Niet alleen maar opzeggen per eerste van de maand

De Geschillencommissie
Print Friendly, PDF & Email




Commissie: Kinderopvang    Categorie: Opzeggen overeenkomst    Jaartal: 2020
Soort uitspraak: bindend advies   Uitkomst: gegrond   Referentiecode: 5510-9732

De uitspraak:

Waar gaat de uitspraak over

De ondernemer kan de consument niet houden aan een regeling dat uitsluitend per de eerste van de maand kan worden opgezegd.

Volledige uitspraak

Onderwerp van het geschil
Het geschil heeft betrekking op de vraag per wanneer de consument de overeenkomst mocht opzeggen.

Standpunt van de consument
Voor het standpunt van de consument verwijst de commissie allereerst naar de overgelegde stukken. Samengevat weergegeven voert de consument het volgende aan. Sinds 1 maart 2014 maakt de consument krachtens een op 1 februari 2014 door beide partijen ondertekende overeenkomst, aangegaan voor onbepaalde duur, gebruik van de diensten van de ondernemer. In verband met een wijziging van het aantal dagen per 1 mei 2019, is door de ondernemer een nieuw contract opgesteld. Hierin is een opzegtermijn van twee maanden opgenomen welke ingaat op de eerste van de maand. De consument heeft per mail van 12 juni 2019 verzocht dit aan te passen naar een opzegtermijn van één maand en aangegeven dat zij daarna het contract kon tekenen en terugsturen. De ondernemer heeft hier niet op gereageerd. Op 4 juli 2019 heeft de consument in verband met gewijzigde persoonlijke omstandigheden de kinderopvang beëindigd, met inachtneming van een maand opzegtermijn. De consument beroept zich op de Wet van Dam en stelt dat de einddatum 4 augustus 2019 is. De ondernemer heeft gereageerd en gesteld dat de einddatum 31 augustus 2019 is. De consument stelt dat de verhouding met de ondernemer nog steeds goed is, maar dat de opzegregeling aangepast moet worden.

Standpunt van de ondernemer
Voor het standpunt van de ondernemer verwijst de commissie naar de ingediende reactie van 18 oktober 2019. In de kern komt het standpunt van de ondernemer op het volgende neer. In de door de consument getekende overeenkomst van 1 februari 2014 is opgenomen dat de opzegtermijn twee maanden bedraagt en ingaat op de 1e van de maand. Na invoering van de Wet van Dam mag de opzegtermijn één maand zijn. Dit heeft de ondernemer nu ook aangepast in het reglement. Echter, de maand gaat in per de 1e van de maand volgend op de maand waarin de opzegging is gedaan. Dit omdat de kinderopvangtoeslag per hele of halve maand wordt uitgekeerd aan de ouders en dit niet per dag gewijzigd/opgezegd kan worden. De tijd tot aan de eerste van de maand is nodig om de betalingsstroom met betrekking tot in- en uitgaven en gewijzigde overeenkomsten tussen alle partijen correct te laten verlopen. Het is de verantwoordelijkheid van de consument om de opzegging en wijziging op tijd door te geven aan de ondernemer en aan de Belastingdienst.

Beoordeling van het geschil
Naar aanleiding van het over en weer door partijen gestelde overweegt de commissie het volgende.
Partijen zijn met elkaar een opvangovereenkomst aangegaan. De ondernemer beroept zich inmiddels niet meer op een opzegtermijn van twee maanden, maar wel op de overeengekomen regeling dat enkel tegen de eerste dag van de maand kan worden opgezegd. De commissie begrijpt dat de consument zich erop beroept dat deze regeling onredelijke bezwarend is en dus nietig of vernietigbaar. In de tussen partijen gesloten overeenkomst is vermeld dat de opzegtermijn twee maanden bedraagt en dat de opzegging ingaat op de eerste van de maand. Ook is bepaald dat de Algemene Voorwaarden voor Kinderopvang en de door de ondernemer opgestelde Kindercentrumregels op de overeenkomst van toepassing zijn.

Tussen partijen staat vast dat de in de overeenkomst opgenomen opzegtermijn door de consument niet is geaccepteerd en dat de ondernemer de opzegtermijn heeft teruggebracht tot één maand, doch dat deze volgens de ondernemer ingaat op de eerste van de maand volgend op die waarin is opgezegd.
De commissie constateert dat in de nieuwe overeenkomst over de contractuele opzegtermijn aldus tussen partijen geen wilsovereenstemming is bereikt. Nu de ondernemer niet reageerde op de mail van de consument en er voor het overige wel uitvoering aan het contract is gegeven moet de ondernemer geacht worden met de opvatting van de consument te hebben ingestemd. De in de overeenkomst opgenomen opzegregeling beschouwt de commissie als een algemene voorwaarde, zijnde geen ‘kernbeding’ dat de kern van de overeengekomen prestatie raakt en dat speciaal tussen partijen zo is afgesproken en onderhandelbaar was. Dat vastgesteld hebbende, geldt voor deze in de overeenkomst opgenomen bepaling hetzelfde als voor de algemene voorwaarden waar de ondernemer naar verwijst.
In de wet zijn enkele artikelen opgenomen die de bescherming regelen van een consument als het om door de ondernemer gehanteerde algemene voorwaarden gaat. Artikel 6:233 BW bepaalt:
“Een beding in algemene voorwaarden is vernietigbaar A. indien het gelet op de aard en de overige inhoud van de overeenkomst, de wijze waarop de voorwaarden tot stand zijn gekomen, de wederzijds kenbare belangen van partijen en de overige omstandigheden van het geval onredelijk bezwarend is voor de wederpartij; of (….)”. Voor consumenten gelden de bepalingen inzake de zogeheten ‘zwarte’ en ‘grijze’ lijst, opgenomen in respectievelijk de artikelen 6:236 en 6:237 van het Burgerlijk Wetboek (BW). Wat betreft de grijze lijst geldt (voor zover voor deze zaak relevant en van belang) dat “wordt vermoed onredelijk bezwarend te zijn een in de algemene voorwaarden voorkomend beding (…) o. dat de wederpartij bij overeenkomsten (…) aan een opzegtermijn bindt die langer is dan een maand.” Dit betekent dat het moment waartegen kan worden opgezegd in beginsel niet kan worden beperkt op de wijze zoals de ondernemer in onderhavige zaak voorstaat. Dat zou er dan immers op neer komen dat de opzegtermijn feitelijk langer is dan een maand. In de Algemene Voorwaarden Kinderopvang van de branchevereniging is in artikel 10 opgenomen dat de ouder kan opzeggen met in achtneming van een maand opzegtermijn en de opzegtermijn ingaat op de dag waarop de ondernemer de verklaring van opzegging heeft ontvangen. Voor zover de door de ondernemer gehanteerde Kindercentrumregels al kunnen worden aangemerkt als toepasselijke algemene voorwaarden, is de commissie van oordeel dat de daarin gestelde opzegregeling (niet alleen in strijd is met de Algemene Voorwaarden Kinderopvang, maar ook) onredelijk bezwarend is. Indien de ondernemer met een beroep op de algemene voorwaarden een opzegtermijn van langer dan een maand hanteert zal hij hiermee in beginsel in strijd handelen met de in artikel 6:236 en/of artikel 6:237 BW opgenomen bepalingen, hetgeen als consequentie zal hebben dat de aldus aangehouden opzegregeling tussen partijen niet geldig is. Een en ander behoudens de situatie waarin de ondernemer voor het aanhouden van die langere termijn goede gronden aanvoert, die maken dat de hiervoor bedoelde beoogde wettelijke bescherming van de consument, in dit geval, moet wijken. Van een dergelijke situatie is in dit geval niet gebleken. Het beroep op het subsidiebeleid van de overheid, is – indien al juist – niet aan te merken als een jegens de ondernemer te respecteren belang, althans is dit – zonder nadere toelichting, die er niet is – niet duidelijk. De ingeroepen vernietiging treft dan ook doel en de bewuste bepaling in de overeenkomst en in de Kindercentrumregels missen toepassing in de verhouding tussen de ondernemer en de consument. De ondernemer kan de consument niet houden aan een regeling dat uitsluitend per de eerste van de maand kan worden opgezegd. De commissie wijst er bovendien nog op dat in de overeenkomst niet alleen wordt verwezen naar de Kindercentrumregels, maar ook naar de Algemene Voorwaarden voor Kinderopvang. In deze algemene voorwaarden is – conform de Wet – één maand opzegtermijn zonder beperking vermeld. Bij tegenstrijdigheid in door de ondernemer gehanteerde algemene voorwaarden wordt de voor de consument gunstigste bepaling toegepast.

De commissie is derhalve – om een veelheid aan hiervoor weergegeven redenen – van oordeel dat de consument de overeenkomst, met de e-mail verzonden op 4 juli 2019, mocht opzeggen met in achtneming van een maand opzegtermijn, zodat de overeenkomst eindigt per 4 augustus 2019. Tussen partijen staat als niet danwel onvoldoende weersproken vast dat de consument tot en met 31 augustus 2019 heeft betaald voor de diensten van de ondernemer, dat zij geen gebruik heeft gemaakt van de diensten van de ondernemer na 4 augustus 2019 en dat zij, nu de overeenkomst rechtsgeldig is beëindigd met ingang van 4 augustus 2019, het te veel betaalde bedrag van € 462,30 dient terug te ontvangen. Hetgeen verder nog is aangevoerd kan onbesproken blijven, nu dit niet tot een andere beslissing zal leiden. Nu de klacht gegrond wordt verklaard, ziet de commissie aanleiding om te bepalen dat de ondernemer het klachtengeld aan de consument dient te vergoeden.
Derhalve wordt als volgt beslist.

Beslissing
De commissie

  • verklaart de klacht gegrond;
  • bepaalt dat de ondernemer aan de consument een bedrag dient te vergoeden van € 462,30;
  • bepaalt dat de ondernemer overeenkomstig het reglement van de commissie aan de consument het klachtengeld ten bedrage van € 25,– dient te vergoeden;
  • bepaalt dat betaling dient plaats te vinden binnen een maand na de verzenddatum van dit advies;
  • wijst af het meer of anders gevorderde.

Aldus beslist op 17 januari 2020 door de Geschillencommissie Kinderopvang, bestaande uit mevrouw mr. C.M.E. van der Hoeven, voorzitter, de heer mr. P.P. van der Neut en de heer drs. T. Blom, waarbij mevrouw mr. B.J. van Gent als plaatsvervangend secretaris fungeerde.