Onderhoudsovereenkomst: overeengekomen prijzen voor schilderwerkzaamheden dragen het karakter van (steeds) aanneming van werk. Geen meer-/minderwerk.

De Geschillencommissie
Print Friendly, PDF & Email




Commissie: Schilders-, Behangers- en Glaszetbedrijf    Categorie: Prijs    Jaartal: 2014
Soort uitspraak: -   Uitkomst: -   Referentiecode: 74814

De uitspraak:

Onderwerp van het geschil

Het geschil vloeit voort uit een op 15 november 2008 tussen partijen totstandgekomen overeenkomst. De ondernemer heeft zich daarbij verplicht tot het op basis van deze overeenkomst gefaseerd doen van schilderwerkzaamheden tegen daarvoor van te voren overeengekomen prijzen.   De consument heeft een bedrag van € 1.816,91 (€ 1.933,51 minus € 116,60 voor herstel inbraakschade) niet betaald en bij de commissie gedeponeerd.   De consument heeft op 15 oktober 2012 de klacht voorgelegd aan de ondernemer.   Standpunt van de consument   Het standpunt van de consument luidt in hoofdzaak als volgt.   In 2012 zijn de werkzaamheden niet volgens de overeenkomst uitgevoerd. Er is veel minder gedaan dan is overeengekomen terwijl wel het volledige overeengekomen bedrag in rekening is gebracht. Er zijn twee schilders een halve dag bezig geweest waarbij ook nog de inbraakschade is verholpen.   De consument verlangt dat de commissie de werkelijke kosten van deze schilderbeurt vaststelt: te weten 2 x halve dag + materialen minus de herstelde inbraakschade van € 116,60.   Standpunt van de ondernemer   Het standpunt van de ondernemer luidt in hoofdzaak als volgt.   Het geschil van partijen bestond reeds op 4 november 2012, blijkens de e-mail van de consument aan de ondernemer. Vervolgens is dit geschil eerst aanhangig gemaakt op 9 maart 2013. Daarmee is niet voldaan aan de eis van artikel 14 lid 3 van de algemene voorwaarden inhoudende dat een geschil binnen drie maanden na het ontstaan daarvan moet zijn aanhangig gemaakt bij de commissie. Dit betekent dat de consument niet-ontvankelijk moet worden verklaard.   Inhoudelijk wordt het volgende verweer gevoerd. De onderhoudsovereenkomst van partijen hield in dat in de jaren 2009 en 2014 een schilderbeurt zou plaatsvinden en dat in de jaren 2012 en 2017 een onderhoudsbeurt zou plaatsvinden. In 2009 bleek het schilderwerk aanzienlijk slechter dan verwacht en heeft de ondernemer toen het volledige schilderwerk van de woning opnieuw verzorgd. Voor de extra werkzaamheden is toen niets in rekening gebracht. De ondernemer had zich immers te houden aan de in de overeenkomst gemaakte prijsafspraken. Die aanpak had tot gevolg dat de woning in 2012 nog bijzonder goed in de verf zat en dat daarom in 2012 minder onderhoud verricht hoefde te worden dan waarmee oorspronkelijk rekening was gehouden. De consument is tevreden over het werk maar niet over deze factuur. Er is echter sprake van een langdurige onderhoudsovereenkomst met vier vooraf afgesproken betalingen. De klacht dat de werkzaamheden deze keer het in rekening gebrachte bedrag niet rechtvaardigen is dus niet terecht. De herstelkosten van inbraakschade zijn uit coulance in mindering gebracht op het openstaande bedrag. Daarvoor is een creditnota verzonden.   Inmiddels is de onderhoudsovereenkomst op voorstel van de consument beëindigd, waarmee de ondernemer akkoord is gegaan. Het openstaande bedrag blijft echter verschuldigd.   Ter zitting heeft de ondernemer verder nog – in hoofdzaak – het volgende aangevoerd.   De ondernemer blijft bij wat door haar is aangevoerd. Het bij het secretariaat van uw commissie in depot gestorte bedrag is het bedrag dat nog open staat. De overeenkomst van partijen kenmerkt zich doordat de werkzaamheden in de tijd zijn aangenomen voor vaste bedragen. Dit is gedaan op verzoek van de consument omdat hij niet voor verrassingen wilde komen te staan. Juist omdat het steeds achtereenvolgende aanneemsommen zijn geweest die zijn afgesproken, kan de consument daarvan geen verlaging vorderen wegens kort gezegd minderwerk. Opmerking verdient hier nog dat door de consument nimmer is geklaagd over de kwaliteit van het geleverde schilderwerk.   Beoordeling van het geschil   De commissie heeft het volgende overwogen.   Het namens de ondernemer gevoerde ontvankelijkheidsverweer wordt verworpen. Bij de gedingstukken bevindt zich (e-mail) correspondentie waaruit kan worden afgeleid dat partijen nog tot 20 december 2012 met elkaar doende waren om het (betalings)geschil middels een vergelijk het hoofd te bieden. Op 20 december 2012 is in dat kader nog een op 7 december 2012 door de ondernemer gedaan voorstel niet door de consument geaccepteerd. De commissie houdt het er daarom voor dat eerst per die datum van 20 december 2012 het geschil van partijen is ontstaan, nu -kennelijk – niet langer werd onderhandeld over een mogelijke oplossing van het geschil. Dit brengt mee dat de consument de in het ontvankelijkheidsverweer aangeduide termijn niet heeft overschreden door het geschil bij de commissie aanhangig te maken per 9 maart 2013.   De commissie kan daarom treden in het inhoudelijke geschil van partijen.   Vastgesteld moet worden dat partijen in hun overeenkomst van 15 november 2008 de vereiste schilderwerkzaamheden in de tijd hebben vastgelegd met daaraan gekoppeld steeds de prijs waarvoor dat schilderwerk achtereenvolgens zal worden verricht, en zulk voor een periode van tien jaren op basis van een vooraf vastgesteld schilderschema. In dat kader heeft in 2009 de herschilderbeurt plaatsgevonden voor het daarvoor overeengekomen bedrag van € 6.840,–, welk bedrag ook door de consument is voldaan zonder dat meer- of minderwerk daarbij alsnog is verrekend. Ook de overeengekomen onderhoudsbeurt van 2012 heeft plaatsgevonden. Daarvoor was door partijen een vast bedrag overeengekomen van € 1.769,–. In de overeenkomst is uitdrukkelijk vastgelegd dat de overeengekomen prijzen vast zijn met dien verstande dat de overeengekomen prijzen voor overeengekomen schilderwerk uit te voeren na 2009 (alleen) zullen worden geïndexeerd aan de hand van een loonkostenindexcijfer.   De overeengekomen prijzen voor de schilderwerkzaamheden dragen onmiskenbaar het karakter van (steeds) aanneming van werk. De prijzen liggen vast en uit niets blijkt dat is overeengekomen dat meer- en minderwerk van invloed kan zijn op wat de ondernemer de consument in rekening mag brengen. De consument wilde immers zekerheid, en daaraan is middels deze overeenkomst dubbel tegemoet gekomen. De overeenkomst geeft de consument allereerst de zekerheid dat voor de duur van de overeenkomst zijn woning voortdurend adequaat geschilderd is, en geeft voorts ook de zekerheid dat hij daarvoor nooit meer kwijt is dan de optelsom van de overeengekomen aanneemsommen.   Aldus wordt duidelijk dat het standpunt van de consument dat hij deze keer recht heeft op een minderwerk afrekening met dus neerwaartse aanpassing van de voor deze schilderbeurt overeengekomen aanneemsom, geen steek houdt. Inherent aan het overeenkomen van (een) aanneemsom(men) is immers dat de prijs vast ligt ongeacht of de werkzaamheden en de gebruikte materialen voor de ondernemer zijn meegevallen of tegengevallen.   Voor de door de consument verzochte verlaging van de overeengekomen prijs bestaat dat ook geen contractuele ruimte. Terecht is hier door de ondernemer verzocht om nakoming van de gemaakte betalingsafspraak.   De nadien door partijen overeengekomen beëindiging van deze (onderhouds)overeenkomst maakt niet dat hier anders moet worden beslist. Niet is immers komen vast te staan dat partijen zijn overeengekomen dat het door hen overeengekomene integraal moet worden ontbonden. Zulks wordt met klem door de ondernemer weersproken.   De consument is (dus) bij wijze van nakoming verplicht het nog openstaande (pro resto) bedrag ad € 1.816,91 te betalen aan de ondernemer. De door de ondernemer verzochte wettelijke rente over dit bedrag vanaf 8 november 2012 zal niet worden toegewezen nu ook de ondernemer dit geschil tijdig bij de geschillencommissie aanhangig had kunnen maken met als resultaat dat vertraging in de betaling goeddeels had kunnen worden voorkomen.   In artikel 22 van het reglement van deze commissie is bepaald dat de door partijen ter zake van de behandeling van het geschil gemaakte kosten voor hun eigen rekening komen, tenzij de commissie in een bijzondere geval anders bepaalt. Een degelijk bijzonder geval doet zich hier naar het oordeel van de commissie echter niet voor.   Derhalve wordt als volgt beslist.   Beslissing   Het door de consument verlangde wordt afgewezen.   Verstaat dat de consument bij wijze van nakoming gehouden is aan de ondernemer te betalen € 1.816,91.   Wijst af de door de ondernemer verzochte wettelijke rente en proceskosten.   Met inachtneming van het bovenstaande wordt het depotbedrag ad € 1.816,91 overgemaakt naar de ondernemer.   Aldus beslist door de Geschillencommissie Schilders- Glaszet- en Stukadoorsbedrijf, op 7 juni 2013.