Commissie: Energie
Categorie: Kosten
Jaartal: 2025
Soort uitspraak: Niet-ontvankelijkverklaring
Uitkomst: niet-ontvankelijk
Referentiecode:
868341/945231
De uitspraak:
Waar gaat de uitspraak over?
De commissie verklaart de consument niet-ontvankelijk in haar klacht. Zowel in de wet als in de algemene voorwaarden van de ondernemer als in het reglement van de commissie komen bepalingen voor die de klachtplicht en de verjaring regelen. Nu pas na vier jaar wordt geklaagd is sprake van termijnoverschrijding.
Volledige uitspraak
Onderwerp van het geschil
Het geschil vloeit voort uit een op 20 juli 2016 tot stand gekomen overeenkomst. De ondernemer heeft zich daarbij verplicht tot het leveren van energie. Het geschil betreft niet eerder in rekening gebrachte verbruikskosten over de periode 20 juli 2016 – 25 september 2020 zijnde een bedrag van € 3.876,–. De consument wenst toepassing van de zogeheten methode Vink op grond van verjaring, omdat is nagelaten in een periode van meer dan twee jaar de meterstanden op te nemen. Zij wenst dat de jaarnota 2020 en de correctienota van de jaarnota 2019 worden gecorrigeerd.
De consument heeft de klacht eerst voorgelegd aan de ondernemer.
Standpunt van de consument
Voor het standpunt van de consument verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. In de kern komt het standpunt op het volgende neer.
Het gaat feitelijk om twee onjuist vastgestelde correctie jaarafrekeningen. Namelijk € 1.138,– in 2019 en
€ 2.738,– betreffende een onjuiste correctienota jaarafrekening 2020.
De op 25 juli 2020 door de ondernemer gecorrigeerde jaarafrekening voor gas en elektriciteit over de periode augustus 2018 tot en met juli 2019 en de jaarafrekening voor de periode augustus 2019 tot met juli 2020 met datum 28 juli 2020 zijn feitelijk naheffingen over het verbruik van gas en elektriciteit vanaf datum aanvang levering gas en elektriciteit. Dit omdat de ondernemer vanaf het moment van het leveren van gas en elektriciteit in strijd met haar wettelijke plicht heeft nagelaten om bij de consument de meterstanden in haar woning op te nemen.
Indien de ondernemer het meer dan twee jaar nalaat om meterstanden op te nemen dan dient de ondernemer ervan af te zien om meer dan twee verbruiksjaren bij de consument na te heffen. De levering van gas en energie betreft immers een consumentenkoop wat inhoudt dat het overige verbruik is verjaard. Ik verwijs naar de reeds decennia lang vaste uitspraken van de Geschillencommissie Energie die in dit kader de zogeheten berekeningsmethode Vink hanteert.
De methode Vink houdt in dat het fysiek opnemen van de meterstand minimaal één keer per drie jaar door de ondernemer dient te geschieden en indien dit wordt verzuimd een naheffing anders beperkt dient te blijven tot enkel drie verbruiksjaren en waarbij de correctienota’s dienen te worden opgesteld en herberekend conform de methode Vink. Deze verbruiksperiode is inmiddels verkort tot maximaal twee jaren sinds de levering van energie en gas wettelijk als een consumentenkoop is aangemerkt met dienovereenkomstig de tweejarige wettelijke verjaringstermijn.
Kortom de ondernemer dient de aan de consument laatstelijk twee toegezonden jaarrekeningen met datum 25 juli 2020 en 28 juli 2020 te corrigeren door correctie nota’s op te maken en de beide nota’s te crediteren op zodanige wijze dat het in rekening gebrachte gas- en elektriciteitsverbruik vanaf datum aanvang levering tot aan 25 juli 2020 conform de methode Vink wordt beperkt tot een naheffing over maximaal twee jaren.
Totdat de ondernemer dit heeft gedaan dient de inning van de onjuiste jaarafrekeningen per ommegaande te worden opgeschort en de opschorting schriftelijk te worden bevestigd.
De klacht is al eerder schriftelijk bij de ondernemer neergelegd met een uitgebreide toelichting en verwijzing naar relevante uitspraken van de Geschillencommissie. Desondanks blijft de ondernemer dit botweg weigeren waardoor de consument genoodzaakt is zich tot de commissie te wenden.
De betwiste hoofdsom was in totaal volgens incassobureau Vesting Finance (dus exclusief de incassokosten) € 3.521,28. De consument voldoet op grond van een getroffen betalingsregeling d.d. 17 november 2023 maandelijks € 50,– aan Vesting Finance en heeft inmiddels al zo’n € 1.870,– voldaan.
De ondernemer dient de aan de consument laatstelijk twee toegezonden jaarrekeningen met datum 25 juli 2020 en 28 juli 2020 te corrigeren door correctie nota’s op te maken en beide nota’s te crediteren op zodanige wijze dat het aan de consument in rekening gebrachte gas- en elektriciteitsverbruik vanaf datum aanvang levering tot aan 25 juli 2020 aan de consument wordt beperkt tot een naheffing over maximaal twee jaren.
Standpunt van de ondernemer
Voor het standpunt van de ondernemer verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. In de kern komt het standpunt op het volgende neer.
Wij weerspreken de door consument gestelde klacht.
De consument is op 20 juli 2016 een eenjarige leveringsovereenkomst met als einddatum 20 juli 2017 voor de producten stroom en gas met ons aangegaan. De consument heeft zowel voor als na het verstrijken van de vervaldatum van het contract per 20 juli 2017 geen nieuw contract afgesloten met ons. Derhalve is het contract na de vervaldatum automatisch overgegaan naar een contract voor onbepaalde tijd. Anders gezegd, het contract is na de vervaldatum automatisch overgezet naar een variabel contract met de dan geldende tarieven. Dit is gebeurd conform artikel 21 lid 6 van onze Algemene Voorwaarden 2017.
Wij stellen ons allereerst op het standpunt dat de consument niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in haar klacht op grond van artikel 6 lid 1 van het reglement van de Commissie, waarin is bepaald dat een klacht binnen twaalf maanden na het indienen bij de leverancier aanhangig moet worden gemaakt bij de Commissie. De consument is op 25 september 2020 overgestapt naar een andere energieleverancier. De jaarnota’s waar de consument aan refereert (2019 en 2020) in haar vragenformulier, vallen buiten de gestelde termijn. De klacht van de consument is ruim vier jaar na dato ingediend, hetgeen evident buiten de gestelde termijn valt. De consument geeft in haar vragenformulier aan dat het geschil betrekking heeft op deze twee jaarnota’s van 2019 en 2020. Wij willen benadrukken het opmerkelijk te vinden dat de consument na ruim vier jaar haar ongenoegen uit over deze twee jaarnota’s. Bij ons rijst de vraag wat de reden is dat de consument deze kwestie niet toentertijd rechtstreeks aan ons heeft kenbaar gemaakt. De klacht is daarmee verjaard en niet meer vatbaar voor verdere behandeling. Wij hebben geen vragen en of klachten na het opstellen van beide nota of in de jaren daarna van de consument ontvangen. Dit geschil is dan ook overduidelijk niet-ontvankelijk. Ook een beroep op ‘redelijkheid of billijkheid’ is niet op zijn plaats, nu de consument ruimschoots de tijd en gelegenheid heeft gehad zich tot ons en de Commissie te wenden. Hiermee is niet voldaan aan de vereiste van artikel 6 lid 1 sub a van het regelement, waarin zoals hierboven vermeld, is bepaald dat een klacht eerst aan de ondernemer dient te worden voorgelegd voordat het als geschil aanhangig wordt gemaakt. Derhalve verzoeken wij de klacht niet ontvankelijk te verklaren i.v.m. het niet juist opvolgen van de gestelde procedure.
Mocht de Commissie toch besluiten deze klacht ontvankelijk te verklaren, voeren wij het volgende inhoudelijke verweer. De consument heeft per 28 juli 2020 met notanummer 778939241 van ons de jaarnota 2020 ontvangen. Op de betreffende jaarnota hebben wij op basis van de ontvangen meterstanden per 10 juli 2020 afkomstig van de consument zelf het verbruik bij haar in rekening gebracht. De consument heeft de meterstanden als reactie op ons bericht van 9 juli 2020 doorgegeven. Het hoogverbruik op deze nota heeft voornamelijk betrekking op het gasverbruik van de consument. Wij hebben op de jaarnota 2017 en 2018 0 m³ bij de consument in rekening gebracht. Op de jaarnota 2017 heeft de consument ten onrechte een bedrag van € 333,47 terugontvangen en op de jaarnota 2018 diende zij een bedrag van
€ 3,22 bij te betalen (ze heeft in deze periode maandelijks slechts € 44,– aan voorschot heeft betaald). Deze naheffingsnota van 2020 is een verschuiving van de niet eerder in rekening gebrachte verbruiken. Op deze jaarnota heeft de consument in totaal 6.385 m³ in rekening gebracht gekregen. Gedurende de verbruiksperiode (20 juli 2016 – 25 september 2020) dat de consument klant was heeft zij, ondanks ons herhaaldelijk verzoek, slechts twee keer meterstanden doorgegeven: op 19 juli 2017: 49.476 m³ en op 10 juli 2020: 55.861 m³. Het betekent dat wij gerechtigd waren de consument over die periode in totaal 6.385 m³ (= 55.861 m³ – 49.476 m³) in rekening te brengen. Op de jaarnota van 2020 hebben wij echter in totaal 6.343 m³ in rekening gebracht.
Echter als de consument tijdig en juist de meterstanden voor zowel haar stroom- als gasmeter had doorgegeven, dan had zij deze hogere naheffing kunnen voorkomen. Het te betalen verbruik zou dan over vier jaarnota’s worden verdeeld. Afgaande op het geschatte stroomverbruik op de jaarnota’s 2017-2019 is dit verbruik na de ontvangst van de meterstanden per 10 juli 2020 als navordering van het niet eerder in rekening gebrachte verbruik geweest, waartoe wij ingevolge artikel 9 lid 7 van de toepasselijke voorwaarden gerechtigd waren dit alsnog bij de consument in rekening te brengen. De consument had deze hoge jaarnota kunnen voorkomen door haar voorgaande jaarnota’s tijdig te controleren, dan wel tijdig de juiste meterstanden door te geven, waartoe zij ingevolge artikel 8 lid 1 en artikel 9 lid 5 gehouden is. Het had daarom op de weg van de consument gelegen om hier tijdig een melding van te maken.
Ondanks ons verzoek heeft de consument bij de aanvang van haar leveringsovereenkomst nagelaten haar meterstanden door te geven. Aangezien wij van de consument geen beginmeterstanden hadden ontvangen, hebben wij deze beginmeterstanden van zowel gas als stroom dan ook moeten berekenen (schatten). Dit kon de consument ook terugvinden op de jaarnota van 2017. Voor het opmaken van de jaarnota 2018 hebben wij de consument inclusief de aankondiging van de nota maar liefst drie keer om meterstanden gevraagd zonder enig resultaat. Hierdoor hebben wij het verbruik, zoals eerder vermeld, op de reguliere jaarnota van 2018 moeten berekenen. Wij verwijzen nogmaals naar artikel 9 lid 7 van de toepasselijke voorwaarden waarbij bepaald is: ‘Krijgen wij de gegevens van uw elektriciteitsmeter en of gasmeter niet op tijd? Of gaat bij het opnemen of verwerken van de meetgegevens iets fout, dan mogen wij berekenen hoeveel elektriciteit en of gas u geleverd heeft gekregen. Krijgen wij alsnog de juiste meetgegevens? Dan bekijken wij hoeveel elektriciteit en of gas u werkelijk geleverd heeft gekregen en brengen wij die werkelijke hoeveelheid in rekening.’
De consument behoorde te weten dat het doorgeven van de meterstanden noodzakelijk is voor het opmaken van de juiste jaarnota. Onderaan op de desbetreffende jaarnota’s hebben wij ook nog vermeld dat in rekening gebrachte verbruiken berekend/ geschat zijn. Deze opmerking is gemarkeerd met een *, wat volstaat met de volgende tekst: ‘Deze stand is door ons berekend, omdat we uw meterstanden niet konden verwerken. Meestal ligt deze stand in de buurt van uw huidige stand. Wijken de standen veel af, geef dan binnen 2 maanden de juiste standen voor deze nota door. Bij grote afwijkingen corrigeren we de nota voor u’.
Voor het opmaken van de jaarnota 2017 hebben wij aan de consument, inclusief de aankondiging van de jaarnota, nog een paar keer tevergeefs om de meterstanden gevraagd. Zowel voor het opmaken van jaarnota 2017 (voor een deel), jaarnota 2018 als de jaarnota 2020 hebben wij ondanks onze inspanningen helaas geen meterstanden van de consument mogen ontvangen. Wel heeft de consument voor het opmaken van de jaarnota 2017 voor een deel (19 juli 2017) en de jaarnota 2020 de meterstanden van zowel haar stroom- als de gasmeter doorgegeven, waardoor wij twee harde standen tussen periode 19 juli 2017 tot 10 juli 2020 van de consument hebben doorgekregen.
Wij vinden het spijtig dat de consument achteraf met een hogere jaarnota 2020 is geconfronteerd. Deze naheffing is een verschuiving van de niet eerder in rekening gebrachte verbruiken. Echter, als de consument tijdig en juist de meterstanden had doorgegeven, dan had zij deze hogere naheffing kunnen voorkomen. Het te betalen verbruik zou dan over vier jaarnota’s worden verdeeld. Wij hebben in dit dossier meer dan voldoende inspanning geleverd voor het opvragen van de meterstanden bij de consument. Ook de netbeheerder heeft nog inspanningen geleverd door een aanbod te doen van slimme meters. Helaas heeft de consument hier ook niet adequaat op gereageerd. Dat de consument de gevraagde informatie niet tijdig of onvolledig heeft aangeleverd, kan niet aan ons worden tegengeworpen. Wij handhaven derhalve de aangeboden nota’s.
De consument verlangt in het vragenformulier toepassing van de methode Vink bij consumentenkoop, omdat wij volgens de consument niet binnen een periode van meer dan twee jaar langs zouden zijn geweest om de meterstanden op te nemen. Allereerst willen wij langs deze weg benadrukken dat de methode Vink, waar de consument thans een beroep opdoet, inmiddels achterhaald is door toepassing van de gewijzigde regels aangaande consumentenkoop, waarbij een verjaringstermijn geldt van twee jaar. De bewering van de consument dat wij niet langs zijn geweest voor het opnemen van de meterstanden klopt volledig. Het is namelijk niet de taak en de verantwoordelijkheid van een energieleverancier om de meterstanden bij haar klanten fysiek op te nemen. Deze taak behoort sinds de liberalisering van de energiemarkt bij de lokale netbeheerder. In Nederland bestaat er een scheiding tussen de netbeheerder en leverancier. De stroom- en gasmeter in het perceel van de consument is eigendom van netbeheerder Enexis. Wij hebben hier als energieleverancier dan ook geen enkel zeggenschap over de werking, vervanging of de opname van de meterstanden. Wij hebben bij Enexis navraag gedaan over het fysieke opnamen van meterstanden tussen periode 20 juli 2016 tot 25 september 2020. Gezien het bovenstaande mag de consument dan ook duidelijk zijn dat wij voldoende inspanningen hebben geleverd voor het vervullen van onze zorgplicht en verantwoordelijkheden. Het mag niet zo zijn dat wij een verjaring moeten toepassen (een deel van het genoten verbruik in mindering moeten brengen), omdat de consument haar plicht voor het doorgeven van haar meterstanden, ondanks herhaaldelijke verzoeken, heeft nagelaten.
Wij verzoeken de Commissie om de klacht van de consument niet-ontvankelijk te verklaren op grond van termijnoverschrijding. De naheffing op de jaarnota 2020 betreft een inhaalslag omdat er in de drie voorgaande jaren minder was gefactureerd dan afgenomen. Wij hebben bij de consument datgene in het rekening gebracht wat zij heeft verbruikt. Voor het daadwerkelijk afgenomen verbruik dient immers betaald te worden. Verder behoorde de consument te weten dat het voor het opmaken van de jaarnota’s het tijdig en juist doorgeven van meterstanden is vereist. Dat zij dat heeft nagelaten kan zij nu achteraf niet aan ons verwijten, wij hebben namelijk wel voldoende inspanning en verantwoordelijkheid genomen om de aangeboden jaarnota op een zo correct mogelijk manier op te maken. Gelet op het vorenstaande verzoeken wij de commissie de klacht in al haar onderdelen ongegrond te verklaren, aangezien:
· De consument structureel heeft nagelaten meterstanden aan te leveren.
· De jaarnota’s van 2019 en 2020 een rechtmatige correctie bevatten van verbruik dat nooit eerder was afgerekend.
· De consument heeft zelf gekozen geen slimme meters te laten plaatsen.
· Geen enkel bezwaar is gemaakt binnen een redelijke termijn.
· De aangevoerde argumentatie ( o.a. Methode-vink) niet relevant of actueel is.
Beoordeling van het geschil
De commissie heeft het volgende overwogen.
De ondernemer heeft pas kort voor de geplande zitting schriftelijk verweer gevoerd en daarbij allereerst gesteld dat de consument niet-ontvankelijk moet worden verklaard. Omdat de termijn tussen de datum van het ingediende verweer en de datum van de zitting zeer kort was, is besloten deze zaak toch te behandelen omdat als eerst (buiten de aanwezigheid van partijen) de ontvankelijkheid moest worden beoordeeld er sprake zou zijn van een aanmerkelijke vertraging. Bovendien is de consument op deze wijze in de gelegenheid gesteld zich uit te laten over de al dan niet niet-ontvankelijkheid en zou de commissie als zij tot ontvankelijkheid zou besluiten de zaak inhoudelijk kunnen behandelen zoals de consument ook had verwacht.
Tussen partijen is niet in geschil dat de consument op 20 juli 2016 een eenjarige leveringsovereenkomst heeft afgesloten voor de producten stroom en gas en dat na het verstrijken van de vervaldatum van het contract per 20 juli 2017 er sprake was van een contract voor onbepaalde tijd conform artikel 21 lid 6 van de Algemene Voorwaarden 2017 van de ondernemer.
Evenmin is in geschil dat dat de klacht van de consument betrekking heeft op twee jaarafrekeningen uit 2019 en 2020, gedateerd 25 juli 2020 (gecorrigeerde jaarafrekening voor gas en elektriciteit over de periode augustus 2018 tot en met juli 2019) en 28 juli 2020 (correctie nota jaarafrekening 2020) en dat de consument zich op 2 oktober 2024 bij brief van haar gemachtigde tot de ondernemer heeft gewend om bezwaar te maken tegen de beide hiervoor genoemde nota’s.
De commissie zal de consument niet-ontvankelijk verklaren. Zowel in de wet als in de algemene voorwaarden van de ondernemer als in het reglement van de commissie komen bepalingen voor die de verjaring regelen. Doel van verjaring is zaken binnen een redelijke termijn af te sluiten en rechtszekerheid te bieden aan alle partijen die betrokken zijn bij een juridische kwestie. De commissie wijst in deze op artikel 7:28 BW waarin is bepaald dat bij een consumentenkoop de rechtsvordering tot betaling van de koopprijs verjaart door verloop van twee jaren. Dit betekent dat ondernemers geen aanspraak kunnen maken op (extra) betaling na het verstrijken van een termijn van twee jaar.
Evenzo dienen klachten binnen een bekwame termijn te worden ingediend.
In dit geval heeft de consument meer dan vier jaar nadat zij de betreffende nota’s ontving bezwaar daartegen gemaakt. Daarmee heeft de consument de termijn om een klacht in te dienen overschreden. De commissie wijst hierbij op artikel 6:89 BW waarin is bepaald dat binnen een bekwame tijd moet worden geklaagd, artikel 13 van de Algemene voorwaarden van de ondernemer (niet eens met nota), artikel 14 van de Algemene voorwaarden van de ondernemer (verjaring van vorderingen) en artikel 6 van het Reglement van deze commissie alsook artikel 7: 23 lid 2 BW dat rechtsvorderingen en verweren (…) verjaren door verloop van twee jaren (…).
De commissie oordeelt op grond van de genoemde bepalingen dat nu de consument pas na ruim vier jaar zich tot de ondernemer wendt dit te laat is geschied. Naar het oordeel van de commissie impliceert artikel 13 van de Algemene voorwaarden van de ondernemer dat binnen in ieder geval één jaar na de ontvangst van een jaarnota daarover wordt geklaagd als de consument niet kan instemmen met die nota. Nu dat niet is geschied impliceert dit dat ook niet is voldaan aan artikel 6 van het Reglement van deze commissie nu de consument haar klacht niet (tijdig) bij de ondernemer heeft ingediend.
Op grond van het voorgaande is de consument niet-ontvankelijk in haar klacht.
Derhalve wordt als volgt beslist.
Op grond van het voorgaande is de consument niet-ontvankelijk in de klacht.
Derhalve wordt als volgt beslist.
Beslissing
De consument wordt in haar klacht niet-ontvankelijk verklaard.
Aldus beslist door de Geschillencommissie Energie, bestaande uit de heer prof. mr. A.W. Jongbloed, voorzitter, de heer drs. G.J. Visser, mevrouw J.M.A. van Haren, leden, op 7 juli 2025.
de heer prof. mr. A.W. Jongbloed
Datum verzending
: 23 juli 2025
Zaaknummer
: 868341/945231
De uitspraak die de commissie heeft gedaan, is bindend voor beide partijen en vormt het sluitstuk van de procedure. De commissie kent geen mogelijkheid om tegen de uitspraak in beroep te gaan of deze te herzien. Ook niet in het geval van nieuwe feiten of argumenten. U kunt wel binnen 2 maanden na de verzenddatum van de uitspraak aan de burgerlijke rechter vragen de uitspraak te vernietigen. De andere partij heeft die mogelijkheid ook.
De rechter kan de uitspraak vernietigen als hij vindt dat de uitspraak onaanvaardbaar is; inhoudelijk of door de wijze van totstandkoming. Wanneer de uitspraak niet binnen 2 maanden door een van de partijen aan de burgerlijke rechter is voorgelegd door dagvaarding van de andere partij, kan de uitspraak niet meer ongedaan gemaakt worden.