Ondernemer had meer moeten doen voor peuter die nog niet kon lopen

De Geschillencommissie
Print Friendly, PDF & Email




Commissie: Kinderopvang    Categorie: Informatieverstrekking / Overeenkomst / Zorgvuldigheid    Jaartal: 2019
Soort uitspraak: bindend advies   Uitkomst: gegrond   Referentiecode: 119522

De uitspraak:

Waar gaat de uitspraak over

Omdat de zoon van de ouder nog niet kon lopen, zegde de ondernemer de opvang op. Kunnen lopen was nodig, omdat de peutergroep op de eerste etage is. De opzegtermijn was slechts 3 weken. De commissie vindt dat de ondernemer meer had moeten doen om te kijken naar alternatieven, zijn zorgen over de zoon beter had moeten uiten en een ruimere opzegtermijn had moeten aanhouden. De ouder krijgt gelijk.

Volledige uitspraak

Onderwerp van het geschil
De consument klaagt, kort samengevat, over opzegging van de plaatsingsovereenkomst van haar zoontje met ingang van 1 september 2018 omdat haar zoontje nog niet zelfstandig kon lopen.

De consument heeft de klacht op 16 augustus 2018 schriftelijk voorgelegd aan de ondernemer.

Standpunt van de consument
Voor het standpunt van de consument verwijst de commissie naar de overgelegde stukken, in het bijzonder naar het vragenformulier dat op 22 augustus 2018 is ontvangen. In de kern komt dit standpunt op het volgende neer.

De consument en haar echtgenoot maken met ingang van 1 maart 2017 gebruik van kinderopvang bij de ondernemer voor hun zoontje van 2 jaar. Volgens de consument heeft zij zonder rechtsgeldige reden een (mondelinge) aankondiging ontvangen tot opzegging van de plaatsingsovereenkomst met ingang van 1 september 2018. Zij hebben de klacht aan de commissie voorgelegd. 

In de brief van 11 september 2018 heeft de consument haar vordering verduidelijkt en aangevuld en de commissie verzocht om een uitspraak te doen over de volgende onderwerpen:

  1. De inhoudelijke reden van opzegging van het contract. De overeenkomst is opgezegd omdat de zoon niet zelfstandig kon lopen, ondernemer geeft aan dat dit nodig is – mede met het oog op calamiteiten – omdat kinderen vanaf 2 jaar bij de ondernemer op de eerste etage worden ondergebracht en dus trap moeten kunnen lopen. Volgens de consument is dit geen geldige reden voor opzegging. De consument zet vraagtekens bij het beleid dat kinderen tussen 2 en 4 jaar bij een calamiteit zoals brand worden geacht zelfstandig de trap af te kunnen lopen;
  2. Het uitblijven van een gemotiveerde schriftelijke opzegging door de ondernemer, zoals is vereist in artikel 7 lid 4 van de door de ondernemer gehanteerde algemene voorwaarden;
  3. Het niet in acht nemen van de opzegtermijn van twee maanden;
  4. Het uitblijven van betaling van bovengenoemde financiële compensatie voor de dagen waarop de consument in de periode 13 augustus tot 1 september 2018 vanwege het zoeken naar een alternatief kinderdagverblijf geen gebruik van de opvang kon maken, namelijk 16,5 uur opvang op 23, 24 en 30 augustus 2018. Uitgaande van het contractuele uurtarief van € 6,90 komt dit neer op 16,5 x 6,90 = € 113,85. De ondernemer heeft aangegeven dat het uurtarief € 7,15 bedraagt en heeft de compensatie daarop aangepast naar € 117,18;
  5. Een door de consument tevens verlangde vergoeding van € 750,75 voor de vakantiedagen in juli en augustus 2018 waarop geen gebruik is gemaakt van opvang maar wel opvang is betaald, doordat niet met een opzegtermijn van twee maanden is opgezegd, maar vlak na de zomervakantie. Het gaat om 10 dagen (20, 23, 26, 27 en 30 juli en 2, 3, 6, 9 en 10 augustus) van 10,5 uur à € 7,15 per uur, hetgeen neerkomt op een bedrag € 750,75. Indien de ondernemer met een opzegtermijn van twee maanden had opgezegd, had de consument na de zomervakantie een nieuw contract met een ander kinderdagverblijf kunnen laten ingaan en waren deze kosten niet gemaakt.

De consument vindt het treurig en verdrietig dat een kind van nog geen 2 jaar dat meer dan een gemiddeld kind moeite heeft met leren lopen en daar zo zijn best voor doet, niet langer kan komen. Dit met name omdat de ondernemer in het pedagogisch plan benoemt dat de overgang van de babygroep naar de peuters mede afhankelijk is van de ontwikkeling van het kind en dat de wenperiode zonodig verlengd kan worden. Voor de ouders kwam het onverwacht dat hun zoontje per september 2018 niet meer naar de kinderopvang kon blijven komen. Dit is bij de ouders hard aangekomen en heeft zijn weerslag gehad op het hele gezin. De ouders hadden het op prijs gesteld als daarover beter was gecommuniceerd. Het zoontje is in die periode wel vooruit gegaan met leren lopen en de ouders hebben het gevoel dat er toch nog naar oplossingen gezocht had kunnen worden. Een andere groep was geen optie omdat dat voor haar zoontje een te grote overgang zou zijn geweest. 

Standpunt van de ondernemer
Voor het standpunt van de ondernemer verwijst de commissie naar de overgelegde stukken, in het bijzonder naar het verweerschrift dat op 8 november 2018 is ontvangen. In de kern komt dit standpunt op het volgende neer.

De zoon van de consument, die geboren is op 2 september 2016, zou vanaf zijn tweede jaar, per september 2018, van de babygroep naar de peutergroep doorstromen. Vanwege een achterstand in zijn motoriek, die al in 2017 bekend was, heeft in februari 2018 een gesprek plaatsgevonden met de consument om de ontwikkeling van haar zoon te bespreken. Dit omdat de zoon moet kunnen lopen om naar de peutergroep door te stromen. De peutergroepen bevinden zich namelijk op de eerste verdieping, zodat peuters zelfstandig moeten kunnen lopen voor deelname aan activiteiten en bij eventuele calamiteiten. Daarna is een fysiotherapeut voor de zoon langsgeweest en hebben de leidsters de oefeningen van de fysiotherapeut met de zoon gedaan.

In juni 2018 heeft de ondernemer met de consument besproken dat de ontwikkeling niet echt doorzet en dat gekeken moest worden naar ander oplossingen. Er is aangeboden om de zoon langer bij de babygroep te laten spelen, maar dan op rustiger dagen, zodat er voldoende aandacht voor hem was. Dit was niet mogelijk op de huidige dagen vanwege de doorstroming van nieuwe kinderen. De ondernemer heeft aangegeven dat andere kinderdagverblijven wellicht betere alternatieven bieden. De consument wilde de beslissing graag uitstellen tot na de zomervakantie omdat ze verwachtte dat haar zoon dan zou kunnen lopen en de normale planning aangehouden kon worden. 

Na de vakantie bleek dat de zoon nog niet zelfstandig kon lopen, alleen achter een loopkar. De ondernemer heeft aangegeven dat de zoon daarom niet per 1 september 2018 naar de peuters kon doorstromen. De ondernemer heeft aangegeven dat er geen opvang meer geboden kon worden indien de opvang niet op andere dagen kon plaatsvinden en dat anders toch naar een ander kinderdagverblijf moest worden gekeken. De ouders hebben dit geïnterpreteerd als opzegging. Het huidige contract is volgens de ondernemer echter niet beëindigd, zodat de financiële verplichtingen doorlopen. Ten tijde van het indienen van het verweerschrift bedroeg het openstaand saldo € 2.927,94, zijnde de opvangkosten over de maanden september, oktober en november 2018, waarvan de ondernemer meent dat deze verschuldigd zijn. De zoon blijkt inmiddels al geruime tijd bij een ander kinderdagverblijf ingeschreven te staan. 

De stelling van de consument dat de ondernemer de problemen pas in augustus heeft onderkend en onmiddellijk het contract heeft opgezegd, is onjuist. De ondernemer heeft het contract niet beëindigd, maar alleen opties aangedragen en uitgelegd dat het beter is om te kijken of andere kinderdagverblijven betere mogelijkheden kunnen bieden. Voor de ouders waren andere mogelijkheden echter niet bespreekbaar. De leidsters hebben veel energie en extra aandacht aan de zoon besteed en hem zoveel mogelijk gemotiveerd, waarvan de consument dagelijks op de hoogte werd gehouden. De ouders hebben de beslissing uitgesteld tot na de zomervakantie, terwijl ze wisten dat de doorstroming naar de peuters op 1 september 2018 had moeten plaatsvinden. Ze gingen ervan uit dat ze hun zoon in de vakantie konden leren lopen, hetgeen niet is gelukt. Ze hebben toen op eigen initiatief besloten hun zoon niet meer naar de opvang te brengen en in te schrijven bij een ander kinderdagverblijf. 

De ondernemer is bereid een vergoeding van € 117,18 aan de consument te betalen voor niet afgenomen opvangdagen in augustus 2018 van in totaal 16,5 uur, op basis van het uurtarief van € 7,15, mits het dossier wordt gesloten. Dit is een hoger bedrag dan de door de consument verlangde vergoeding van € 113,85. De ondernemer heeft van de consument echter geen bevestiging van dit voorstel ontvangen. In plaats daarvan heeft de consument de klacht bij de commissie ingediend. Het bedrag is dan ook nog niet betaald. De ondernemer is nog steeds bereid de niet-afgenomen dagen te vergoeden tot een bedrag van € 117,18 en af te zien van de contractuele verplichtingen van de consument na 1 september 2018. 

Beoordeling van het geschil
Aan de commissie ligt de vraag voor of de ondernemer de plaatsingsovereenkomst heeft opgezegd, zoals de consument heeft gesteld, en indien dat het geval is, of dat op de juiste wijze is gebeurd. Volgens de consument heeft de ondernemer de overeenkomst op 13 augustus 2018 mondeling opgezegd omdat de zoon van de consument op dat moment nog niet geheel zelfstandig kon lopen. De consument vindt dat geen geldige reden voor opzegging. Volgens de ondernemer is er niet opgezegd, maar alleen aangegeven dat naar andere mogelijkheden gekeken moest worden omdat voor doorstroming naar de peuters is vereist dat de zoon kon lopen, aangezien de peutergroepen zich op de eerste verdieping bevinden.

Op grond van de stukken en hetgeen ter zitting naar voren is gebracht stelt de commissie vast dat de handelwijze van de ondernemer wel aangemerkt dient te worden als opzegging van de plaatsingsovereenkomst op 13 augustus 2018 met ingang van 1 september 2018. Op grond van de overeenkomst heeft de ondernemer zich verbonden om de zoon van de consument op bepaalde dagen tegen het afgesproken tarief opvang te bieden. De ondernemer heeft weliswaar een aantal andere mogelijkheden genoemd, maar deze waren voor de ouders geen goede alternatieven/of opties, zodat niet van hen gevergd kon worden daarmee in te stemmen. Zo heeft de ondernemer als mogelijkheid genoemd dat de zoon op andere dagen wordt opgevangen, maar de commissie kan zich voorstellen dat de ouders, in verband met verplichtingen uit hun dienstbetrekkingen, daarmee niet zonder meer akkoord konden gaan. De ondernemer heeft verder de optie genoemd dat de zoon tijdelijk in de huidige babygroep blijft komen en dat een extra pedagogisch medewerker wordt aangesteld, waarbij de kosten van deze medewerker voor rekening van de consument komen. De commissie kan zich voorstellen dat dat voorstel door de consument evenmin acceptabel is geacht. Tevens kan de commissie zich voorstellen dat de ouders geen gebruik konden maken van het voorstel om hun zoon naar een andere babygroep te laten overstappen omdat verhuizing naar een groep met andere kinderen en andere leidsters voor hun zoon te ingrijpend zou zijn geweest. Als geen van de opties goed uitvoerbaar is of zelfs sprake is van essentiële wijzigingen in de uitvoering van de overeenkomst, komt dit voor de consument in feite neer op beëindiging van de lopende overeenkomst. 

Hoewel de commissie zich kan voorstellen dat er voor de ondernemer beperkte mogelijkheden waren tot voortzetting van de overeenkomst doordat de zoon van de consument nog niet kon lopen en de peutergroepen zich op de eerste verdieping bevinden, is de commissie van oordeel dat het op de weg van de ondernemer had gelegen om ruimschoots van tevoren ofwel een alternatieve optie te bieden, zoals een langer verblijf in de babygroep of het aanstellen van een extra pedagogisch medewerker, eventueel met het verzoek of de consument daaraan zou willen bijdragen, ofwel de overeenkomst op te zeggen, maar dan met inachtneming van een ruime opzegtermijn, zodat de consument de tijd heeft om nieuwe opvang te zoeken. Partijen hebben aangegeven dat er in februari 2018 een gesprek heeft plaatsgevonden over de ontwikkeling van de zoon van de consument. Op dat moment was reeds duidelijk dat er, in verband met de motoriek van de zoon, problemen konden ontstaan bij de doorstroming naar de peuters. Naar het oordeel van de commissie was dat het aangewezen moment voor de ondernemer om explicieter met de ouders te communiceren en een stappenplan op te stellen, inclusief een mogelijkheid voor het geval dat de zoon na het bereiken van tweejarige leeftijd nog niet zelfstandig zou kunnen lopen en de andere opties niet uitvoerbaar waren. Voor de ouders kwam de mededeling op 13 augustus 2018 dat hun zoontje niet langer kon blijven, toch nog onverwacht en dit heeft hen veel verdriet gedaan. Weliswaar kon niet in de toekomst worden gekeken en wisten beide partijen niet hoe het na 1 september zou gaan lopen, maar juist omdat het gaat om een wat kwetsbaarder kind, lag het naar het oordeel van de commissie op de weg van de ondernemer om op dit punt extra zorgvuldig te communiceren. 

Ter zitting is aan de commissie gebleken dat het probleem van het niet kunnen doorstromen naar de peuters niet alleen samenhing met de calamiteitenregeling, zoals de brandveiligheid, maar ook met de bezorgdheid van de medewerkers over de vraag of de zoon goed zou kunnen meekomen in de peutergroep, met andere kinderen die wel konden rondrennen. De commissie waardeert deze betrokkenheid en oprechte bedoelingen van de ondernemer, maar is van oordeel dat het wel op de weg van de ondernemer had gelegen om deze zorgen explicieter en vooral open met de ouders te delen en de consequenties daarvan voor de opvang tijdig te bespreken. 

Nu de opzegdatum 1 september net na de zomervakantie is gelegen en het gaat om een niet aan de consument verwijtbare ‘overmachtsituatie’ waardoor per 1 september 2018 geen opvang meer geboden kan worden, acht de commissie het redelijk dat de consument in dit geval zoveel mogelijk tegemoet wordt gekomen bij de gemaakte kosten in de zomermaanden. Dit brengt mee dat de door de consument verlangde vergoedingen van € 750,75 voor de vakantiedagen in juli en augustus 2018, alsmede van € 117,18 voor de niet genoten dagen in augustus 2018, door de commissie redelijk worden geacht. De commissie zal aan de ondernemer opleggen om deze bedragen aan de consument te voldoen. Gezien de beëindiging per 1 september 2018 is de consument per deze datum geen opvangkosten meer verschuldigd. Het door de ondernemer genoemde bedrag van € 2.927,94 behoeft de consument derhalve niet meer te voldoen.

Op grond van het voorgaande is de commissie van oordeel dat de klacht gegrond is. Om die reden zal de commissie bepalen dat de ondernemer het klachtengeld aan de consument dient te vergoeden.

Dit brengt mee dat als volgt dient te worden beslist.

Beslissing
De commissie:

  • verklaart de klacht van de consument gegrond;
  • bepaalt dat de ondernemer een bedrag van € 750,75 + € 117,18, zijnde € 867,93, aan de consument dient te voldoen; 
  • bepaalt dat de ondernemer tevens een bedrag van € 25,– dient te vergoeden aan de consument ter zake van het klachtengeld;
  • betaling dient plaats te vinden binnen een maand na de verzenddatum van dit bindend advies.

Aldus beslist op 20 februari 2019 door de Geschillencommissie Kinderopvang, bestaande uit 

mevrouw mr. drs. E.I.P.M. van Bellen-Weijnen, voorzitter, mevrouw mr. S.A.M.F. Sjoukes en mevrouw E.C. Rosemünd, leden, in aanwezigheid van mr. M.E. Taams-van Hoeken, secretaris.