Niet uitvoeren van een vochtmeting tijdens de aankoopkeuring niet zorgvuldig.

De Geschillencommissie
Print Friendly, PDF & Email




Commissie: Waterrecreatie    Categorie: HISWA-voorwaarden voor Expertise    Jaartal: 2009
Soort uitspraak: -   Uitkomst: -   Referentiecode: WAT06.0013

De uitspraak:

Onderwerp van het geschil
 
Het geschil heeft betrekking op de opdracht tot het verrichten van een aankoopkeuring, welke opdracht is verstrekt op 21 juni 2004 tegen een prijs van € 340,– incl. BTW.
 
De consument heeft op 8 november 2004 de klacht schriftelijk aan de ondernemer voorgelegd.
 
Standpunt van de consument
 
Het standpunt van de consument luidt in hoofdzaak als volgt.
 
De ondernemer heeft in opdracht van de consument een aankoop- en osmoseonderzoek verricht aan het vaartuig waarvoor de consument belangstelling had. De ondernemer heeft daarbij een osmoseprobleem aan het onderwaterschip over het hoofd gezien, daar de weersomstandigheden het niet toe lieten een keuring te verrichten. Vanwege de weersomstandigheden is er ook geen vochtmeting verricht.
Omdat hij op de dag van keuring om 13.00 uur op Schiphol moest zijn, heeft de ondernemer zijn werk die dag niet goed verricht. Het onderwaterschip is op het moment van keuren niet afgespoten. De anti-fouling was uitgewerkt en zwaar begroeid. De blazen waren hierdoor slecht zichtbaar. De ondernemer vertelde verder dat een vochtmeting niets van doen had met het constateren van osmose.
Vierenhalve maand later bleek de ondernemer het bij het verkeerde eind te hebben. Op verzoek van de consument heeft de ondernemer toen alsnog een vochtmeting gedaan. Nadat de ondernemer op diverse plaatsen de anti-fouling had verwijderd met een plamuurmes, bleek het onderwaterschip veel te vochtig. Ook constateerde hij osmose. De ondernemer raadde de consument aan de osmoseplekken te bedekken met een laag anti-fouling en het schip te verkopen. De consument vroeg hem om een rapport op te maken van zijn bevindingen, maar de ondernemer vertelde dat hij dat niet kon doen omdat hij anders problemen zou kunnen krijgen met zijn verzekeraar. Ook zei hij dat de aanschafprijs van het vaartuig dermate laag was dat een osmosebehandeling ruimschoots gecompenseerd zou worden.
De deskundige van de verzekeraar van de ondernemer heeft op 31 mei 2005 een bezoek gebracht aan de firma waar de consument zijn vaartuig ter reparatie had gebracht om de schade op te nemen. Het schip was op dat moment al geschild en voorzien van een nieuw epoxylaminaat. De consument had de verzekering al op 30 januari 2005 schriftelijk en telefonisch medegedeeld dat zijn schip voor reparatie naar een werf was gebracht.
De deskundige van de verzekeraar beweert dat het slechts om een lichte vorm van osmose gaat, terwijl hij het schip eerst heeft beoordeeld nadat het gerepareerd was. Ook vindt hij de kosten van de behandeling te hoog. De offerte die de consument liet maken bij een andere ondernemer bleek echter duurder, namelijk € 295,- per m² exclusief 10% meerprijs voor overnaads oppervlak.
 
Het uiteindelijk geconstateerde vochtgehalte was dermate hoog, dat de consument van mening is dat de ondernemer de osmose tijdens de aankoopkeuring had kunnen en moeten constateren.
 
Ter zitting heeft de consument verder nog – in hoofdzaak – het volgende aangevoerd.
 
Ook al zou een vochtmeting slechts indicatief zijn, een hoge vochtigheid zou wel een waarschuwing inhouden.
De consument heeft de ondernemer vooraf ingelicht dat de boot naar een werf zou gaan voor reparatie. Desondanks is de deskundige van de verzekeraar eerst maanden later naar de boot komen kijken. Toen was de osmose niet meer waar te nemen.
Een deelreparatie was niet zinvol. Het is beter om het hele onderwaterschip in één keer te doen. 
 
Kortheidshalve verwijst de commissie verder naar de bij partijen bekende brieven die door de consument zijn verstuurd.
 
Standpunt van de ondernemer
 
Het standpunt van de ondernemer luidt in hoofdzaak als volgt.
 
De ondernemer is niet tekortgeschoten in de uitvoering van de aankoopkeuring:
– het schip is ten tijde van de keuring goed bekeken. Er waren geen wezenlijke beperkingen;
– de tijd die nodig was om het onderwaterschip te beoordelen, is daaraan werkelijk besteed;
– ten tijde van de keuring is geen osmoseblaarvorming waargenomen;
– aanwezigheid van osmoseblaren zou tijdens het verrichte onderzoek, maar ook tijdens het hellingen op de avond voor de keuring, zeker zijn opgemerkt;
– een vochtmeting had door de weersomstandigheden (hoge luchtvochtigheid) geen enkele zin;
– vaststelling van een laag vochtpercentage biedt geen enkele garantie dat er geen osmose zal optreden, omdat onder andere de waterkwaliteit en de watertemperatuur bij het fenomeen osmoseblaarvorming een belangrijke rol spelen. Meting van hoge vochtwaarden is niet meer dan een indicatie voor het sneller kunnen optreden van blaarvorming. Osmoseblaarvorming kan in een bijzonder korte periode zichtbaar worden, onder andere als een polyester schip wordt verplaatst naar water dat voor dit fenomeen gunstige randvoorwaarden schept
– omdat de boot door de consument ter reparatie is aangeboden aan een derde was de deskundige van de verzekeraar van de ondernemer niet meer in staat de concrete schade vast te stellen, maar waarschijnlijk is er sprake geweest van lichte osmose. Deze blaarvorming had plaatselijk behandeld kunnen worden voor een bedrag € 1.200,–. Een gehele behandeling van het onderwaterschip had voor een bedrag van € 2.922,– gedaan kunnen worden. De consument heeft voor een dure reparatie gekozen.
 
Ter zitting heeft de ondernemer verder nog – in hoofdzaak – het volgende aangevoerd.
 
Zelfs bij nieuwe schepen kan osmose binnen drie maanden optreden.
 
Kortheidshalve verwijst de commissie verder naar de bij partijen bekende brieven die door de gemachtigde van de ondernemer zijn verstuurd.
 
Beoordeling van het geschil
 
De commissie heeft het volgende overwogen.
 
In geschil is of de ondernemer is tekortgeschoten in de uitvoering van de aankoopkeuring voor wat betreft de staat van het onderwaterschip van het vaartuig, die de consument beoogde te kopen. Het rapport van de aankoopkeuring vermeldt ter zake van het onderwaterschip, voor zover hier van belang, dat er geen vochtmeting is uitgevoerd in verband met regen en stormachtig weer, maar dat er geen blaasvorming door osmose is geconstateerd. In de toelichting bij de bevindingen omtrent het onderwaterschip staat daarnaast vermeld dat bij kunststofschepen het onderwaterschip visueel wordt beoordeeld op blaarvorming als gevolg van osmose, maar dat dit geen garantie is voor het niet (latent) aanwezig zijn van osmose, die mogelijk later zichtbaar wordt.
Volgens de consument bleek ongeveer vier maanden na de aankoopkeuring dat het door hem gekochte vaartuig osmoseverschijnselen vertoonde. De consument is van mening dat de deskundige dat reeds tijdens de aankoopkeuring had moeten constateren. De ondernemer weerspreekt dit.
 
De commissie acht het niet uitvoeren van een vochtmeting tijdens de aankoopkeuring niet zorgvuldig, ook al is een vochtmeting indicatief, zoals door de ondernemer is gesteld. Bij een meting van hoge vochtwaarden zou de consument in ieder geval gewaarschuwd zijn dat er een aanzienlijke kans bestaat dat er op korte termijn osmose op zal treden, zodat de consument daar bij zijn keuze voor het al dan niet kopen van het vaartuig rekening mee had kunnen houden. Doordat de consument de gegevens omtrent het vochtgehalte van het onderwaterschip heeft moet ontberen, is de consument onvoldoende in staat gesteld een geïnformeerde keuze te kunnen maken omtrent de aankoop van het gekeurde vaartuig. Voor zover er wegens de weersomstandigheden geen vochtmeting uitgevoerd kon worden, had de ondernemer de consument uitdrukkelijk en schriftelijk dienen te wijzen op het risico van het ontbreken van deze gegevens. Niet gebleken is dat de ondernemer dat heeft gedaan.
 
Gezien de door de consument overgelegde foto’s acht de commissie aannemelijk geworden dat het vaartuig ruim vier maanden na de keuring osmoseblaren vertoonde. De ondernemer heeft dat ook niet, althans onvoldoende weersproken. De ondernemer weerspreekt wel dat de osmose reeds tijdens de aankoopkeuring aanwezig was. Uit eigen ervaring en mede op basis van de door de consument getoonde foto’s acht de commissie het echter niet waarschijnlijk dat de osmose eerst binnen vierenhalve maand na de aankoopkeuring is ontstaan. Aannemelijker wordt geacht dat de osmose ten tijde van de keuring reeds aanwezig was, zij het wellicht in lichte vorm. Bovendien acht de commissie op basis van de overgelegde stukken – met name de brief van de verzekeraar van de ondernemer d.d. 12 april 2006 – aannemelijk geworden dat het onderwaterschip voor de keuring niet is afgespoten, zoals verwacht had mogen worden. Betwijfeld kan daarom worden of het onderzoek naar de osmose van het onderwaterschip op de juiste wijze heeft plaatsgevonden. Het risico op het niet constateren van aanwezige osmose is daarmee in ieder geval onnodig vergroot.
 
Op grond van bovenstaande acht de commissie voldoende aannemelijk geworden dat de ondernemer toerekenbaar tekortgeschoten is in de uitvoering van de aankoopkeuring. Hetgeen de ondernemer anderszins daartegen heeft aangevoerd kan daaraan niet afdoen. De commissie acht de ondernemer gehouden de door de consument geleden schade te vergoeden.
 
Betreffende de door de consument geleden schade stelt de commissie allereerst vast dat deze niet meer met zekerheid is vast te stellen, nu de osmose niet meer zichtbaar is omdat in opdracht van de consument het onderwaterschip reeds een osmosebehandeling heeft ondergaan bij een werf. Te constateren is zodoende ook niet meer in hoeverre het gehele onderwaterschip een osmosebehandeling diende te ondergaan of dat een plaatselijke behandeling ook had kunnen volstaan. Aan de andere kant heeft de consument de ondernemer, althans de verzekeraar die namens de ondernemer optrad, voldoende gelegenheid geboden om het vaartuig te komen bekijken voorafgaand aan de osmosebehandeling. Van deze gelegenheid is niet tijdig gebruik gemaakt. Voorgaande in acht nemend stelt de commissie de schadevergoeding naar redelijkheid en billijkheid vast op een bedrag van € 1.461,–,waarbij de commissie aansluiting heeft gezocht bij het in het expertiserapport van Crawford-Berex d.d. 7 juli 2005 genoemde bedrag.
 
Op grond van het voorgaande is de commissie van oordeel dat de klacht gegrond is.
 
Derhalve wordt als volgt beslist.
 
Beslissing
 
De ondernemer betaalt aan de consument een vergoeding van € 1.461,–. Betaling dient plaats te vinden binnen een maand na de verzenddatum van dit bindend advies. Indien betaling niet tijdig plaatsvindt, betaalt de ondernemer bovendien de wettelijke rente over dit bedrag vanaf de verzenddatum van het bindend advies. 
 
Aldus beslist door de Geschillencommissie Waterrecreatie op 28 september 2006.