Lid oudercommissie moet taak kunnen uitvoeren zonder angst opzeggen opvangovereenkomst

De Geschillencommissie
Print Friendly, PDF & Email




Commissie: Kinderopvang    Categorie: Overeenkomst    Jaartal: 2021
Soort uitspraak: bindend advies   Uitkomst: gegrond   Referentiecode: 36543/39864

De uitspraak:

Waar gaat de uitspraak over

Volgens de consument heeft de ondernemer de opvangovereenkomst van zijn dochters opgezegd om hem kwijt te raken als voorzitter van de oudercommissie en om te voorkomen dat hij door zou gaan met klagen over de hoge doorloop van leidsters op de babygroep. Daarnaast heeft de ondernemer zich niet gehouden aan de maand opzegtermijn. De consument eist dat de overeenkomst wordt hersteld en een schadevergoeding. De ondernemer stelt dat hij de overeenkomst terecht heeft beëindigd, omdat de consument een wig probeert te drijven tussen de ondernemer en werknemers en omdat de consument uitvalt tegen medewerkers. Volgens de ondernemer is het voornemen om de overeenkomst te beëindigen al doorgegeven voordat de consument voorzitter van de oudercommissie werd en is de relatie met de consument zo verstoord dat er geen vertrouwen meer is. De commissie oordeelt dat de ondernemer de overeenkomst onterecht heeft beëindigd omdat een lid van de oudercommissie zijn taak moet kunnen uitvoeren zonder bang te zijn voor gevolgen. Daarnaast had de ondernemer de consument moeten confronteren met de mogelijke gevolgen van zijn gedrag en had hij moeten proberen de relatie te herstellen. De klacht is gegrond.

Volledige uitspraak

Onderwerp van het geschil
Het geschil betreft de opzegging van de kinderopvangovereenkomsten door de ondernemer zonder dat deze daarbij de overeengekomen opzegtermijn in acht heeft genomen.

Standpunt van de consument
Voor het standpunt van de consument verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. In de kern komt het standpunt op het volgende neer.

De oudste dochter van de consument bezocht al enkele jaren het kinderdagverblijf van de ondernemer in Noordwijk. Vanaf begin maart 2020 bezochten zijn twee andere dochters eveneens dat kinderdagverblijf. Bij de babygroep waarop zij geplaatst waren, waren er voortdurende problemen met de beschikbaarheid van leidsters. Er werd elke dag gebruik gemaakt van verschillende zzp’ers/ tijdelijke krachten, waardoor de baby’s (minder dan een jaar oud) van die groep zich niet konden aanpassen aan het dagopvangritme en aanzienlijk leden. Deze situatie was voor de consument aanleiding om in maart 2020 lid te worden van de oudercommissie van het kinderdagverblijf. Begin juni 2020 werd de consument tot voorzitter van de oudercommissie gekozen. De oudercommissie heeft een aantal acties ondernomen om de in haar waarneming talrijke discrepanties tussen de praktijk op het kindercentrum en het pedagogisch beleid en de wettelijke vereisten aan de kaak te stellen door ze onder de aandacht te brengen van de ondernemer en de GGD. Als gevolg hiervan heeft de ondernemer de consument op 22 juni 2020 meegedeeld dat de kinderopvangovereenkomsten voor de drie dochters van de consument per 1 juli 2020 zouden worden beëindigd. Hierbij heeft de ondernemer zich niet gehouden aan de opzegtermijn van één maand die verplicht is volgens de contractuele voorwaarden (art. 9.3). De ondernemer heeft de overeenkomsten beëindigd om te voorkomen dat de oudercommissie zou klagen.

De consument verzoekt de commissie te bepalen dat de opzegging van de overeenkomsten niet volgens de contractuele bepalingen heeft plaatsgevonden en dat de opzegging heeft plaatsgevonden om de consument uit het voorzitterschap van de oudercommissie te ontheffen. De consument wenst intrekking van de opzegging van de overeenkomsten en toekenning van een vergoeding voor de geleden, nog nader vast te stellen schade.

Standpunt van de ondernemer
Voor het standpunt van de ondernemer verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. In de kern komt het standpunt op het volgende neer.

Daar waar de consument zich beroept op artikel 9.3. van de op de overeenkomsten van toepassing zijnde Aanvullende Algemene Voorwaarden per februari 2017, beroept de ondernemer zich op artikel 8.4. van die voorwaarden, dat onder meer bepaalt dat hij gerechtigd is met onmiddellijke ingang de plaatsing op te schorten of te beëindigen indien ter beoordeling van de ondernemer de cliënt niet voldoet aan enigerlei voor hem uit enige, door deze Algemene Voorwaarden en aanvullende voorwaarden beheerste, overeenkomst voortvloeiende verplichting. De ondernemer is van mening dat de consument niet voldoet aan artikel 14.4 van de algemene voorwaarden voor kinderopvang, dagopvang en buitenschoolse opvang 2017 van de Branchevereniging Kinderopvang, dat onder meer bepaalt dat de ouder zich onthoudt van enige gedraging die de uitvoering van de overeenkomst van de zijde van de ondernemer verzwaart. De ondernemer heeft meermalen aan de consument meegedeeld dat zijn manier van communiceren niet gepast is. Het feit dat de consument een wig probeert te drijven tussen medewerkers en de organisatie en uitvalt tegen medewerkers draagt niet bij aan de verstandhouding. In verband hiermee heeft de ondernemer de consument laten weten dat het hem beter lijkt de overeenkomsten te beëindigen, gezien zijn mening over de geleverde diensten. Dit is hem al meegedeeld voordat hij voorzitter van de oudercommissie werd (8 juni 2020). De beëindiging van de overeenkomsten staat dus duidelijk los van de acties die de oudercommissie heeft ondernomen na de aanstelling van de consument tot voorzitter.

Onjuist is dat de ondernemer de overeenkomsten heeft opgezegd opdat de oudercommissie geen klachten meer kan indienen. De ondernemer heeft geen contracten van andere leden van de oudercommissie opgezegd. Tevens kon de consument zijn hoedanigheden als voorzitter en ouder niet scheiden van elkaar en gebruikte hij zijn hoedanigheid van voorzitter om zijn persoonlijke vete met de ondernemer te kunnen voortzetten. De ondernemer is desondanks altijd welwillend geweest om zaken uit te zoeken, te verduidelijken en tot een oplossing te komen om de kwaliteit van de door hem geboden service te perfectioneren en aan te passen waar nodig. De opzegging had tot gevolg dat de consument geen lid meer kon zijn van de oudercommissie maar dat was niet het doel van de opzegging. Ook indien de consument geen lid zou zijn geweest van de oudercommissie zouden de overeenkomsten eenzijdig zijn opgezegd om de eerdergenoemde reden. Volgens de ondernemer is de relatie tussen partijen zodanig verstoord, dat er geen vertrouwen meer is in een gezamenlijke toekomst.

Beoordeling van het geschil
De commissie heeft op grond van de door partijen overgelegde stukken het volgende overwogen.

Het toetsingskader
Tussen partijen is niet in geschil dat op de kinderopvangovereenkomsten met betrekking tot de kinderen van de consument de Aanvullende Algemene Voorwaarden per februari 2017 van de ondernemer en de Algemene Voorwaarden voor kinderopvang, dagopvang en buitenschoolse opvang 2017 van de Branchevereniging Kinderopvang van toepassing zijn.

De toetsing
De ondernemer heeft de kinderopvangovereenkomsten op 22 juni 2020 met ingang van 1 juli 2020 opgezegd. De ondernemer heeft gesteld daartoe gerechtigd te zijn op grond van artikel 8.4. van de door hem gebruikte algemene voorwaarden in combinatie met artikel 14.4 van de algemene voorwaarden van de branchevereniging. De inhoud van beide artikelen is hiervoor vermeld onder het standpunt van de ondernemer en moet hier als herhaald en ingelast worden beschouwd. De consument heeft een beroep gedaan op artikel 9.3. van de algemene voorwaarden van de ondernemer. De inhoud van dit artikel is hiervoor vermeld onder het standpunt van de consument en moet hier eveneens als herhaald en ingelast worden beschouwd.

De commissie zal eerst het beroep van de ondernemer bespreken en zij stelt het volgende voorop. Een onmiddellijke beëindiging van overeenkomsten als de onderhavige is voor de consument dermate ingrijpend dat sprake moet zijn van zwaarwegende omstandigheden die maken dat van de ondernemer in redelijkheid niet kan worden gevergd dat hij de overeenkomsten laat voortduren. De door de ondernemer aangevoerde omstandigheden kunnen echter naar het oordeel van de commissie niet als zodanige omstandigheden worden beschouwd, alleen al niet omdat hij die omstandigheden onvoldoende heeft geconcretiseerd. Ook de stukken die de ondernemer heeft overgelegd, bieden op dit punt geen (begin van) concretisering. Weliswaar blijkt uit die stukken dat de consument in zijn schriftelijke communicatie met de ondernemer niet altijd even hoffelijk is geweest, maar die communicatie kan niet worden gekwalificeerd als een zwaarwegende omstandigheid. Kennelijk had de ondernemer te maken met een kritische consument, maar vanuit zijn professionaliteit moet hij – evenals zijn medewerkers – geacht worden tegen kritiek bestand te zijn. Daar komt bij dat van de ondernemer verwacht had mogen worden dat hij – alvorens tot opzegging over te gaan – de consument mondeling dan wel schriftelijk had geconfronteerd met de gevolgen van zijn kritische gedrag bij hem en zijn medewerkers en dat hij de consument bij volharding in zijn gedrag een opzegging van de overeenkomsten in het vooruitzicht had moeten stellen. Niet gebleken is dat de ondernemer deze confrontatie is aangegaan. Ook is de commissie niet gebleken dat de ondernemer pogingen in het werk heeft gesteld om de verstoorde relatie tussen hem en de consument te herstellen, hetgeen van hem als professional toch verwacht had mogen worden. Daarbij komt dat de consument voorzitter was van de oudercommissie en op grond daarvan zich kritisch mocht opstellen tegenover de ondernemer. Een lid van de oudercommissie kan zijn medezeggenschap slechts naar behoren uitoefenen indien hij niet bevreesd hoeft te zijn dat zijn handelen als lid van de oudercommissie gevolgen heeft voor hem en/of de opvang van zijn kind(eren). De ondernemer had met een en ander rekening moeten houden en tegenover de consument meer zorgvuldiger moeten handelen met betrekking tot de opzegging van de overeenkomsten. Op grond van het voorgaande verwerpt de commissie het beroep van de ondernemer.

De commissie komt nu toe aan het beroep van de consument. Vaststaat dat de ondernemer bij de opzegging van de overeenkomsten de tussen partijen overeengekomen opzegtermijn van één maand niet in acht heeft genomen. Daarmee is de ondernemer toerekenbaar tekort geschoten in de nakoming van zijn verplichting een opzegtermijn van één maand in acht te nemen. De commissie acht de klacht van de consument dan ook gegrond.

De vorderingen van de consument
De consument heeft de commissie verzocht te bepalen:
a) dat de opzegging van de overeenkomsten niet volgens de contractuele bepalingen heeft plaatsgevonden;
b) dat de opzegging heeft plaatsgevonden om de consument uit het voorzitterschap van de oudercommissie
te ontheffen;
c) dat de opzegging van de overeenkomsten wordt ingetrokken en
d) een vergoeding voor de geleden, nog nader vast te stellen schade.

De commissie overweegt als volgt.
Ad a)
In de gegrondverklaring van de klacht ligt besloten dat de opzegging van de overeenkomsten niet volgens de contractuele bepalingen heeft plaatsgevonden.
Ad b)
Deze vordering zal niet worden toegewezen. De ondernemer heeft betwist dat de opzegging tot doel had de consument uit het voorzitterschap van de oudercommissie te ontheffen. Het is voor de commissie niet mogelijk vast te stellen of de ondernemer die intentie heeft gehad. Echter die intentie is ook niet helemaal uit te sluiten gezien het feit dat de opzegging plaatsvond drie dagen nadat de consument aan de ondernemer had kenbaar gemaakt dat de oudercommissie zich tot de GGD wilde wenden. Maar dit feit is toch onvoldoende om met enige zekerheid te kunnen zeggen dat de ondernemer die intentie wel had.
Ad c)
Hiervoor heeft de commissie geoordeeld dat de ondernemer toerekenbaar is tekort geschoten in de nakoming van zijn verplichting een opzegtermijn van één maand in acht te nemen. Dit doet echter aan de geldigheid van de opzegging als zodanig niet af. Dat betekent dat de overeenkomsten als gevolg van de opzegging hoe dan ook zijn geëindigd. Een dergelijke tekortkoming kan leiden tot een vergoedingsplicht van de daardoor ontstane schade, maar leidt niet tot de verplichting de opzegging in te trekken. Deze vordering zal worden afgewezen.
Ad d)
De consument heeft niet gesteld welke schade hij door de toerekenbare tekortkoming van de ondernemer heeft geleden en wat daarvan de omvang is. Deze vordering zal eveneens worden afgewezen.

Het klachtengeld
Nu de klacht van de consument gegrond zal worden verklaard, dient de ondernemer overeenkomstig het reglement van de commissie het door de consument betaalde klachtengeld aan hem te vergoeden.

Beslissing
De commissie:

– verklaart de klacht van de consument gegrond;

– wijst het meer of anders gevorderde af;

– bepaalt dat de ondernemer binnen veertien dagen na verzending van deze uitspraak aan de
consument een bedrag van € 25,– ter zake van het door hem betaalde klachtengeld dient te voldoen.

Aldus beslist op 15 oktober 2021 door de Geschillencommissie Kinderopvang, bestaande uit de heer
mr. J.M.P. Drijkoningen, voorzitter, de heer drs. T. Blom, de heer drs. H. Grachten, leden, in aanwezigheid van de heer mr. L.G.H. Cox, secretaris.