Leveranciersmodel: ondernemer tekort geschoten in functie collecteren, valideren, berekenen en vaststellen.

  • Home >>
  • Energie >>
De Geschillencommissie
Print Friendly, PDF & Email




Commissie: Energie    Categorie: Zorgvuldigheid    Jaartal: 2017
Soort uitspraak: -   Uitkomst: -   Referentiecode: 106830

De uitspraak:

Onderwerp van het geschil

Het geschil betreft de jaarnota van de ondernemer van 24 mei 2016 (voor meer in het bijzonder de levering van warmte) waarbij de consument een bedrag van € 814,71 diende bij te betalen (en inclusief het verschuldigde voorschot in totaal € 957,71).
 
De consument heeft op 6 juni 2016 de klacht aan de ondernemer voorgelegd. 

Standpunt van de consument

Het standpunt van de consument luidt in hoofdzaak als volgt.

Qua meterstanden is het misgegaan bij het telefonisch doorgeven aan de ondernemer en de ondernemer wenst dat niet meer te corrigeren. Het bedrag dat de consument moet bijbetalen kan niet kloppen en is veel te hoog. De consument woont zelfstandig met twee kinderen. De consument en haar ex-partner huurden sedert medio mei 2014 woonruimte waarbij haar ex-partner contractant was bij de ondernemer. Per april 2015 is de ex-partner van de consument vertrokken en heeft de consument zelf een energiecontract met de ondernemer gesloten. Toen is een stand (telefonisch) doorgegeven aan de ondernemer van 74,277 voor warmte. In augustus 2016 heeft de consument alle standen (die zij op een papiertje had genoteerd) nogmaals doorgegeven aan de ondernemer, maar die heeft dat niet geaccepteerd. De beginstand per datum contract met haar ex-partner was 52,842 GJ en de beginstand die gebruikt is per datum van het contract van de consument zelf vanaf april 2015 bedraagt 53,673 GJ.

Ter zitting heeft de consument verder nog – in hoofdzaak – het volgende aangevoerd.

Met behulp van twee medewerkers van het buurtteam heeft de consument bij het aangaan van haar eigen contract bij de ondernemer een stand opgegeven voor warmte van 74,277 GJ. In augustus 2016 heeft de consument nogmaals onder meer die stand doorgegeven aan de ondernemer. De ex-partner van de consument is uiteraard verantwoordelijk en aansprakelijk voor het over de periode van zijn contract (vanaf ultimo mei 2014 tot medio april 2015) genoten verbruik van warmte; dat kan de ondernemer niet zomaar voor rekening brengen van de consument. Bovendien had de ondernemer als hij niet beschikte over de juiste meterstanden die ook zelf nog wel kunnen opvragen dan wel iemand langs kunnen sturen.

De consument verlangt dat de ondernemer een correctienota zal maken dan wel iemand zal langs sturen om de meterstanden kosteloos op te nemen.

Standpunt van de ondernemer

Het standpunt van de ondernemer luidt in hoofdzaak als volgt.

Omstreeks 20 mei 2016 hebben wij aan de consument de reguliere jaarnota aangeboden. Daarin wordt het warmteverbruik over de periode 13 april 2015 (start datum contract) tot 11 april 2016 afgerekend. Per de startdatum van het contract wordt door de ondernemer een beginstand van 53,673 GJ aangehouden. Feitelijk heeft de consument bij aanvang van de leveringsovereenkomst in april 2015 geen beginstand voor warmte aan de ondernemer doorgegeven, waardoor de ondernemer genoodzaakt was om de beginstand te schatten. In 2016 hebben wij van de consument een eindstand van 92,00 GJ ontvangen, hetgeen een totaalverbruik genereert van 36,327 GJ. Uit de huurovereenkomst blijkt dat de consument samen met haar ex-partner op 15 mei 2014 een huurovereenkomst is aangegaan met de verhuurder op het verbruiksadres. Vervolgens is de ex-partner per 26 mei 2014 een leveringsovereenkomst met de ondernemer aangegaan voor de levering van warmte en elektriciteit. Daaruit volgt dat beide partners aansprakelijk zijn voor het afgenomen verbruik. Vlak voor de eerste jaarnota van 2015 is er op of omstreeks 13 april 2015 een nieuwe overeenkomst aangegaan door de consument zelf voor het verbruik vanaf die datum. Feitelijk was de consument in de voorgaande periode dus medeverbruiker volgens de ondertekende huurovereenkomst en daardoor medeaansprakelijk voor het afgenomen verbruik aangezien sprake was van een gezamenlijke huishouding en de consument dientengevolge medeverantwoordelijkheid draagt voor het afgenomen verbruik. Indien de consument van mening blijft dat het afgenomen verbruik over de periode 2014/2015 gezamenlijk of door haar ex-partner betaald dient te worden, dan dient zij dat zelf in onderling overleg met hem te regelen. De ondernemer is daarin geen partij. Volgens het opleverrapport (van de huurwoning) was de beginstand per verhuurdatum in 2014 52,842 GJ. Bij de verhuizing van haar ex-partner in april 2015 heeft de ondernemer helaas ook geen eindstanden van de ex-partner ontvangen ten behoeve van de eindnota, waardoor de ondernemer genoodzaakt was een eindnota op te maken op basis van geschatte eindstanden. De consument levert in september 2016 op een kladbriefje een meterstand voor warmte aan voor 74,277 GJ. Niet duidelijk is wanneer deze meterstand door de consument is opgenomen. Op basis van deze stand als beginmeterstand zou er in de gezamenlijke periode ruim 21 GJ zijn verbruikt, hetgeen normaal te kwalificeren is. Vanaf het moment van voortzetting van de levering op eigen naam, heeft de consument tot 11 april 2016 ruim 18 GJ afgenomen. Hieruit blijkt niet dat het totaal afgenomen verbruik buitenproportioneel is. Concluderend kan gezegd worden dat de consument (deels) het verbruik in rekening gebracht heeft gekregen dat afgenomen is ten behoeve van het gezamenlijke huishouden. De consument heeft dientengevolge (deels) het warmteverbruik over twee jaar afgerekend gekregen, terwijl de verrekende termijnbedragen maar slechts één verbruiksperiode van een jaar bestrijken. De ondernemer ziet geen enkele aanleiding om tot verdere matiging dan wel herberekening van het verbruik over te gaan. Ook opname van een actuele meterstand zal daar geen wijziging in brengen nu die zelf door de consument is aangeleverd.
 
Ter zitting heeft de ondernemer verder nog – in hoofdzaak – het volgende aangevoerd.

Met de ex-partner van de consument is in 2015 afgerekend voor een totaal van 0,83 GJ. Dat is inderdaad zeer laag, maar wij hadden geen historie van die ex-partner. Wij hebben ook gevraagd om een eindstand, maar die hebben wij niet gekregen. Met de standen (genoteerd op een kladbriefje) die wij in september 2016 van de consument hebben gekregen, konden wij niets. Onduidelijk is van wanneer die standen dateerden zodat wij die ook niet verder konden herleiden. Wij hebben wel een harde beginstand van 2014, dat blijkt uit de aangegane huurovereenkomst met een beginstand van 52,842 GJ. Ook is er een harde eindstand per april 2016 van 92,00 GJ, opgegeven door de consument zelf. Als wij de stand van de consument op tijd hadden gekregen dan was de beginstand van de consument gesteld geweest op 74,277 GJ. Helaas hebben wij die stand toen niet gekregen. Desgevraagd kan ik u geen wettelijke bepaling noemen waarin is bepaald dat de consument als medehuurder gehouden zou zijn en aansprakelijk is voor energiekosten op naam van een medehuurder die contractant is bij de ondernemer. Ik vind dat het voortvloeit uit het feit dat partijen een gezamenlijke huishouding voeren. Het gaat in deze zaak in feite om een herverdeling van de kosten omdat het totaalplaatje wel duidelijk is.

Beoordeling van het geschil

De commissie heeft het volgende overwogen.

Het draait in deze zaak om de vraag of de ondernemer gehouden is om de beginmeterstand ter zake de levering van warmte aan de consument zoals vermeld in zijn nota van 24 mei 2016 aan te passen overeenkomstig het verzoek van de consument. De ondernemer is daarbij uitgegaan van een beginstand van 53,673, terwijl de consument stelt dat dat moet worden bepaald op 74,277 GJ. De commissie is van oordeel dat de ondernemer inderdaad tot aanpassing conform het verzoek van de consument dient over te gaan. In dat verband merkt de commissie op dat de ondernemer sedert de invoering van het verplichte leveranciersmodel (per 1 augustus 2013) de verantwoordelijkheid en taak heeft om de meterstanden (van consumenten) te collecteren, te valideren, te berekenen en vast te stellen. De commissie meent dat de ondernemer in die functie (meer in het bijzonder het collecteren) is tekortgeschoten. Voor zover de ondernemer die beginstand bij het aangaan van het contract door de consument niet heeft verkregen (hetgeen overigens door de consument wordt bestreden omdat zij stelt die meterstanden met twee medewerkers van het buurtteam telefonisch te hebben doorgegeven aan de ondernemer) had het op de weg van de ondernemer gelegen om daar nog eens nadrukkelijk(er) navraag naar te doen bij de consument. Daarnaast blijkt uit een e-mail van de ondernemer van 11 augustus 2016 dat hij op verzoek van de consument een correctienota heeft aangevraagd bij zijn administratie om de beginstand van 53,673 GJ te wijzigen in 74,277 GJ en dat het ongeveer vier weken kon duren voordat dat verzoek in behandeling is genomen en verwerkt. Vervolgens laat de ondernemer op 19 september 2016 per e-mail weten dat de door de consument aangeleverde stand geen officieel opleverrapport bevat en handgeschreven standen bevat die voor de ondernemer verder onduidelijk zijn. De commissie is van oordeel dat ook toen het voor de ondernemer voldoende duidelijk moet zijn geweest dat de consument uiteraard met die klip en klare beginmeterstand van 74,277 GJ zonder meer doelde op de beginstand met ingang van haar contract bij de ondernemer in april 2015. Overigens is die stand ook zonder meer aannemelijk en normaal zoals de ondernemer in zijn verweerschrift erkent en bevestigt. De stelling van de ondernemer dat de consument als medehuurder medeaansprakelijk is voor het afgenomen totaalverbruik, ook over de periode dat haar ex-partner contractant was bij de ondernemer en op basis van het feit dat zij een gezamenlijke huishouding voerden, vindt geen steun in wettelijke en/of contractuele bepalingen ter zake huur- en/of energiecontracten; de ondernemer heeft dat ter zitting ook niet verder kunnen onderbouwen dan wel toelichten zodat de commissie daaraan voorbijgaat. De ondernemer dient dan ook tot een herverdeling van het totale verbruik over te gaan waarbij de nota van de ondernemer aan de consument van 24 mei 2016 dient te worden gewijzigd/gecrediteerd omdat als beginstand voor de consument per 13 april 2015 moet worden uitgegaan van 74,277 GJ in plaats van de door de ondernemer gehanteerde 53,673 GJ; de eindstand van 92,00 GJ staat tussen partijen vast. Het staat de ondernemer uiteraard vrij om het eerdere verbruik (dat wil zeggen met een beginstand van 53,673 tot 74,277 GJ) alsnog in rekening te brengen en zien te verhalen op de ex-partner van de consument; de consument is daarin geen partij en is daarvoor niet aansprakelijk te houden jegens de ondernemer.

Op grond van het voorgaande is de commissie van oordeel dat de klacht van de consument gegrond is, zodat de ondernemer eveneens gehouden is om het door de consument betaalde klachtengeld te vergoeden.

Derhalve wordt als volgt beslist.

Beslissing

De commissie bepaalt dat de ondernemer zijn jaarnota van 24 mei 2016 (ter zake de levering van warmte) zal dienen te herzien, aldus dat daarbij zal worden uitgegaan van een beginstand voor warmte per 13 april 2015 van 74,277 GJ.

De ondernemer dient binnen vier weken na de verzending van deze beslissing een gecorrigeerde nota aan de consument te versturen.

Bovendien dient de ondernemer overeenkomstig het reglement van de commissie een bedrag van
€ 52,50 aan de consument te vergoeden ter zake van het klachtengeld.

Het door de consument meer of anders verlangde wordt afgewezen.

Aldus beslist door de Geschillencommissie Energie op 30 januari 2017.