Commissie: Kinderopvang
Categorie: (On)Zorgvuldig handelen
Jaartal: 2025
Soort uitspraak: Bindend Advies
Uitkomst: ten dele gegrond
Referentiecode:
1185603/1293762
De uitspraak:
Waar gaat de uitspraak over?
De klacht gaat over de sluiting van een opvanglocatie, de manier waarop dit aan ouders is meegedeeld en de kwaliteit van de opvang in de laatste weken voor de sluiting. De klagers vinden dat de ondernemer de opvangovereenkomsten van hun kinderen onterecht heeft opgezegd, te weinig heeft gedaan om een andere locatie te vinden en slecht heeft gecommuniceerd. Ook stellen zij dat de opvang in de maanden voor de sluiting sterk achteruitging. De ondernemer zegt dat de sluiting noodzakelijk was omdat de verhuurder de huurovereenkomst had opgezegd en er ondanks intensief zoeken geen geschikte nieuwe locatie kon worden gevonden. De ondernemer wijst erop dat een eerdere uitspraak van de commissie al had bevestigd dat sprake was van een zwaarwegende reden voor sluiting. De commissie is het daarmee eens: de ondernemer had geen keuze omdat de huurovereenkomst eindigde en er geen alternatieven beschikbaar waren. Ook hoefde de ondernemer niet verplicht een procedure voor ontruimingsbescherming te starten. Daarom wordt de klacht over de sluiting en over de communicatie ongegrond verklaard. Wel stelt de commissie vast dat de opvang in de laatste weken vóór de sluiting (vanaf half november 2024) onder de maat was, omdat ruimtes waren gesloten, materiaal al was ingepakt en activiteiten niet meer doorgingen. Dat is een tekortkoming van de ondernemer. Daarom krijgen de klagers recht op compensatie: de ondernemer moet de helft van het gebruikelijke tarief over 15 november t/m 31 december 2024 terugbetalen, plus € 25 klachtengeld.
De volledige uitspraak
Onderwerp van het geschil
De klagers hebben de klacht voorgelegd aan de ondernemer.
Het geschil betreft de sluiting van de opvanglocatie, de wijze van communicatie daaromtrent en de door de klagers gestelde (kwaliteits)vermindering van de opvang in de periode voorafgaand aan de sluiting.
Standpunt van de klagers
Voor het standpunt van de klagers verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. In de kern komt het standpunt op het volgende neer.
De ondernemer heeft per 1 januari 2025 de opvangovereenkomsten van beide kinderen van de klagers opgezegd. De ondernemer is van mening dat sprake is van een zwaarwegende reden ingevolge artikel 10 lid 3 van de Algemene Voorwaarden. De klagers hebben dit gemotiveerd betwist en bezwaar gemaakt tegen de gang van zaken en de schade die de klagers door toedoen van de ondernemer hebben geleden.
De ondernemer heeft op 2 september 2024 via het ouderportal uit het niets aan alle ouders meegedeeld “dat [naam van drie kinderopvangen] noodgedwongen gesloten moeten worden eind van het jaar”. Als reden voor de sluiting van deze locaties heeft de ondernemer gesteld dat de huurovereenkomst met betrekking tot de locatie [naam locatie] te [plaatsnaam] niet wordt verlengd en dat een andere passende locatie in [plaatsnaam] onvindbaar is voor de ondernemer. Op of omstreeks 11 september 2024 heeft de ondernemer de overeenkomsten van de klagers schriftelijk opgezegd.
De klagers zijn van mening dat de ondernemer niet aan zijn zorgplicht heeft voldaan en dat de ondernemer onvoldoende heeft gezocht naar alternatieve oplossingen, zoals opvang op één van de andere vele locaties van de ondernemer. Ook was de opzegging van de huurovereenkomst te voorzien geweest, gezien de reeds stroeve verhouding tussen de verhuurder en de ondernemer. Verder heeft de ondernemer geen beroep gedaan op ontruimingsbescherming.
Volgens de klagers is dan ook geen sprake van een zwaarwegende reden in de zin van de Algemene Voorwaarden. Nu sprake is van wanprestatie in de zin van artikel 6:74 BW, is de ondernemer schadeplichtig. De schade van de klagers bestaat uit:
I. kosten ter beperking van hun schade;
II. hogere kosten voor vervangende kinderopvang;
III. hogere reiskosten/langere reistijd naar locatie vervangende kinderopvang;
IV. schade als gevolg van derving opvanggenot en derving levensvreugde;
V. kosten rechtsbijstand;
De totale schade van de klagers betreft € 10.682,26.
Standpunt van de ondernemer
Voor het standpunt van de ondernemer verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. In de kern komt het standpunt op het volgende neer.
Er is geen sprake van enige vorm van wanprestatie. De forse vordering van de klagers is gebaseerd op onjuiste en onterechte gronden.
De Geschillencommissie Kinderopvang heeft reeds over de kwestie geoordeeld in het opgestelde bindende advies d.d. 12 mei 2025 met referentienummer 634701/902265. De commissie heeft geoordeeld dat:
– de ondernemer genoegzaam heeft toegelicht en aangetoond dat sprake was van zwaarwegende redenen om over te gaan tot opzegging van de opvangovereenkomsten;
– dat sprake was (is) van een omstandigheid op grond waarvan de ondernemer vanwege een niet aan hem toerekenbare oorzaak niet meer in staat was de overeenkomst uit te voeren;
– dat de ondernemer een begrijpelijke en rechtvaardige toelichting heeft gegeven over de langdurige en tevergeefs gebleken inspanningen om een alternatieve locatie te vinden en de gerechtvaardigde inspanningen om onrust onder personeel en ouders te voorkomen;
– dat een aankondiging van bijna vier maanden voor de beëindiging van de opvangovereenkomst moet worden gezien als een (meer dan) redelijke termijn van opzegging;
Zwaarwegende reden en alternatieve oplossingen
De ondernemer is van mening dat sprake was van een zwaarwegende reden in de zin van artikel 10 lid 3 van de Algemene Voorwaarden, waardoor de ondernemer vanwege een niet aan haar toerekenbare oorzaak blijvend niet meer in staat is de overeenkomsten uit te voeren. Deze zwaarwegende reden was gelegen in de opzegging van de huurovereenkomst van de locatie vanaf 1 januari 2025 en het ontbreken van geschikte alternatieve opvanglocaties in de buurt.
De ondernemer was reeds vanaf 28 december 2023 op de hoogte van het feit dat de huurovereenkomst per 1 januari 2025 zou worden beëindigd. De ondernemer voert aan voldoende te hebben gezocht naar alternatieve oplossingen, zoals het huren of kopen van andere locaties, nieuwbouw, het onder brengen van kinderen bij andere locaties en het leggen van contact met de gemeente. Een locatie die voldoet aan de geldende wet- en regelgeving, dan wel waar de aldaar genoemde vereisten kunnen worden gerealiseerd, bleek niet aanwezig in de omgeving. Toen duidelijk was dat een alternatieve accommodatie vanaf 1 januari 2025 geen reële optie zou zijn en de kinderopvang dientengevolge zou moeten sluiten, is dat in september 2024 aan de klagers en het personeel gecommuniceerd.
Ontruimingsbescherming
Na ampel beraad en na afweging van alle risico’s heeft de ondernemer besloten geen beroep op ontruimingsbescherming te doen; zij heeft ervoor gekozen haar kosten en tijd te spenderen aan het zoeken van een alternatieve accommodatie waar zij de kinderopvang langdurig zou kunnen voortzetten, in plaats van een juridische procedure met een onzekere uitkomst te entameren.
Een beroep op ontruimingsbescherming is bovendien slechts ‘uitstel van executie’. Immers, door de huuropzegging is er – hoe dan ook – een einde gekomen aan de huurovereenkomst. De huurder kan een verzoekschrift bij de kantonrechter indienen waarin schorsing van de ontruimingsverplichting wordt gevraagd, en wel gedurende maximaal drie maal één jaar.
Schadevordering
Volgens de ondernemer is geen sprake van schade althans is de schade onvoldoende onderbouwd. Ook ontbreekt het causaal verband.
Beoordeling van het geschil
De commissie heeft het volgende overwogen.
Besluit tot sluiting
Naar het oordeel van de commissie stond de ondernemer voor de noodzaak de locatie te sluiten, nu de huurovereenkomst met betrekking tot de [naam locatie] door de verhuurder van het pand eenzijdig is beëindigd. Dit heeft tot gevolg gehad dat de ondernemer zelf om bedrijfseconomische en organisatorische redenen zich gedwongen zag de huurovereenkomst inzake de locatie van [naam BSO] op te zeggen. In dit verband verwijst de commissie naar haar eerdere uitspraak met referentienummer 634701/902265. Uit de overgelegde stukken en hetgeen tijdens de zitting naar voren is gebracht, zijn geen nieuwe of afwijkende omstandigheden gebleken die de commissie aanleiding geven tot een ander oordeel. Zo is de commissie niet gebleken dat sprake was van wanprestatie aan de zijde van de ondernemer.
Daarnaast heeft de ondernemer aantoonbaar inspanningen verricht om een alternatieve opvanglocatie te realiseren. De ondernemer heeft voldoende gemotiveerd dat een aanzienlijk aantal potentiële locaties is onderzocht. Deze bleken evenwel niet geschikt of voldeden niet aan de wettelijke vereisten. Ook de door klagers genoemde locatie [naam BSO] is, mede vanwege de beschikbaarheid van pedagogisch medewerkers en het verschil in kindplaatsen, niet duurzaam geschikt bevonden. De stelling van de klagers dat de ondernemer voor iedere onderzochte locatie een gedetailleerde motivering diende te verstrekken van de gemaakte afwegingen, gaat naar het oordeel van de commissie verder dan de op de ondernemer rustende informatieplicht. Daarbij merkt de commissie op dat het niet aan de klagers is om de ondernemingsbeslissingen van de ondernemer over te nemen of te beoordelen alsof zij in diens positie verkeren.
Dat passende, wettelijk conforme locaties niet eenvoudig beschikbaar zijn, wordt bevestigd door het feit dat de ondernemer tot op heden actief blijft zoeken naar een geschikte locatie in [plaatsnaam]. De commissie is gebleken dat de ondernemer nooit de wens heeft gehad de regio [plaatsnaam] te verlaten, nu deze een omvangrijk (potentieel) klantenbestand vertegenwoordigt. Naar het oordeel van de commissie heeft de ondernemer zich naar behoren en met inzet van aanzienlijke energie ingespannen om een alternatieve locatie in [plaatsnaam] te vinden.
Het betoog van klagers dat de ondernemer zich had moeten beroepen op ontruimingsbescherming, volgt de commissie niet. Het betreft immers een recht dat de ondernemer kan inroepen, maar waartoe geen verplichting bestaat. De commissie deelt het standpunt van de ondernemer dat de uitkomst van een dergelijke procedure uiterst onzeker is. Een beroep op ontruimingsbescherming bood dan ook op zichzelf geen garantie op een andere uitkomst, maar bracht wel een periode van onzekerheid en onduidelijkheid mee, voor zowel het personeel van de aanbieder, als de consumenten.
Gelet op alle overgelegde stukken en hetgeen ter zitting is besproken, komt de commissie tot het oordeel dat de ondernemer in redelijkheid heeft kunnen besluiten tot sluiting van de locatie.
De commissie verklaart deze klacht ongegrond. Hieruit volgt dat alle als gevolg van de sluiting ontstane schade niet voor vergoeding in aanmerking komt.
Communicatie
Verder voeren de klagers aan dat sprake was van gebrekkige en niet-tijdige communicatie over de sluiting van de locatie. Volgens de klagers is de sluiting te laat kenbaar gemaakt en is de opzeggingsbrief van september 2024 ontoereikend gemotiveerd. Daarnaast stellen de klagers dat zij niet zijn betrokken bij het zoeken naar een alternatieve locatie.
Naar het oordeel van de commissie geldt dat een opzeggingsbrief niet hoeft te voorzien in een volledige uiteenzetting van alle relevante achtergronden en beleidsmatige afwegingen. De commissie acht het begrijpelijk dat het bedrijfsbelang van de ondernemer meebrengt dat dergelijke afwegingen niet onmiddellijk en volledig met alle ouders worden gedeeld. Daarom acht de commissie het niet verwijtbaar dat de ondernemer pas in de loop van het ontstane conflict meer inzicht heeft verschaft in de motivering van de sluiting.
Dit klachtonderdeel is dan ook ongegrond.
Schade laatste maanden
Los van de klacht omtrent de sluiting van de locatie hebben de klagers schadevergoeding gevorderd vanwege een afgenomen kwaliteit en aanbod van de opvang in de laatste weken voorafgaand aan de sluiting. Naar het oordeel van de commissie is voldoende aannemelijk geworden dat de aangeboden opvang in de laatste weken voor de sluiting, in ieder geval vanaf medio november, niet het niveau heeft gehad dat de klagers op grond van de overeenkomst mochten verwachten. De commissie is gebleken dat diverse ruimtes waren gesloten, materialen en speelgoed reeds waren ingepakt en reguliere activiteiten niet hebben plaatsgevonden.
De ondernemer is gehouden om, binnen de wettelijke kaders, een opvangniveau te bieden dat overeenstemt met de overeengekomen dienstverlening. Door de voortijdige afbouw van faciliteiten en activiteiten is sprake geweest van een verminderd aanbod, waardoor de feitelijke dienstverlening niet meer in verhouding stond tot de overeengekomen maandelijkse kosten. De commissie acht dit een tekortkoming in de nakoming in de zin van artikel 6:74 BW, toerekenbaar aan de ondernemer.
Verder hebben de klagers onweersproken gesteld dat zij hun zorgen hierover reeds tijdig kenbaar hebben gemaakt bij de pedagogisch medewerkers. De omstandigheid dat deze signalen door de pedagogisch medewerkers niet adequaat zijn opgepakt, dient naar het oordeel van de commissie voor rekening en risico van de ondernemer te komen.
In zoverre acht de commissie de klacht gegrond. Het beperkte aanbod in de betreffende periode vormt naar het oordeel van de commissie een grond voor (gedeeltelijke) restitutie van betaalde kosten. Gelet op de duur en de omvang van de verminderde dienstverlening, en bij gebrek aan een exact bepaalbare schadeomvang, stelt de commissie de compensatie ex aequo et bono vast op de helft van het gebruikelijke, door de klagers betaalde tarief, over de periode van 15 november tot en met 31 december 2024.
Conclusie
Nu de klacht van de klagers deels gegrond is dient de ondernemer, onder verwijzing naar het Reglement Geschillencommissie Kinderopvang, na te melden deel van het door de klagers betaalde klachtengeld te vergoeden.
Daarnaast dient de ondernemer de helft van het gebruikelijke, door de klagers betaalde tarief aan de klagers te vergoeden over de periode van 15 november t/m 31 december.
Derhalve wordt als volgt beslist.
Beslissing
De commissie:
– verklaart de klacht ten aanzien van de sluiting en de communicatie ongegrond;
– verklaart de klacht ten aanzien van de opvangperiode voorafgaand aan de sluiting gegrond;
– bepaalt dat de ondernemer de helft van het gebruikelijke tarief over de periode van 15 november t/m 31 december 2024 aan de klagers te vergoeden binnen 14 dagen na verzending van dit bindend advies;
– bepaalt dat de ondernemer een bedrag van € 25,- aan de klagers dient te vergoeden ter zake van het klachtengeld binnen 14 dagen na verzending van dit bindend advies.
Aldus beslist door de Geschillencommissie Kinderopvang, bestaande uit de heer mr. L. Verheij, voorzitter, mevrouw drs. J.W. Rutjens MPA, de heer drs. H. Grachten, leden, in aanwezigheid van mevrouw mr. S.M.E. Balfoort, secretaris, op 14 november 2025.