Onderhandse ontbinding; 3 dagen geen redelijke termijn voor ingebrekestelling door consument; ondernemer moet redelijke termijn krijgen om storing te verhelpen

  • Home >>
  • Telecommunicatiediensten >>
De Geschillencommissie
Print Friendly, PDF & Email




Commissie: Telecommunicatiediensten    Categorie: Ontbinding, opzegging en tussentijdse beëindiging    Jaartal: 2015
Soort uitspraak: -   Uitkomst: -   Referentiecode: ECD08-0453

De uitspraak:

Onderwerp van het geschil

Het geschil betreft een telefoon- en internetaansluiting.   De consument heeft een bedrag niet aan de ondernemer betaald. Een bedrag van € 169,45 heeft de consument bij de commissie gedeponeerd.   De consument heeft op 20 februari 2008 de klacht voorgelegd aan de ondernemer.   Standpunt van de consument   Het standpunt van de consument luidt in hoofdzaak als volgt.   Sinds 13 februari 2008 kon ik geen gebruik maken van de overeengekomen telefoon- en internetdiensten. Ik heb de ondernemer eerst hierover gebeld en vervolgens per aangetekend schrijven d.d. 20 februari 2008 in gebreke gesteld met de aankondiging dat ik, als de verbinding niet binnen drie dagen zou zijn hersteld, zou overgaan tot rechtsmaatregelen. Daar kreeg ik geen adequaat antwoord op. Per aangetekende brief d.d. 1 maart 2008 heb ik de overeenkomst onderhands ontbonden, aangezien op dat tijdstip de verbinding nog niet was hersteld. Ook op deze brief kreeg ik geen adequate reactie. Ik beschouw de overeenkomst dus als te zijn geëindigd per 1 maart 2008. De ondernemer heeft het abonnement echter voortgezet tot 12 september 2008. Per 13 maart 2008 zou de verbinding weer zijn hersteld, maar daar heb ik niets aan, omdat de overeenkomst in mijn visie per 1 maart 2008 was beëindigd. Het enige dat de ondernemer wil doen is creditering van twee maanden abonnementsgeld. Daar ga ik niet mee akkoord. Ik wens creditering van alle abonnementsgelden vanaf 1 maart 2008. Ook de in rekening gebrachte rente en incassokosten van het door de ondernemer ingeschakelde incassobureau wens ik gecrediteerd te zien.   Standpunt van de ondernemer   Het standpunt van de ondernemer luidt in hoofdzaak als volgt.   De storing is ons telefonisch gemeld op 18 februari 2008. Op 13 maart 2008 was deze verholpen. Wij vinden dat een redelijke termijn. Intussen ontvingen wij van de consument een ingebrekestellingbrief d.d. 20 februari 2008, waarin ons slechts drie kalenderdagen werden gegund om de storing te verhelpen. Dat is naar onze mening geen redelijke termijn. De consument is gedurende circa een maand verstoken geweest van internet en telefonie. Wij hebben hem een vergoeding aangeboden van twee maanden abonnementsgeld en achten daarmee het ongerief van de consument ruimschoots gecompenseerd. De ontbinding van de overeenkomst door de consument hebben wij beschouwd als een opzegging tegen het einde van de contractsduur, zijnde 12 september 2008. Per die datum is het abonnement beëindigd. Aangezien de consument een achterstand in zijn betalingen liet ontstaan, die ondanks aanmaning niet werd aangezuiverd, hebben wij een incassobureau moeten inschakelen en zijn er kosten ontstaan. Die zijn aan de consument zelf te wijten.   Beoordeling van het geschil   De commissie heeft het volgende overwogen.   Artikel 4.10 van de toepasselijke algemene voorwaarden bepaalt ten aanzien van de mogelijkheid tot ontbinding van de overeenkomst het volgende: “Als [de ondernemer] enige verplichting uit de overeenkomst of uit enige toepasselijk verklaarde voorwaarde niet nakomt, is de Klant bevoegd de overeenkomst geheel of gedeeltelijk te ontbinden. Dit echter pas nadat de Klant [de ondernemer] in gebreke heeft gesteld bij het bij de Klant aangegeven contactadres en [de ondernemer] er niet in is geslaagd de tekortkoming binnen de aangezegde redelijke termijn te herstellen. Een en ander tenzij de tekortkoming van [de ondernemer] gezien haar geringe betekenis de ontbinding niet rechtvaardigt”. De storing is op 18 februari 2008 telefonisch gemeld. Blijkbaar is de ondernemer daarna aan het werk gegaan om de oorzaak van de storing op te sporen en de verbinding te herstellen. De door de consument gehanteerde ingebrekestellingtermijn van slechts drie kalenderdagen acht de commissie geen redelijke termijn in de zin van genoemd artikel. In de brief waarin deze termijn wordt genoemd, wordt bovendien slechts gewaarschuwd voor het nemen van rechtsmaatregelen in het algemeen, zonder deze te benoemen. De ondernemer kon daarom redelijkerwijs niet bedacht zijn op een onderhandse ontbinding van de overeenkomst met directe ingang. Daar staat tegenover dat de tijd die de ondernemer nodig heeft gehad om de storing te verhelpen (circa een maand) naar objectieve maatstaven niet onredelijk kan worden genoemd. De financiële compensatie die de ondernemer hiervoor heeft geboden, te weten creditering van twee maanden abonnementsgeld, acht de commissie in verhouding tot de ernst van de tekortkoming redelijk. Om deze redenen kon de ontbinding van de overeenkomst door de consument geen juridisch effect sorteren. De consument heeft een betalingsachterstand laten ontstaan die tot extra kosten heeft geleid. Aangezien die achterstand niet is gebaseerd op een opschortingrecht, maar op de onjuiste veronderstelling dat de overeenkomst door ontbinding was geëindigd, komen de gevolgen daarvan voor rekening van de consument.   Op grond van het voorgaande is de commissie van oordeel dat de klacht ongegrond is.   Derhalve wordt als volgt beslist.   Beslissing   Het door de consument verlangde wordt afgewezen.   Het depotbedrag van € 169,45 wordt aan de ondernemer overgemaakt.   Aldus beslist door de Geschillencommissie Elektronische Communicatiediensten op 24 november 2008.