Ondernemer had geen reden om te twijfelen dat de transacties tot stand zijn gekomen onder bedreiging van derden, danwel dat de wil tot het sluiten van de overeenkomst ontbrak. De verkoper mocht redelijkerwijs veronderstellen dat de verklaring en het gedrag van de consument tijdens de transactie gericht waren op de totstandkoming van de overeenkomst.

  • Home >>
  • Telecommunicatiediensten >>
De Geschillencommissie
Print Friendly, PDF & Email




Commissie: Telecommunicatiediensten    Categorie: Totstandkoming overeenkomst    Jaartal: 2018
Soort uitspraak: -   Uitkomst: -   Referentiecode: 110093

De uitspraak:

Onderwerp van het geschil

Het geschil betreft de betaling van de kosten van een door de consument gesloten abonnement voor mobiele telefonie gecombineerd met de koop op afbetaling van een telefoontoestel.
 
De consument heeft de klacht tijdig aan de ondernemer voorgelegd.

Standpunt van de consument

Zij heeft 2 november 2016 in de winkel van de ondernemer te [plaats] een abonnement voor mobiele telefonie afgesloten bij de ondernemer voor de duur van 24 maanden, gecombineerd met de koop op afbetaling van een telefoontoestel, een [naam toestel]. Zij is op 27 september 2016 18 geworden en was dus ten tijde van het sluiten van de overeenkomst pas kort meerderjarig.

Voor de verdere feitelijke onderbouwing van haar stellingen heeft de consument verwezen naar een proces-verbaal van aangifte van 11 november 2016 bij de politie in [plaats]. Hierin is kort samengevat weergegeven dat zij op 2 november 2016 een afspraak had met een jonge vrouw, die zij tot dan alleen via [naam social media] kende; zij zou enig geld kunnen verdienen. De consument moest plaatsnemen in een auto waarin vier personen zaten – twee mannen en twee vrouwen -, en zij heeft in die auto haar eigen telefoontoestel moeten inleveren. Ze is achtereenvolgens gebracht naar de winkels van de ondernemer, [naam tweede ondernemer] en [naam winkel] in [plaats]. Daar moest ze onder begeleiding van de genoemde jonge vrouw de twee abonnementen afsluiten; die andere vrouw heeft met name het woord in de winkels gevoerd. Bij de ondernemer en [naam tweede ondernemer] kon slechts één abonnement worden afgesloten. Bij [naam winkel] zijn met [naam derde ondernemer] twee abonnementen afgesloten. Vanaf het instappen in de auto was de situatie voor de consument bedreigend en dat is zo gebleven totdat ze na de transacties weer naar huis kon gaan.

De verkoper in de winkel van de ondernemer heeft de transacties niet kritisch begeleid. Het valse adres dat van de consument is opgegeven, is niet gecontroleerd. De consument zelf heeft nauwelijks het woord gevoerd. Er is met name niet onderzocht waarom de jonge consument om twee abonnementen met dure toestellen heeft gevraagd.

Thuis heeft de consument later alles aan haar moeder verteld. In alle gevallen is het de moeder van de consument gelukt de simkaarten in de telefoontoestellen te blokkeren voordat er mee was gebeld.

De consument beroept zich er in de eerste plaats op dat zij de overeenkomsten is aangegaan onder dwang van derden. Zij heeft daarom de vernietiging ingeroepen van de met de ondernemer gesloten overeenkomst op grond van artikel 3:44 lid 1 B.W.

Ten tweede beroept de consument zich er op dat haar wil bij het aangaan van de overeenkomst ontbrak zodat op grond van artikel 3:33 lid 1 B.W. geen geldige overeenkomst is tot stand gekomen.

De consument verlangt dat op grond van de ingeroepen vernietiging van de overeenkomst dan wel het ontbreken van haar wil bij het sluiten van de overeenkomst wordt beslist dat zij niets aan de ondernemer is verschuldigd.

Standpunt van de ondernemer

De ondernemer heeft in hoofdzaak het volgende gesteld.

De ondernemer treft in deze zaak geen blaam. De verkoper in de winkel van de ondernemer hoefde niet te veronderstellen dat er iets niet in orde zou zijn. Het sluiten van een tweede abonnement is direct afgewimpeld, omdat dit met een jong meerderjarige zoals de consument volgens de vaste instructies van de ondernemer niet wordt afgesloten. Het afsluiten van één abonnement met een jong meerderjarige zoals de consument komt vaak voor. De controle van een adres wordt niet verricht bij een transactie zoals die met de consument is gesloten. Pas sinds mei 2017 is er een wettelijke verplichting tot controle van het inkomen van een consument bij een toestelkrediet van boven
€ 250,–.

De verkopers in het bedrijf van de ondernemer zijn getraind op fraude. Uit de stukken en intern onderzoek van de afdeling Credit Risk van de ondernemer blijkt niet dat er tijdens de transactie intimiderend gedrag door woorden of daden van de kant van de begeleidster was ten opzichte van de consument. Er is dan ook geen reden het beroep op de vernietiging van de overeenkomst op grond van artikel 3:44 lid 1 B.W. of op het ontbreken van de wil van de consument op grond van artikel 3:33 B.W. te honoreren.

Voor het geval de commissie anders zou beslissen beroept de ondernemer zich erop dat uit het proces-verbaal van politie blijkt dat er sprake was van geldelijk gewin bij de consument.

De ondernemer is bereid de vaste kosten van het abonnement kwijt te schelden, maar vordert betaling van een vergoeding van de inkoopwaarde van het aan de consument verstrekte telefoontoestel. Een gedeelte hiervan is al betaald; het juiste bedrag van de betaling moet worden nagezocht.

De klacht is ongegrond.

Beoordeling van het geschil

De commissie heeft het volgende overwogen.

De stellingen van de consument vinden steun in de overgelegde kopie van het proces-verbaal van politie. De commissie kan zich voorstellen dat de situatie voor en tijdens de transacties voor de consument bedreigend was.

Uit de stellingen van partijen vloeit echter niet voort dat de verkoper van de ondernemer reden had te veronderstellen dat de verklaringen van de consument bij de transacties tot stand zijn gekomen door bedreiging van derden, zoals artikel 3:44 lid 5 B.W. vereist. Daarop strandt het beroep van de consument op vernietiging van de overeenkomsten op grond van artikel 3:44 lid 1 B.W.

Er is in deze zaak ook geen reden aan te nemen dat de verkoper van de ondernemer aan de hand van de afgelegde verklaringen van de kant van de consument dat de wil van de consument ontbrak tot het sluiten van de overeenkomst. Hiervoor is onvoldoende dat tijdens de transactie het woord met name werd gevoerd door de jonge vrouw die de consument vergezelde. Nu het sluiten van een tweede abonnement nauwelijks aan de orde is geweest, was ook het vragen hiernaar geen omstandigheid die tot een ander oordeel leidt, evenmin als de opgave van een vals adres. De controle van een adres bij een transactie waar het in deze zaak om gaat, is ook niet goed mogelijk tegenwoordig. De commissie concludeert daarom dat het beroep van de consument op artikel 3:33 B.W. faalt, omdat de ondernemer met succes een beroep doet op artikel 3:35 B.W.: de verkoper van de ondernemer mocht redelijkerwijs veronderstellen dat de verklaring en het gedrag van de consument tijdens de transactie waren gericht op de totstandkoming van de overeenkomst.

Er wordt daarom als volgt beslist.

Beslissing

De klacht is ongegrond.

Het door de consument verlangde wordt afgewezen.

Aldus beslist door de Geschillencommissie Telecommunicatiediensten op 13 september 2017.