadeverzekering, die kantoor houdt in Nederland en die op grond van een besluit van het Bestuur in het Register als NIVRE Register-Expert, NIVRE Register-Risicodeskundige, NIVRE Register-Coördinator Fraudebeheersing en/of NIVRE Registerdeskundige is ingeschreven.

Artikel 7.2 onder c
Een NIVRE-Geregistreerde zal door het bestuur worden uitgeschreven indien:
c. door de Tuchtcommissie de maatregel van uitschrijving uit het Register is uitgesproken;

Artikel 17.3
De Tuchtcommissie functioneert autonoom en is belast met:
– het behandelen van klachten over het handelen en/of nalaten van een beklaagde ten tijde van diens NIVRE registratie of inschrijving in de Kamer van het NIVRE, dat mogelijk in strijd is met de gedragscode, statuten en/of reglementen van het NIVRE en/of met hetgeen overigens bij een goede beroepsuitoefening door de beklaagde betamelijk is, indien en voor zover deze klachten niet kunnen worden behandeld door het KIFID.

De tuchtcommissie overweegt naar aanleiding van het voorgaande als volgt. Op grond van de definitiebepaling in artikel 3.3 van de statuten dient onder het begrip “NIVRE geregistreerde” mede te worden verstaan de NIVRE Register Coördinator Fraudebeheersing, nu deze categorie daarin uitdrukkelijk is genoemd. Daarmee staat vast dat coördinatoren fraudebeheersing als NIVRE geregistreerden in de zin van de statuten moeten worden aangemerkt.

De commissie stelt voorts vast dat artikel 17.3 geen beperking bevat naar de aard van de registratie van de betrokkene, maar in algemene zin ziet op het handelen en/of nalaten van een beklaagde gedurende diens NIVRE registratie. Gelet op de definitie in artikel 3.3 omvat dit derhalve ook coördinatoren fraudebeheersing.

In dit verband komt aan artikel 7.2 onder c bijzondere betekenis toe. Deze bepaling regelt immers dat een NIVRE geregistreerde door het bestuur wordt uitgeschreven indien de tuchtcommissie de maatregel van uitschrijving uit het register heeft opgelegd. Hieruit volgt dat de tuchtcommissie bevoegd is om ten aanzien van NIVRE geregistreerden tuchtrechtelijke maatregelen op te leggen die rechtstreeks ingrijpen in hun registratie. Nu artikel 3.3 geen onderscheid maakt tussen de verschillende categorieën NIVRE geregistreerden en coördinatoren fraudebeheersing daaronder vallen, kan artikel 7.2 onder c naar het oordeel van de commissie niet anders worden begrepen dan dat deze sanctiebevoegdheid zich mede uitstrekt tot coördinatoren fraudebeheersing.

De commissie ziet zich vervolgens voor de vraag gesteld welke betekenis toekomt aan artikel 17.2 van de statuten.

Artikel 17.2 bepaalt voor zover hier van belang dat eenieder klachten kan indienen met betrekking tot het handelen en nalaten van een NIVRE Register-Expert, NIVRE Register-Risicodeskundige en NIVRE Registerdeskundige, en dat de ontvankelijkheid van klachten, de bevoegdheden van de tuchtcommissie en de procedure van klachtbehandeling nader zijn uitgewerkt in het reglement.

Anders dan beklaagde betoogt, kan uit de opsomming in artikel 17.2 niet worden afgeleid dat sprake is van een limitatieve opsomming van categorieën die aan het tuchtrecht zijn onderworpen. De commissie acht in dit verband van belang dat deze bepaling niet los kan worden gelezen van de overige statutaire bepalingen, in het bijzonder artikel 3.3, 7.2 onder c en artikel 17.3. Waar artikel 3.3 een algemene en uitdrukkelijke definitie geeft van het begrip “NIVRE geregistreerde”, en artikel 17.3 het bereik van het tuchtrecht koppelt aan het handelen en/of nalaten gedurende de NIVRE registratie, ligt het niet voor de hand om artikel 17.2 zo uit te leggen dat bepaalde categorieën geregistreerden stilzwijgend van dat bereik zouden zijn uitgesloten.

Daar komt bij dat artikel 17.2 expliciet verwijst naar het reglement van de Tuchtcommissie NIVRE voor de nadere uitwerking van onder meer de bevoegdheid. In het reglement Tuchtcommissie NIVRE is in artikel 3 bepaald dat de tuchtcommissie tot taak heeft het behandelen van klachten over het handelen en/of nalaten van een beklaagde gedurende diens NIVRE registratie. In artikel 1 van het reglement wordt onder “beklaagde” verstaan: een NIVRE Kamerbureau en/of een NIVRE geregistreerde.

Nu het reglement geen nadere beperking of differentiatie aanbrengt ten aanzien van het begrip “NIVRE geregistreerde”, dient voor de uitleg daarvan te worden aangesloten bij de statuten. Zoals hiervoor overwogen, volgt uit artikel 3.3 van de statuten dat onder dit begrip mede de NIVRE Register Coördinator Fraudebeheersing valt. De commissie stelt vast dat noch in het reglement, noch in de statuten een uitzondering is opgenomen voor deze categorie.

Van belang is voorts dat in de statuten en het reglement wel expliciet een uitzondering is gemaakt voor klachten die kunnen worden behandeld door het Klachteninstituut Financiële Dienstverlening (Kifid). Deze expliciete uitzondering bevestigt dat, waar het NIVRE heeft beoogd categorieën van klachten of personen buiten de reikwijdte van het tuchtrecht te plaatsen, dit uitdrukkelijk in de statuten is vastgelegd. Een dergelijke uitzondering ontbreekt voor coördinatoren fraudebeheersing.

Gelet op het voorgaande is de commissie van oordeel dat noch artikel 17.2 van de statuten, noch het reglement Tuchtcommissie aanknopingspunten biedt voor de conclusie dat coördinatoren fraudebeheersing buiten het bereik van het tuchtrecht van het NIVRE vallen. Integendeel, uit de onderlinge samenhang van de statuten en het reglement volgt dat deze categorie onder het tuchtrecht is begrepen.

De commissie betrekt bij dit oordeel voorts dat uit het reglement van het register Coördinator Fraudebeheersing niet blijkt van een afzonderlijk toetsingsmechanisme of een eigen tuchtrechtelijke voorziening. Dit vormt een aanwijzing dat voor deze categorie geen afwijkend regime is beoogd, maar aansluiting is gezocht bij het bestaande tuchtrechtelijke kader van het NIVRE.

Daarnaast acht de commissie van belang de wijze waarop het NIVRE zich extern heeft gepresenteerd. Uit de door klager overgelegde stukken, waaronder de openbare presentatie van het register en de jaarverslagen over 2023 en 2024, blijkt dat het NIVRE kenbaar heeft gemaakt dat ook in gelieerde registers ingeschreven personen onder het tuchtrecht vallen en dat een klachtenloket en tuchtcommissie openstaan voor klachten over hun handelen. Hiermee heeft het NIVRE naar het oordeel van de commissie bij derden het gerechtvaardigd vertrouwen gewekt dat klachten over coördinatoren fraudebeheersing binnen het tuchtrechtelijke kader van het NIVRE kunnen worden beoordeeld. Het enkele feit dat op een andere plaats een afwijkende mededeling is gedaan, doet daaraan, mede bezien in het licht van de statutaire systematiek, niet af.

Gelet op al het voorgaande komt de commissie tot het oordeel dat zij bevoegd is om van de onderhavige klacht kennis te nemen en deze inhoudelijk te behandelen.

De commissie merkt ten slotte nadrukkelijk op dat sprake is van een beoordeling ex tunc, waarbij bepalend zijn de regelgeving en omstandigheden zoals die golden ten tijde van de gedragingen waarop de klacht betrekking heeft. Dit brengt mee dat latere wijzigingen in statuten, reglementen, interne duidingen of beleidsopvattingen van het NIVRE niet van invloed kunnen zijn op de beoordeling van de bevoegdheid in deze zaak.

Ontvankelijk
Beklaagde heeft aangevoerd dat klager niet-ontvankelijk dient te worden verklaard op de volgende gronden:
1. omdat de klacht verband houdt met een particuliere verzekeringsovereenkomst, is ingediend door een individuele consument en (mede) is gericht tegen een bij het Klachteninstituut Financiële Dienstverlening (Kifid) aangesloten financiële dienstverlener, zodat klager misbruik maakt van recht;
2. omdat klager de klacht niet tijdig bij het klachtenloket heeft ingediend.

De tuchtcommissie overweegt ten aanzien van het eerste punt als volgt. In artikel 4 van het reglement van de Tuchtcommissie NIVRE is bepaald:

De commissie verklaart een klager ambtshalve niet-ontvankelijk indien en voor zover de klacht (i) gerelateerd is aan het tot stand komen of uitvoeren van een particuliere verzekeringsovereenkomst, (ii) is ingediend door een individuele consument, en (iii) (mede) is gericht tegen een bij het Klachteninstituut Financiële Dienstverlening (Kifid) aangesloten financiële dienstverlener.

De tuchtcommissie is van oordeel dat een procedure bij de tuchtcommissie en een procedure bij het Kifid gelijktijdig kunnen plaatsvinden, nu beide procedures verschillende rechtsdoelen dienen. Het tuchtrecht heeft een normatief karakter en is gericht op de handhaving en bevordering van de kwaliteit en integriteit van het beroepsmatig handelen binnen de branche. De Kifid-procedure daarentegen ziet op de beslechting van civielrechtelijke geschillen tussen consumenten en financiële dienstverleners met betrekking tot financiële producten of diensten.

Daarnaast heeft klager onweersproken gesteld dat de klacht uitsluitend ziet op het persoonlijk handelen van beklaagde en niet (mede) is gericht tegen een bij het Kifid aangesloten financiële dienstverlener. Reeds daarom is niet voldaan aan alle cumulatieve vereisten van artikel 4 van het reglement.

Voorts overweegt de tuchtcommissie dat de enkele omstandigheid dat naast de onderhavige tuchtprocedure tevens een civielrechtelijke procedure dan wel een procedure bij het Kifid loopt, op zichzelf onvoldoende is om misbruik van recht aan te nemen. De tuchtcommissie ziet in hetgeen beklaagde heeft aangevoerd geen aanleiding om te oordelen dat klager misbruik maakt van recht.

Met betrekking tot punt 2 overweegt de tuchtcommissie als volgt.

In het reglement van de Tuchtcommissie NIVRE is bepaald dat de klager, alvorens zich tot de commissie te wenden, binnen drie jaar na de datum van het (schade)voorval zijn klacht schriftelijk aan de beklaagde kenbaar dient te maken. De beklaagde dient vervolgens uiterlijk binnen één maand na ontvangst van de klacht schriftelijk te reageren.
Indien deze reactie uitblijft of niet leidt tot een voor klager aanvaardbare oplossing, dient de klager zijn klacht binnen drie maanden na het verstrijken van deze reactietermijn, dan wel na ontvangst van de reactie, voor te leggen aan het Klachtenloket NIVRE.

Beklaagde heeft aangevoerd dat klager niet binnen de daarvoor gestelde termijn van drie maanden de klacht bij het Klachtenloket heeft ingediend.

De tuchtcommissie stelt vast dat klager een afsluitingsbrief van het Klachtenloket van 14 oktober 2025 in het geding heeft gebracht. Daarnaast bevindt zich in het dossier een brief van 22 juli 2025, waarin klager per e-mail aan beklaagde kenbaar maakt recent bekend te zijn geworden met de tuchtprocedure en voornemens te zijn een klacht in te dienen. Vaststaat dat beklaagde op 30 juli 2025 inhoudelijk heeft gereageerd. Vanaf dat moment is de termijn van drie maanden als bedoeld in het reglement aangevangen.

Voorts overweegt de tuchtcommissie dat, anders dan beklaagde stelt, de klachtenprocedures bij het Kifid en de Autoriteit Persoonsgegevens wezenlijk andere procedures betreffen, met een eigen rechtsdoel. De correspondentie in die procedures kan daarom niet worden aangemerkt als het schriftelijk kenbaar maken van ongenoegen aan beklaagde in persoon, zoals vereist op grond van het reglement. Dit geldt temeer nu die procedures niet tegen beklaagde, maar tegen de verzekeraar zijn gericht.

Dit brengt mee dat de termijn van drie maanden niet is aangevangen op het moment dat de verzekeraar heeft gereageerd in het kader van die procedures. De termijn is eerst gaan lopen op 30 juli 2025, zijnde het moment waarop beklaagde zelf inhoudelijk op de klacht van klager heeft gereageerd.

Gelet op het voorgaande is de tuchtcommissie van oordeel dat klager de klacht tijdig bij het Klachtenloket heeft ingediend. Van niet-ontvankelijkheid op deze grond is derhalve geen sprake.

Derhalve wordt als volgt beslist.

Beslissing

De tuchtcommissie verklaart zich bevoegd het geschil te behandelen en verklaart klager ontvankelijk in haar klacht.

Aldus beslist door de Geschillencommissie Tuchtcommissie NIVRE, bestaande uit de heer mr. A.R.O. Mooy, voorzitter, in aanwezigheid van mr. L.H.A. van Doorn, secretaris, op 30 april 2026.

Opslaan als PDF