Klachttermijn start na het ontstaan van de klacht, niet na de voltooiing van de werkzaamheden. Consument ontvankelijk.

  • Home >>
  • Waterrecreatie >>
De Geschillencommissie
Print Friendly, PDF & Email




Commissie: Waterrecreatie    Categorie: Ontvankelijkheid    Jaartal: 2013
Soort uitspraak: -   Uitkomst: -   Referentiecode: WAT06-0004

De uitspraak:

Onderwerp van het geschil

De ontvankelijkheid van de klacht van de consument.   Standpunt van de consument   Het standpunt van de consument luidt in hoofdzaak als volgt.   Twee weken nadat de verfwerkzaamheden door de ondernemer (in 2003) hadden plaatsgevonden heeft de consument plekken aan de boot ontdekt die onvoldoende waren geverfd. Op deze plaatsen was de schuurkleur nog zichtbaar. Daarnaast ontdekte de consument een blaas in de lak. Beide klachten, die als gevolg van het ondeugdelijk schilderwerk van de ondernemer waren ontstaan, zijn door de consument daags daarna aan de ondernemer gemeld. Omdat de boot van de consument destijds nog geen 200 meter van het kantoor van de ondernemer een vaste, overdekte ligplaats had, en omdat de contacten tussen de consument en de ondernemer destijds nog prima waren, heeft de consument zijn klachten mondeling aan de ondernemer kenbaar gemaakt. De ondernemer heeft de klacht van de consument inderdaad in behandeling genomen en de bewuste blaas en plekken proberen weg te werken. Echter voor aanvang van het daarop volgende vaarseizoen ontdekte de consument dat diezelfde roestplekken opnieuw begonnen te ‘werken’. Ditmaal ontstond op deze plaatsen zelfs roest. Ook waren er wederom blazen in de lak te constateren. Om dezelfde redenen als hiervoor genoemd heeft de consument de ondernemer wederom mondeling op de hoogte gesteld van deze klachten. De consument en de ondernemer zijn tot oktober 2005 met elkaar in contact gebleven om deze kwestie in der minne op te kunnen lossen. Dit blijkt onder meer uit de correspondentie die tussen partijen in die periode is gevoerd en ook het inschakelen van een expert zag toe op het mogelijk kunnen komen tot een oplossing van het geschil in der minne.   Op 20 februari 2006 is de ondernemer door de rechtsbijstand van de consument aangeschreven teneinde alsnog een oplossing buiten rechte te bereiken. De ondernemer heeft de consument daarop op 22 februari 2006 telefonisch benaderd. Dit gesprek verliep dermate onprettig dat de consument eerst op dat moment aanvoelde dat een oplossing in den minne niet zou kunnen worden bereikt en dat hij er alles aan had gedaan om zulks wel te bewerkstelligen. Pas op 22 februari 2006 leek het aanhangig maken van het geschil bij de geschillencommissie voor de consument dan ook nog de enige mogelijkheid in deze. Vervolgens is het klachtenformulier op 3 maart 2006 aan de commissie gezonden.   Op grond van het voorgaand betwist de consument dat hij de klachten niet tijdig aan de ondernemer kenbaar zou hebben gemaakt en dat hij het geschil niet tijdig bij de commissie aanhangig zou hebben gemaakt.   Standpunt van de ondernemer   Het standpunt van de ondernemer luidt in hoofdzaak als volgt.   Op basis van artikel 16 lid 3 [branche] voorwaarden wordt een geschil door de geschillencommissie slechts in behandeling genomen, indien de consument zijn klacht eerst binnen bekwame tijd aan de ondernemer heeft voorgelegd. De consument heeft dat nagelaten. Vóór aanvang van het vaarseizoen in 2003 heeft de ondernemer het dak en de romp van de toen ongeveer 20 jaar oude boot in opdracht van de consument geschilderd. De consument was zeer tevreden over de door de ondernemer verrichtte werkzaamheden en heeft de rekeningen voldaan. Vervolgens heeft de consument zonder klachten ter zake het hele vaarseizoen 2003 met de boot gevaren.   Indien de consument meende dat de ondernemer in verzuim was, had hij de ondernemer tijdig en schriftelijk in gebreke moeten stellen en de ondernemer een redelijke termijn moeten stellen voor nakoming. Zulks is niet gebeurd.   Toen het vaarseizoen in 2004 al enige tijd was begonnen (derhalve ruim een jaar na nakoming van de opdracht) kwam de consument bij de ondernemer in verband met twee roestplekjes c.q. blaasjes op de romp van de boot. De plekjes c.q. blaasjes waren ontstaan door verzeping van de onderliggende -niet door de ondernemer aangebrachte – plamuurlagen en de ondernemer heeft van begin af aan gezegd dat bij een oude boot als onderhavige een dergelijk euvel zich na verloop van tijd kon voordoen. Zonder hiertoe verplicht te zijn – omdat de plekjes c.q. blaasjes niet waren ontstaan ten gevolge van een tekortkoming zijdens de ondernemer – heeft de ondernemer toen uit coulance en als service aangeboden deze plekjes c.q. blaasjes weg te werken en dit vervolgens ook kosteloos gedaan. Vervolgens heeft de consument de rest van het seizoen 2004 wederom zonder klachten over het verfwerk gevaren met de boot.   In het begin van de zomer van 2005, toen de consument al 2 vaarseizoenen met de boot had gevaren en het derde vaarseizoen al enige tijd was aangevangen, meldde de consument zich weer bij de ondernemer. Het gaat in dit stadium te ver om de gang van zaken nadien geheel te omschrijven en om in detail uiteen te zetten waarom de klacht van de consument ongegrond is. De consument heeft nagelaten zijn klacht binnen bekwame tijd aan de ondernemer voor te leggen en heeft vervolgens nagelaten deze klacht tot uiterlijk drie maanden nadien conform het bepaalde in artikel 16 lid 4 [branche] voorwaarden aan de geschillencommissie voor te leggen. De consument heeft het eerste ruim een jaar na dato gedaan en het tweede pas na twee jaar. Inmiddels zijn er 3 jaar verstreken sinds de opdracht deugdelijk is uitgevoerd.   Op grond van het bovenstaande verzoekt de ondernemer de geschillencommissie het onderhavige geschil niet in behandeling nemen c.q. klager in zijn klacht niet-ontvankelijk te verklaren.   Beoordeling van het geschil   De commissie heeft het volgende overwogen.   Uit het door de ondernemer gestelde maakt de commissie op dat de ondernemer veronderstelt dat uit de [branche]-voorwaarden volgt dat de consument de klacht binnen bekwame tijd na de voltooiing van de werkzaamheden aan de ondernemer dient voor te leggen. Deze veronderstelling berust op een verkeerde lezing van de [branche]-voorwaarden. Op grond van art 16 lid 3 van genoemde voorwaarden dient de klacht binnen bekwame tijd aan de ondernemer te worden voorgelegd. De termijn begint derhalve eerst te lopen na het ontstaan van de klacht.   De commissie stelt vervolgens vast dat de consument vanaf het moment dat hij gebreken constateerde, steeds bij de ondernemer geklaagd heeft. Daarbij leken de klachten in eerste instantie door de ondernemer te zijn verholpen, doch toen dat volgens de consument toch niet het geval bleek te zijn, heeft hij wederom geklaagd bij de ondernemer en de ondernemer in staat gesteld een oplossing te bieden.   Voorgaande in aanmerking genomen geeft hetgeen door de ondernemer is gesteld geen aanleiding te concluderen dat de consument de ondernemer niet tijdig in staat gesteld heeft de klachten te verhelpen.   Nadat in februari 2006 bleek dat een minnelijke oplossing niet bereikt zou worden, heeft de consument op 6 maart 2006 het geschil bij de commissie aanhangig gemaakt, hetgeen naar het oordeel van de commissie tijdig is. Een redelijke uitleg van art. 16 lid 4 van de [branche]-voorwaarden brengt naar het oordeel van de commissie namelijk mee dat de aldaar genoemde termijn voor het aanhangig maken van het geschil bij de commissie eerst begint te lopen op het moment dat er sprake is van een geschil tussen partijen. Daarvan is eerst sprake indien voor de consument duidelijk behoort te zijn dat een onderlinge oplossing niet meer tot de mogelijkheden behoort.   Op grond van het voorgaande is de consument ontvankelijk in zijn klacht. De behandeling van het geschil zal daarom op de gebruikelijke wijze worden voortgezet.   Derhalve wordt als volgt beslist.   Beslissing   De consument wordt in zijn klacht ontvankelijk verklaard.   Aldus beslist door de Geschillencommissie Waterrecreatie op 18 mei 2006.