Ondernemer weigert toestemming aan de consument te verlenen voor vervanging van zijn caravan voor een jongere caravan van gelijke afmetingen.

  • Home >>
  • Recreatie >>
De Geschillencommissie
Print Friendly, PDF & Email




Commissie: Recreatie    Categorie: Algemene voorwaarden    Jaartal: 2013
Soort uitspraak: -   Uitkomst: -   Referentiecode: REC08-0023

De uitspraak:

Onderwerp van het geschil

Het geschil betreft de vraag of de consument toestemming dient worden gegeven zijn caravan op de standplaats te vervangen door een andere caravan.   Standpunt van de consument   Het standpunt van de consument luidt in hoofdzaak als volgt.   Op de van de ondernemer gehuurde vaste standplaats staat nu een caravan [type] met de afmetingen; 7,50 bij 2,45 m. De consument wenst deze caravan te vervangen door een andere – jongere – caravan van gelijke afmetingen. De ondernemer weigert ten onrechte toestemming hiervoor omdat het om een stacaravan zou gaan hetgeen de consument betwist. Op het beroep op artikel 2 lid 3 van de Recron-voorwaarden wordt niet ingegaan. De consument wenst vergoeding van de boete van € 1.080,– die hij aan de verkoper van de nieuwe caravan als bedongen boete verschuldigd is wegens niet nakoming van de koop.   Standpunt van de ondernemer   De ondernemer heeft onder verwijzing naar correspondentie uit het verdere verleden met de consument, aangevoerd dat het de consument bekend was dat geen toestemming zou worden gegeven voor een stacaravan omdat de gemeente Wymbritseradeel geen toestemming geeft voor het plaatsen van stacaravans op de locatie aan de waterkant waar de standplaats van de consument is gelegen. De door de consument gekochte caravan is volgens de ondernemer een stacaravan omdat geen sprake is van een oplooprem, afwijkende verlichting en andere zaken. De consument zoekt naar de mening van de ondernemer de mazen van de wet en had eerst moeten overleggen alvorens over te gaan tot de aankoop.   Beoordeling van het geschil   De commissie heeft het volgende overwogen.   Uit de overgelegde brief en mail uit 2006 blijkt dat de ondernemer aan de consument kenbaar heeft gemaakt dat de gemeente geen toestemming zou geven voor het plaatsen van een stacaravan en dat om die reden het toen door de consument gedane verzoek om een vervangende caravan te mogen plaatsen van 8,00 bij 3,00 meter, werd afgewezen. Naar het oordeel van de commissie betekent dit evenwel nog niet dat de consument om die reden toestemming mocht worden onthouden voor het plaatsen van de door hem aangekochte caravan. Die caravan was immers van dezelfde afmetingen als de reeds aanwezige caravan en ingevolge het bepaalde in artikel 2 lid 3 mag de recreant bij vervanging (alleen) een kampeermiddel van dezelfde aard of soort plaatsen, tenzij anders overeengekomen. De gekochte caravan van dezelfde afmetingen als de bestaande is naar het oordeel van de commissie, mede in aanmerking genomen de ter zitting getoonde foto’s, onmiskenbaar een caravan gelijke aard en soort. Of deze is aan te merken als een stacaravan of niet, mag voor (het beleid van) de gemeente van belang zijn doch voor de rechtsverhouding tussen partijen is die vraag niet van betekenis. Daarin gaat het slechts om het criterium: “gelijke aard of soort” waaraan, zoals hiervoor geoordeeld, voldaan is. Aan de ondernemer komt geen beroep toe op de uitzonderingsbepaling “tenzij anders overeengekomen” want van een afwijkende overeenkomst is geen sprake. De enkele weigering uit 2006 wijzigt immers de overeenkomst niet. Op grond van het voorgaande heeft de consument aanspraak op schadevergoeding waarvan de hoogte niet weersproken is zodat die zal worden toegewezen als gevorderd.   De commissie voorziet dat op basis van deze beslissing de kans bestaat, dat een vergelijkbaar geschil zou kunnen rijzen tussen partijen. In dat verband acht de commissie het geraden het volgende in deze beslissing op te nemen. De Recron-voorwaarden voorzien in artikel 2 lid 4 en artikel 5 in de mogelijkheid voor de ondernemer de overeenkomst – al dan niet ingrijpend – te wijzigen. De commissie ziet in het conflict tussen verschillende verplichtingen dat voor de Stichting bestaat een mogelijke aanleiding daartoe. Enerzijds immers is de Stichting in beginsel gehouden het bepaalde in artikel 3 lid 3 jegens de consument na te komen terwijl zij aan de andere kant geconfronteerd wordt met de plaatselijke overheid die regels stelt met betrekking tot de toelaatbaarheid van (sta)caravans aan de waterkant, zoals waarvan hier sprake is. De commissie heeft evenwel geen kennis van het exacte standpunt van de gemeente, noch van de juridische grondslag daarvan. Die kennis is wel van belang nu (de redelijkheid van) een eventuele beslissing van de ondernemer de regels – en daarmee de inhoud van de standplaatsovereenkomst – aan te passen, getoetst dient te worden aan de noodzaak daartoe, temeer daar artikel 2 lid 3 als uitzonderingssituatie slechts kent een andersluidende overeenkomst tussen ondernemer en recreant en hier een beroep zal moeten worden gedaan op een eenzijdige aanpassing met gebruikmaking van artikel 5 van de Recron-voorwaarden. Met andere woorden: de wens van de gemeente om (ook) geen (vervangende) (sta)caravans langs de waterkant toe te staan zal een juridisch afdwingbaar kader moeten kennen dat een wijziging van de overeenkomst die, kort gezegd, de mogelijkheden van vervanging in het kader van een uitsterfbeleid uitsluit, kan rechtvaardigen. Aan de ondernemer wordt in overweging gegeven zich hier – voorzien van juridische bijstand – nader te beraden.   De klacht is gegrond.   Beslissing   De commissie verklaart de klacht gegrond.   Bepaalt dat de ondernemer binnen 14 dagen na de datum van verzending van dit bindend advies aan de consument een bedrag van € 1.080,– dient te betalen.   Bovendien dient de ondernemer overeenkomstig het reglement van de commissie een bedrag van € 37,50 aan de consument te vergoeden ter zake van het klachtengeld.   Overeenkomstig het reglement van de commissie is de ondernemer aan de commissie als bijdrage in de behandelingskosten van het geschil een bedrag verschuldigd van € 90,–.   Aldus beslist door de Geschillencommissie Recreatie op 28 mei 2008.