Commissie: Verbouwingen en nieuwbouw
Categorie: (non)conformiteit
Jaartal: 2024
Soort uitspraak: arbitraal vonnis
Uitkomst: gegrond
Referentiecode:
383511/430101
De uitspraak:
Waar gaat de uitspraak over?
In deze zaak klaagt een consument bij de Geschillencommissie Verbouwingen en Nieuwbouw omdat haar nieuwbouwappartement is opgeleverd met andere verwarmingsapparaten dan afgesproken. Volgens de technische omschrijving zou er een Intergas Xtreme 36 combiketel en een Ducobox Eco ventilatie warmtepomp worden geïnstalleerd, maar de ondernemer plaatste een Intergas Xtreme 30 en een Ducobox Silent zonder warmtepomp. De consument werd hierover niet vooraf geïnformeerd. De ondernemer stelt dat hij mocht afwijken van de omschrijving en dat de nieuwe installatie gelijkwaardig is. De arbiters oordelen dat de consument terecht mocht verwachten dat er een warmtepomp zou worden geleverd, zoals vermeld in de technische omschrijving. Omdat herstel met hak- en breekwerk te ingrijpend is, krijgt de consument een schadevergoeding van €5.000. Daarnaast moet de ondernemer het klachtengeld van €260 vergoeden. De consument moet wel meewerken aan vrijgave van een depotbedrag van €14.925,85 voor openstaande termijnen, maar hoeft geen rente of proceskosten te betalen. De klacht is gegrond, maar valt niet onder de garantieregeling.
De volledige uitspraak
Ondergetekenden:
Mevrouw mr. M.L. Braaksma, de heer ing. T.C.M. Wever en mevrouw mr. C. Muller, die in het onderhavige geschil als arbiters optreden, hebben het volgende vonnis gewezen.
Bevoegdheid arbiters en plaats van arbitrage
De bevoegdheid van de arbiters tot beslechting van het geschil berust op een aannemingsovereenkomst voor appartementsrechten (hierna te noemen: de overeenkomst) die partijen met elkaar hebben gesloten, met toepasselijkheid van de BouwGarant Nieuwbouwgarantieregeling 2020 Appartemensrechten (hierna te noemen: de Nieuwbouwgarantieregeling), model 1 januari 2020, waarin is opgenomen een arbitragebeding. Hierin wordt bepaald dat “alle geschillen, welke ook (…) die naar aanleiding van de aannemingsovereenkomst of van overeenkomsten die daarvan een uitvloeisel mochten zijn, tussen de Opdrachtgever en de Deelnemer mochten ontstaan, worden beslecht door arbitrage conform het Geschillenreglement van de Geschillencommissie Verbouw & Nieuwbouw zoals dat luidt ten dage van de aanhangig making van het geschil.”
Daarmee is voldaan aan de eis van artikel 1021 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.
De arbiters zijn daarom bevoegd om het geschil te beslechten. Zij dienen gelet op het bepaalde in artikel 30 lid 1 van het Geschillenreglement van de Geschillencommissie Verbouwingen en Nieuwbouw (hierna te noemen: het reglement) te beslissen als goede personen naar billijkheid, met inachtneming van de tussen partijen gesloten overeenkomst en de daarvan deel uitmakende voorwaarden.
Als plaats van arbitrage is Den Haag vastgesteld met als zittingsplaats Utrecht.
Onderwerp van het geschil
Het geschil gaat erover dat de ondernemer in het nieuwbouwappartement van de consument andere verwarmingsapparatuur heeft geïnstalleerd dan tussen partijen is overeengekomen.
Behandeling van het geschil
Op 25 oktober 2024 heeft te Utrecht de mondelinge behandeling van het geschil plaatsgevonden ten overstaan van de arbiters, bijgestaan door mr. L.G.H. Cox als secretaris.
Beide partijen zijn op de zitting verschenen en hebben hun standpunten nader toegelicht. De consument werd op de zitting vergezeld van haar partner. De ondernemer werd op de zitting door middel van een telefonische verbinding vertegenwoordigd door de heer (naam), directeur, en bijgestaan door de heer mr. (naam) voornoemd.
Standpunt van de consument
Voor het standpunt van consument verwijzen de arbiters naar de overgelegde stukken en naar hetgeen door de consument op de zitting naar voren is gebracht. In de kern komt het standpunt op het volgende neer.
Het nieuwbouwappartement van de consument is op 2 februari 2024 opgeleverd. In de technische omschrijving staat beschreven dat de verwarming van het appartement wordt geregeld door een Intergas Xtreme 36 combiketel (o.g.) in combinatie met een Ducobox Eco ventilatie warmtepomp (o.g.). Bij de oplevering bleek dat beide apparaten niet geïnstalleerd zijn. De geïnstalleerde cv-ketel bleek een Intergas Xtreme 30 te zijn in combinatie met een Ducobox Silent zonder ingebouwde warmtepomp voor warmteterugwinning. De ondernemer heeft de consument hierover niet van tevoren ingelicht.
In het proces-verbaal van oplevering is geen melding gemaakt van het feit dat er andere apparatuur is geïnstalleerd dan vermeld in de technische omschrijving. Dit betekent echter niet dat er tijdens de oplevering niet over gesproken is. De projectleider heeft het alleen niet genoteerd in het proces-verbaal. Op 5 februari 2024 is er over dit punt een e-mailwisseling geweest tussen de projectleider en de consument waarin wordt gerefereerd aan het gesprek over de Ducobox tijdens de oplevering. De projectleider had tijdens dat gesprek aangegeven erop terug te komen, wat voor de consument voldoende reden was om het proces-verbaal van oplevering te ondertekenen.
De consument wil ooit van het gas af en de apparaten die in de technische omschrijving zijn vermeld, zijn daar een voorloper op. Met die apparaten heeft de consument ook lagere energiekosten dan met de apparaten die zijn geïnstalleerd. Daarbij komt dat er een prijsverschil is tussen de beschreven en de geïnstalleerde apparaten en dat de woning minder waard is omdat deze niet hybride wordt verwarmd.
De consument wil dat het appartement wordt voorzien van de apparatuur die is omschreven in de technische omschrijving, maar als dat betekent dat er in het appartement leidingen aangelegd of verlegd moeten worden, gepaard gaande met hak- en breekwerk, of als die leidingen zichtbaar zijn in slaapkamers dan kiest zij voor een schadevergoeding.
Standpunt van de ondernemer
Voor het standpunt van de ondernemer verwijzen de arbiters naar de overgelegde stukken en naar hetgeen door de ondernemer op de zitting naar voren is gebracht. In de kern komt het standpunt op het volgende neer.
De consument heeft bij de oplevering op 2 februari 2024 geconstateerd dat er in haar appartement andere apparaten zijn geïnstalleerd dan die genoemd in de technische omschrijving. De consument heeft echter het appartement geaccepteerd, zo blijkt uit het proces-verbaal van oplevering dat door beide partijen is getekend en waarin niets is opgenomen over de niet geïnstalleerde apparaten. Uit artikel 7:758 lid 3 van het Burgerlijk Wetboek (BW) volgt dat de ondernemer is ontslagen van eventuele aansprakelijkheid voor het gestelde gebrek nu vaststaat dat de consument dit zogenaamde gebrek kende bij oplevering.
Los van het voorgaande geldt dat van de technische omschrijving gedurende de uitvoering van het werk kan worden afgeweken. Dat de ondernemer andere apparaten mocht installeren, is tussen partijen expliciet overeengekomen. Dit is vermeld in artikel 3 van de aannemingsovereenkomst, terwijl de technische omschrijving vermeldt dat de ondernemer zich het recht voorbehoudt wijzigingen aan te brengen in de toe te passen materialen en de afwerking, voor zover dit geen afbreuk doet aan de kwaliteit. Dit is uiteindelijk ook daadwerkelijk gebeurd. Niet voor niets staat in de technische omschrijving veelvuldig “o.g.” vermeld, een afkorting die staat voor “of gelijkwaardig”. De ondernemer was dus niet gebonden aan de installatie van de Intergas Xtreme 36 combiketel in combinatie met een Ducobox Eco ventilatie warmtepomp.
Ten aanzien van de ventilatie-installatie had de ontwikkelaar een plan ontwikkeld waarbij als uitgangspunt een EPC-norm (Energie Prestatie Coëfficiënt) van 0.4 had te gelden, een en ander overeenkomstig het Bouwbesluit. In de technische omschrijving en de eerder gemaakte installatieberekening was initieel een Ducobox Eco ventilatie warmtepomp (o.g.) beoogd, met natuurlijke toevoer en mechanische afvoer, gemonteerd in de techniekruimte met de luchtafvoer door het dak door middel van een gecombineerde prefab schoorsteen en een Intergas Xtreme 36 combiketel (o.g.).
Nadat de bouwopdracht aan de ondernemer was verleend, bleek dat de Ducobox Eco ventilatie warmtepomp niet meer leverbaar was, omdat de productie van dat apparaat geheel was stopgezet. Het initiële plan was dus niet uitvoerbaar zodat de ondernemer naar een alternatief moest kijken. Overigens is het in de technische omschrijving vermelde apparaat geen warmtepomp. Bij dit apparaat zou de consument ook nooit van het gas zijn afgekomen. Om te waarborgen dat er aan de toepasselijke EPC-norm werd voldaan, zijn er aangepaste berekeningen gemaakt en is er definitief gekozen voor de nu aangebrachte installatie, de Ducobox Silent, die in alle opzichten gelijkwaardig is en waarmee ook de EPC-norm 0.4 wordt gehaald. De ondernemer is ervan uit gegaan dat de ontwikkelaar de wijziging zou communiceren met de consument, wat niet is gebeurd. De ondernemer realiseert zich dat het beter was geweest als hij dat zelf had gedaan.
De werking en capaciteit van de verwarmingsinstallatie voldoet aan de BouwGarant-regeling met bijbehorende garantiebepalingen. De door de consument aan te brengen vloerafwerking ter plaatse van de vloerverwarming mag een maximale isolatiewaarde hebben van Rc = 0,07 m2K/W. De door de ondernemer aangebrachte Intergas Xtreme 30 is een gelijkwaardige unit en voldoet aan die Rc-waarde. De doorstroom- capaciteit van de Xtreme 30 is ruim voldoende voor de appartementen.
Voor zover er onverhoopt sprake zou zijn van een gebrek – wat niet zo is -, dan is herstel daarvan volgens de ondernemer disproportioneel. In dat kader is ook van belang dat niet alleen de consument maar ook alle andere bewoners van het betreffende bouwproject zich er tegenover de ondernemer op zullen beroepen dat het de ondernemer niet vrijstond andere (zij het volgens de ondernemer gelijkwaardige) installaties te leveren dan initieel beoogd. De ondernemer zou dan in alle woningen de installaties moeten vervangen, terwijl evident is dat er geen schade wordt geleden en er tussen partijen nota bene is overeengekomen dat er ook een gelijkwaardig alternatief mag worden geleverd.
De ondernemer is van mening dat de consument in haar vordering niet-ontvankelijk verklaard moet worden dan wel dat die vordering moet worden afgewezen.
De ondernemer stelt een tegeneis in. De consument heeft erkend dat zij de tiende en elfde termijn van de aanneemsom, in totaal een bedrag van € 14.925,85, nog niet heeft betaald. Zowel de gemeenschappelijke gedeelten als de privégedeelten zijn inmiddels opgeleverd.
De ondernemer vordert dan ook bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, de consument te veroordelen tot betaling aan de ondernemer van € 14.925,85 te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 2 maart 2024 tot en met de dag van algehele betaling en te veroordelen in de kosten van deze procedure, een tegemoetkoming in de kosten van de rechtsbijstand aan de zijde van de ondernemer daaronder begrepen.
Reactie van de consument op de tegeneis
De consument heeft de tiende termijn nog niet betaald omdat er nog een geschil loopt over de geïnstalleerde Ducobox en de cv-ketel. Zij heeft de elfde termijn nog niet betaald omdat haar niet bekend is dat de algemene ruimte van het appartementencomplex is opgeleverd. De consument heeft daarvan geen bericht gehad, zij weet ook niet wie daarbij is geweest en zij heeft geen opleverrapport ontvangen. Zodra de algemene ruimte is opgeleverd en de consument daarvan in kennis wordt gesteld, zal zij het bedrag van € 4.264,53 betalen. De tiende termijn zal worden betaald als het geschil over de Ducobox en cv-ketel naar tevredenheid is opgelost.
Uitgangspunten
Voor de beoordeling van het geschil nemen de arbiters ‒ naar aanleiding van het over en weer door partijen gestelde en met inachtneming van de inhoud van de overgelegde stukken ‒ het volgende als uitgangspunt.
In de op 25 mei 2021 tussen partijen gesloten aannemingsovereenkomst heeft de ondernemer zich jegens de consument onder meer verbonden om, met inachtneming van de akte van splitsing en conform de betreffende technische omschrijving en tekening(en) en – voor zover aanwezig – staten van wijziging (…), het gebouw met aanhorigheden, waarvan het aan de consument verkochte appartementsrecht een aandeel uitmaakt, (af) te bouwen naar de in de BouwGarant Nieuwbouwgarantieregeling Appartementsrechten 2020 uitgewerkte eis van goed en deugdelijk werk, met inachtneming van de voorschriften van overheid en nutsbedrijven. Het appartement is op 2 februari 2024 opgeleverd.
Ook is op genoemde aannemingsovereenkomst eerdergenoemde Nieuwbouwgarantieregeling van toepassing verklaard. Op grond van de van toepassing zijnde artikelen van deze regeling heeft de ondernemer aan de consument gegarandeerd ervoor in te staan dat het werk zal voldoen aan de toepasselijke eisen voor nieuwbouw conform het Bouwbesluit en de eisen van goed en deugdelijk werk.
Beoordeling van het geschil
Op grond van artikel 30 lid 3 sub f van het reglement bevat het arbitrale vonnis, naast de beslissing, in elk geval de vaststelling welk gedeelte van het arbitrale vonnis betrekking heeft op die onderdelen van het geschil die vallen onder de Nieuwbouwgarantieregeling en welk gedeelte van het vonnis betrekking heeft op die onderdelen van het geschil die geen betrekking hebben op de Nieuwbouwgarantieregeling.
De arbiters overwegen als volgt.
Ten aanzien van de klacht van de consument
Het meest vérstrekkende verweer van de ondernemer is dat de consument bij de oplevering van het appartement heeft geconstateerd dat er in haar appartement andere apparaten zijn geïnstalleerd dan die genoemd in de technische omschrijving en door daarover niets in het proces-verbaal van oplevering te (laten) vermelden, het appartement heeft geaccepteerd. Volgens de ondernemer is hij dan op grond van artikel 7:758 lid 3 BW ontslagen van aansprakelijkheid voor het gestelde gebrek. De arbiters verwerpen dit verweer en lichten dit als volgt toe.
Het artikel waarop de ondernemer zich beroept, bepaalt dat de aannemer is ontslagen van de aansprakelijkheid voor gebreken die de opdrachtgever op het tijdstip van oplevering redelijkerwijs had moeten ontdekken.
De wetgever ziet in dat artikellid een uitwerking van het bepaalde in artikel 6:89 BW (rechtsverlies door niet-tijdig protesteren). De strekking van laatstgenoemd artikel is de schuldenaar – in dit geval de ondernemer – te beschermen tegen (te) late en daardoor moeilijk te betwisten klachten. Het (door partijen ondertekende) proces-verbaal van oplevering heeft slechts een bewijsfunctie, namelijk dat in elk geval over de daarin genoemde klacht(en) (binnen bekwame tijd) bij de ondernemer is geklaagd. Het enkele feit dat een klacht niet in het proces-verbaal is vermeld, betekent dan ook niet dat over die klacht niet bij de ondernemer is geklaagd en dat de ondernemer op dat punt dus zijn contractuele verplichting is nagekomen. Het protest is vormvrij en kan ook op andere wijze worden vastgesteld, zoals in het onderhavige geval.
Uit de e-mailcorrespondentie die partijen op 5 februari 2024 met elkaar hebben gevoerd, blijkt namelijk dat de consument bij de oplevering van het appartement aan de (projectleider van de) ondernemer heeft kenbaar gemaakt dat de geïnstalleerde apparaten niet beantwoorden aan de overeenkomst en dat de ondernemer de consument heeft meegedeeld daarop te zullen terugkomen. Aldus is de ondernemer tijdig op de hoogte gesteld van de klacht die de consument over de geïnstalleerde apparaten had. Dit betekent dat de ondernemer ten aanzien van die apparaten niet van aansprakelijkheid is ontslagen.
In de overeenkomst heeft de ondernemer zich verplicht om onder meer conform de betreffende technische omschrijving (versiedatum 24 maart 2022), die tot de contractstukken behoort, het gebouw met aanhorigheden, waarvan het aan de consument verkochte appartementsrecht een aandeel uitmaakt, (af) te bouwen.
In de technische omschrijving is – voor zover van belang voor het geschil – ten aanzien van de verwarmingsinstallatie vermeld dat het appartement van de consument door een Intergas Xtreme 36 combiketel (o.g.) in combinatie met een Ducobox Eco ventilatie warmtepomp (o.g.) wordt verwarmd en ten aanzien van de ventilatie-installatie dat het mechanische ventilatiesysteem bestaat uit een Ducobox Eco ventilatie warmtepomp (o.g.).
Tussen partijen staat vast dat in het appartement van de consument een cv-ketel Intergas Xtreme 30 is geïnstalleerd in combinatie met een Ducobox Silent zonder ingebouwde warmtepomp voor warmteterugwinning.
Bij het lezen van de technische omschrijving wat betreft de verwarmingsinstallatie en de ventilatie-installatie zal een normaal geïnformeerde, redelijk voorzichtige en oplettende consument (de gemiddelde consument) – en als zodanig beschouwen de arbiters de consument – hieruit afleiden dat in een geval als dit een warmtepomp geïnstalleerd zal worden. De arbiters gaan voorbij aan de stelling van de ondernemer dat het in de technische omschrijving vermelde apparaat geen warmtepomp is. Ook als die stelling juist is, dan had het op de weg van de ondernemer gelegen het woord “warmtepomp” niet in de technische omschrijving te gebruiken. De consument bevindt zich tegenover de ondernemer in een zwakkere positie en beschikt met name over minder (technische) informatie dan de ondernemer. Daarom was het nodig geweest dat de technische omschrijving op begrijpelijke en duidelijke wijze nadere informatie zou hebben verschaft, zoals een uiteenzetting over de concrete werking van het apparaat. Die informatie ontbreekt. Bij de consument is de indruk gewekt dat er in haar appartement een warmtepomp geïnstalleerd zou worden en zij mocht er dan ook gerechtvaardigd op vertrouwen en verwachten dat zij een warmtepomp geleverd zou krijgen, maar dat is niet het geval geweest.
De arbiters achten de stelling van de ondernemer dat ook met de aangebrachte installatie de EPC-norm wordt behaald, van onvoldoende belang, omdat die norm ook behaald kan worden door een hoger gasverbruik en de consument met een hybride warmtepomp juist minder gas wilde verbruiken in de aanloop naar een gasvrij appartement.
Op grond van het voorgaande achten de arbiters de klacht van de consument gegrond.
Uitgangspunt is dat wie bij een overeenkomst een verplichting aangaat, die verplichting tegenover de andere partij bij die overeenkomst dient na te komen. Zoals hiervoor is aangehaald, mocht de consument op grond van de technische omschrijving, die een onverbrekelijk geheel vormt met de overeenkomst, verwachten dat de ondernemer in haar appartement een warmtepomp zou installeren. Die installatie heeft niet plaatsgevonden en dat betekent dat de ondernemer toerekenbaar is tekortgeschoten in de nakoming van zijn verplichting en in beginsel dient over te gaan tot herstel van de uitgebleven prestatie, te weten: het vervangen van de huidige verwarmingsinstallatie door een installatie met een warmtepomp.
Vervanging van de bestaande apparaten door een Intergas Xtreme 36 combiketel (o.g.) in combinatie met een Ducobox Eco ventilatie warmtepomp (o.g.) zou met zich brengen dat er in het appartement leidingen moeten worden verlegd of aangelegd. De consument heeft ervoor gekozen om in dat geval in plaats daarvan een schadevergoeding te ontvangen.
De arbiters zijn van oordeel dat in dit geval toekenning van een vervangende schadevergoeding ook meer in de rede ligt dan herstel van de uitgebleven prestatie. Herstel komt de arbiters namelijk buitenproportioneel voor, ervan uitgaande dat met het noodzakelijke herstel, inclusief het verleggen van bestaande en het aanbrengen van nieuwe leidingen in het appartement, aanzienlijke kosten gemoeid zullen zijn.
Bij de vaststelling van de schadevergoeding nemen de arbiters enerzijds in aanmerking dat de warmtevoorziening van het appartement door het gemis van een warmtepomp minder energiezuinig en daardoor kostenverhogend is. Bovendien is aannemelijk dat in een tijd waarin duurzaamheid en energiezuinigheid hoog gewaardeerd worden, een woning met een hybride systeem meer waard is dan een woning die uitsluitend op aardgas wordt verwarmd. Anderzijds is het zo dat de aangebrachte installatie voldoet aan de EPC-norm en aan het Bouwbesluit. Omdat de vaststelling van een concreet schadebedrag onmogelijk is, bepalen de arbiters het schadebedrag door middel van schatting en naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid op € 5.000, –. De ondernemer zal tot betaling van dit bedrag worden veroordeeld.
Toepasselijkheid garantieregeling
De arbiters stellen vast dat ten aanzien van de klacht sprake is van een zogenaamd leveringsgeschil op grond van de overeenkomst. Artikel 9 lid 4 onder u van de garantieregeling sluit leveringsgeschillen van iedere garantie uit. Voor dit klachtonderdeel komt de consument geen beroep op die regeling toe.
Klachtengeld en behandelingskosten
De klacht van de consument wordt gegrond bevonden. Daarom zal de ondernemer, overeenkomstig het bepaalde in artikel 10 lid 1 van het reglement, aan de consument het klachtengeld moeten vergoeden, dat de consument heeft betaald aan de commissie voor de behandeling van dit geschil. Dit is een bedrag van € 260,–. Bovendien is de ondernemer op grond van hetzelfde artikellid aan de commissie een bijdrage in de behandelingskosten van het geschil verschuldigd.
Ten aanzien van de tegeneis
De ondernemer heeft het door hem gevorderde bedrag van € 14.925,85 met de factuur van 8 februari 2024 aan de consument in rekening gebracht. Het gaat om de tiende en elfde betalingstermijn. De tiende termijn betreft de zogenaamde 5%-regeling en de elfde termijn betreft de eindtermijn bij oplevering van de algemene ruimte. Het gefactureerde bedrag bevindt zich in depot bij de notaris.
Hiervoor hebben de arbiters overwogen dat de klacht van de consument gegrond is en dat de ondernemer aan de consument een bedrag van € 5.000, — als vervangende schadevergoeding dient te betalen. De ondernemer heeft tijdens de mondelinge behandeling verklaard dat de gemeenschappelijke gedeelten van het appartementencomplex zijn opgeleverd. Aldus is de consument van die oplevering in kennis gesteld.
Naar het oordeel van de arbiters is handhaving van het depot nu niet langer gerechtvaardigd, zodat het depotbedrag in de macht van de ondernemer gebracht dient te worden. De consument zal worden veroordeeld daaraan haar medewerking te verlenen. De door de ondernemer gevorderde rente over het depotbedrag zal worden afgewezen, omdat de consument tot nu toe gerechtigd was het depot te handhaven.
Proceskosten
De ondernemer heeft gevorderd de consument te veroordelen tot betaling van de proceskosten, met inbegrip van een tegemoetkoming in de kosten van de rechtsbijstand aan zijn kant. Artikel 11 van het reglement van de commissie bepaalt dat de door partijen ter zake van de behandeling van het geschil gemaakte kosten, met uitzondering van het hiervoor genoemde klachtengeld en de hiervoor genoemde behandelingskosten, voor hun eigen rekening komen, tenzij de arbiters in bijzondere gevallen anders bepalen. De arbiters achten in dit geval geen bijzondere omstandigheden aanwezig om de consument tot betaling van genoemde kosten te veroordelen, zodat de betreffende vordering zal worden afgewezen.
Uitvoerbaarverklaring bij voorraad
De verzochte uitvoerbaarverklaring bij voorraad zal eveneens worden afgewezen omdat van dit vonnis geen arbitraal hoger beroep open staat. In artikel 35 lid 3 van het reglement is bepaald dat partijen verplicht zijn om het vonnis onverwijld na te komen.
Beslissing
De arbiters, als goede personen naar billijkheid, met inachtneming van de tussen partijen gesloten overeenkomst en de daarvan deel uitmakende voorwaarden, beslissen als volgt:
Op de klacht van de consument:
– Verklaren de klacht van de consument gegrond;
– Veroordelen de ondernemer tot betaling aan de consument van een bedrag van € 5.260,– (€ 5.000,– als schadevergoeding en €260,– als vergoeding voor het betaalde klachtengeld) binnen twee weken na de datum waarop dit arbitrale vonnis is verzonden;
– Bepalen dat de ondernemer als bijdrage in de kosten van de behandeling van dit geschil het door de Stichting Geschillencommissies voor Consumentenzaken voor het jaar 2024 vastgesteld bedrag aan de commissie betaalt;
– Wijzen af hetgeen door de consument meer of anders is gevorderd;
– Stellen vast dat aan de consument geen beroep toekomt op garantie uit hoofde van de Bouwgarant Nieuwbouwgarantieregeling;
Op de tegeneis:
– Veroordelen de consument binnen veertien dagen na verzending van dit vonnis aan de notaris schriftelijk mee te delen dat het door deze in depot gehouden bedrag van € 14.925,85 aan de ondernemer overgemaakt dient te worden;
– Wijzen de door de ondernemer gevorderde rente af.
25 november 2024