Ondernemer moet nulmeting laten uitvoeren na klacht over scheurvorming in vloer

De Geschillencommissie Opslaan als PDF




Commissie: Verbouwingen en nieuwbouw    Categorie: Tekortkoming in de uitvoering opdracht    Jaartal: 2024
Soort uitspraak: bindend advies na tussen advies   Uitkomst: gegrond   Referentiecode: 235579/250488

De uitspraak:

Waar gaat de uitspraak over?

In deze zaak bij de Geschillencommissie Verbouwingen en Nieuwbouw klaagt een consument over scheurvorming in de vloer van haar woning, veroorzaakt door het ontbreken van een dilatatievoeg tussen oude en nieuwe betonvloeren. De commissie oordeelt dat de ondernemer had moeten overleggen met de consument of haar constructeur over extra voorzieningen aan de vloer. Omdat dit niet is gebeurd, is er sprake van een tekortkoming. Uit onderzoek blijkt dat de huidige scheur klein en niet schadelijk is, maar het is niet zeker of deze in de toekomst zal verergeren. Daarom moet de ondernemer binnen vier weken een nulmeting laten uitvoeren door een landmeetkundige, op eigen kosten. Als de scheur binnen twee jaar groter wordt, moet opnieuw worden gemeten. Als blijkt dat de vloer is gaan verzakken, kan de consument opnieuw een klacht indienen. De commissie bepaalt ook dat de ondernemer het klachtengeld van €260 moet terugbetalen aan de consument en dat hij behandelingskosten verschuldigd is.

De volledige uitspraak

Onderwerp van het geschil

Het resterende geschil betreft tekortkomingen over de scheurvorming c.q. het ontbreken van een dilatatie in de vloer van de woning van de consument.

Bevoegdheid en verloop van de procedure

De commissie verwijst voor haar bevoegdheid en het verloop van de procedure naar haar bindend advies deels tussenadvies van 21 juni 2024, waarvan de inhoud als hier herhaald en ingelast dient te worden beschouwd. Bij deze beslissing heeft de commissie eindvonnis gewezen in de klacht over vochtproblematiek/ geen keerwand geplaatst. Ten aanzien van de klacht over de ontbrekende dilatatie heeft de commissie overwogen dat uit het rapport van de deskundige de heer E.G. Spruitenburg (verder: de deskundige) niet duidelijk bleek of ten aanzien van de scheurvorming c.q. het ontbreken van een dilatatie sprake is van schade waarvoor de ondernemer verantwoordelijk is te houden. De commissie achtte zich hiermee onvoldoende geïnformeerd om tot een eindbeslissing over de scheurvorming c.q. het ontbreken van een dilatatie in de vloer te komen. De commissie zag aanleiding – voorshands de aansprakelijkheid in het midden latend – te onderzoeken of en in hoeverre er sprake is van schade.

De commissie heeft met betrekking tot deze klacht aan de deskundige de volgende vragen gesteld:

Vraag 1: Deelt de deskundige de opvatting dat er gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, daargelaten de scheur in de dekvloer, feitelijk geen schade is? Zo niet, waarom niet?
Vraag 2: Zo de deskundige voornoemde opvatting deelt, is dan de scheur in de dekvloer als schade te beschouwen, en zo ja, op welke wijze is deze te herstellen?
Vraag 3: Zo de deskundige voornoemde opvatting niet deelt, is schadeherstel alleen mogelijk door alsnog een dilatatievoeg tussen beide betonvloeren aan te brengen?

De deskundige heeft op 16 september 2024 aanvullend schriftelijk gerapporteerd.

Partijen zijn in de gelegenheid gesteld om binnen 14 dagen schriftelijk te reageren op dit rapport. Partijen hebben daarvan geen gebruik gemaakt. De inhoud van het aanvullende rapport van de deskundige geldt – voor zover hierna niet aangehaald – als hier herhaald en ingelast.

De commissie heeft het resterende geschilpunt op de stukken afgedaan.

Beoordeling van het geschil

Naar aanleiding van hetgeen partijen schriftelijk en mondeling naar voren hebben gebracht en met inachtneming van de inhoud van de in het geding gebrachte stukken, in het bijzonder het deskundigenrapport en de aanvullende rapportage van de deskundige overweegt de commissie als volgt.

De commissie heeft in haar tussenadvies de aansprakelijkheid van de ondernemer in het midden gelaten.

De commissie overweegt dat de consument weliswaar geen opdrachtgeefster was voor de nieuwe betonvloer, maar dat de ondernemer verplicht was met haar, althans haar constructeur te overleggen indien er extra voorzieningen voor de vloerconstructie nodig waren. Dat heeft hij volgens de consument niet gedaan. Nu deze stelling van de consument niet dan wel onvoldoende is weersproken, is er sprake van een tekortkoming in de nakoming van de overeenkomst. Gelet op de rapportages van de deskundige valt aan te nemen dat – zou het overleg wel plaatsgehad hebben – dit geleid had tot aanleg van de betonvloer volgens de norm goed en deugdelijk werk, te weten met een dilatatievoeg. Daarmee is de ondernemer in beginsel aansprakelijk voor de afwezigheid van een dilatatievoeg.

De commissie overweegt dat uit het oordeel van de deskundige blijkt dat, ervan uitgaande dat de dijkwoning meer dan 10 jaar na de aanbouw is gestabiliseerd en de omvang van de scheur niet zal toenemen, er geen schade is. De thans aanwezige scheur is qua wijdte en lengte minimaal. Dergelijke scheuren die niet waterdoorlatend zijn, zijn toelaatbaar. Er is evenwel niet met zekerheid vast te stellen of uitbreiding van scheurvorming achterwege blijft. De commissie acht het van belang om gedurende twee jaar aan te zien of de scheur in de vloer erger wordt. Een nulmeting is noodzakelijk als referentiekader.

De ondernemer zal daarom worden veroordeeld om opdracht te geven aan een landmeetkundige, die op kosten van de ondernemer, een nulmeting verricht en de peilmaten van de vier uiterste hoeken van zowel het onderheide vloerveld als het niet onderheide vloerveld, vastlegt ten opzichte van NAP. De ondernemer dient de meetgegevens (ook) te verstrekken aan de consument.

De meting dient binnen een maand na het uitbrengen van dit bindend advies verricht te worden.

Op het moment dat de consument ervaart dat de scheur, binnen die periode van twee jaar, groter is geworden kan zij zich melden bij de ondernemer. De ondernemer dient in dat geval, opnieuw op zijn kosten peilmetingen te laten verrichten op dezelfde plaatsen als bij de nulmeting. Daaruit is af te leiden of zettingen hebben plaatsgevonden waardoor de scheuren verergerd zijn. Als dat zich voordoet kan de consument, zo partijen niet tot elkaar komen, zich opnieuw tot de commissie wenden. In het geval de scheur na twee jaar niet is verergerd, is de ondernemer niet langer aansprakelijk te houden.

De achterliggende gedachte van de commissie is dat de scheur groter kan worden als de vloer zettingen vertoont. De nulmeting hoort bij de huidige scheurwijdte. Als de scheur groter wordt, kan dit ontstaan zijn door zettingen die op dat moment weer gemeten en vergeleken kunnen worden met de huidige situatie. Het zou ook kunnen dat de scheur groter is geworden zonder dat de vloer zettingen heeft vertoond. Wellicht ten overvloede overweegt de commissie dat dit ook met een dilatatievoeg niet had kunnen worden voorkomen.

Klachtengeld

Ten aanzien van het klachtengeld dat de consument aan de commissie heeft voldaan, overweegt de commissie dat de consument deels in het gelijk wordt gesteld. De commissie zal op grond van het reglement bepalen dat de ondernemer het klachtengeld, dus een bedrag van € 260,–, aan de consument dient te vergoeden.

Behandelingskosten

Op grond van artikel 10 van het reglement is de ondernemer behandelingskosten verschuldigd.

Beslissing

De commissie, beslissend naar redelijkheid en billijkheid, met inachtneming van de tussen partijen gesloten overeenkomst en de daarvan deel uitmakende voorwaarden, beslist als volgt:
I. Veroordeelt de ondernemer tot het binnen vier weken na verzenddatum van dit bindend advies op zijn kosten laten doen van een nulmeting, alsmede tot eventuele vervolgmetingen conform hetgeen hiervoor door de commissie is overwogen;
II. Veroordeelt de ondernemer tot vergoeding van het klachtengeld ad € 260,– aan de consument;
III. Stelt vast dat de ondernemer behandelingskosten verschuldigd is.

Aldus beslist door de Geschillencommissie Verbouwingen en Nieuwbouw, bestaande uit de heer mr. R.J. Paris, de heer ing. G.J. van Ingen en mevrouw mr. drs. S. Meinhardt, in aanwezigheid van mr. D.C.J. Frijlink, secretaris, op 7 november 2024.

Opslaan als PDF