Ondernemer wijzigt eindtijd opvang BSO, ouder is het er niet mee eens

De Geschillencommissie
Print Friendly, PDF & Email




Commissie: Kinderopvang    Categorie: Overeenkomst    Jaartal: 2019
Soort uitspraak: bindend advies   Uitkomst: gegrond   Referentiecode: 121771

De uitspraak:

Waar gaat de uitspraak over

De ondernemer wijzigt de eindtijd van de BSO. De ondernemer stelt dat zowel in de oude als de vanaf het begin van het jaar geldende voorwaarden is opgenomen dat de ondernemer de tijden mag wijzigen. Volgens de commissie heeft de ondernemer niet aangetoond dat is overeengekomen dat de ondernemer de overeenkomst eenzijdig mag wijzigen, behalve wat betreft de prijs. De ouder heeft gelijk dat de ondernemer de eindtijd niet mag wijzigen zonder toestemming van de ouder.

Volledige uitspraak

Onderwerp van het geschil
Het geschil betreft de vraag of de ondernemer op basis van de tussen partijen gesloten overeenkomst bevoegd is tot het eenzijdig introduceren van een nieuw plaatsingsaanbod, te weten een gewijzigde eindtijd van de opvang.

De consument heeft de klacht op 29 november 2018 schriftelijk voorgelegd aan de ondernemer.

Standpunt van de consument
Het standpunt van de consument luidt in hoofdzaak als volgt.

De consument heeft – na de overname door de ondernemer van de kinderopvangorganisatie – op
6 december 2017 een overeenkomst met de ondernemer gesloten ter zake buitenschoolse opvang (BSO) van zijn zoon en dochter voor drie dagen per week van 14.00 uur tot 17.30 uur. De ondernemer heeft in november 2018 de nieuwe tarieven voor 2019 kenbaar gemaakt. De consument heeft geen bezwaar tegen deze nieuwe tarieven. Tegen de zin van de consument en in strijd met de algemene voorwaarden van de ondernemer heeft de ondernemer echter tevens aangegeven voornemens te zijn om de eindtijd van de opvang te wijzigen van 17.30 uur naar 18.00 uur. Als reden heeft de ondernemer aangegeven uniformiteit binnen de organisatie te wensen. Omdat de consument niet akkoord ging met de nieuwe eindtijd, heeft de ondernemer gedreigd de opvang stop te zetten. Onder protest en onder voorbehoud van het oordeel van de commissie heeft de consument uiteindelijk noodgedwongen een nieuwe plaatsingsovereenkomst getekend waarin als eindtijd 17.00 uur is opgenomen. Hierdoor zit de consument sinds 1 januari 2019 met een niet-gewenst kinderopvangarrangement.

De consument wil dat de ondernemer de opvang voortzet op basis van de in de plaatsingsovereenkomst van 6 december 2017 opgenomen uren, een en ander wel tegen de nieuwe tarieven voor 2019. De consument verlangt verder excuses van de ondernemer voor het veroorzaken van onnodig extra werk, alsmede vergoeding van de extra tijd en kosten voor het voeren van de onderhavige procedure.

Ter zitting heeft de consument het vorenstaande toegelicht en daaraan – in hoofdzaak – nog het volgende toegevoegd.

Het argument van uniformiteit binnen de organisatie is enkel in het belang van de ondernemer. De consument heeft de ondernemer om een nadere onderbouwing van de urenwijziging gevraagd, maar deze niet gekregen.
Bij de plaatsingsovereenkomst van 6 december 2017 heeft de consument niet de door de ondernemer overgelegde aanvulling op de algemene voorwaarden gekregen. Deze aanvulling zat wel bij de nieuwe overeenkomst en is door de consument onder protest getekend. De ingevolgde de nieuwe overeenkomst geldende eindtijd van 17.00 uur is voor de consument moeilijk haalbaar. Een eindtijd van 18.00 uur leidt tot ongeveer € 800,– aan extra kosten.

Standpunt van de ondernemer
Het standpunt van de ondernemer luidt in hoofdzaak als volgt.

De ondernemer heeft per 1 januari 2018 een kinderopvangorganisatie overgenomen. In voorbereiding op de overname zijn ouderinformatieavonden georganiseerd, waarin onder meer voorlichting is gegeven over de lopende contracten. Op grond van de met de ouders gemaakte afspraken heeft de ondernemer voor 2018 de lopende contracten van 2017 overgenomen, zowel voor wat betreft de tarieven als de gecontracteerde uren. De ondernemer heeft verder gehoor gegeven aan de wens van de ouders om niet te veel veranderingen op de locaties door te voeren. De ondernemer heeft hierdoor wel kosten op zich genomen. De consument heeft de nieuwe plaatsingsovereenkomst op 6 december 2017 ontvangen en geaccepteerd.

Tijdens de bijeenkomsten met de ouders heeft de ondernemer aangegeven dat hij gedurende het jaar 2018, vooruitlopend op de contracten van 2019, veranderingen zal bespreken met de oudercommissies. Deze veranderingen waren nodig om de uren en tarieven op alle locaties van de ondernemer gelijk te laten lopen.

Medio 2018 is het traject met de oudercommissies opgestart. Met de oudercommissie van de kinderopvangorganisatie waarvan de consument gebruik maakt, is een separaat traject opgestart. Er hebben diverse overleggen plaatsgevonden. Ook is uitvoerig gecorrespondeerd tussen de ondernemer en deze oudercommissie. Dit heeft geleid tot een positief advies van de oudercommissie over de tarieven en de breng- en haaltijden. Het adviestraject met de oudercommissie is op 7 november 2018 afgerond.

Op 12 november 2018 heeft de ondernemer een brief gestuurd naar alle ouders met betrekking tot de tariefswijzigingen en de aanpassingen in de breng- en haaltijden. Bij brief van 22 november 2018 heeft de oudercommissie de ouders een toelichting gegeven over het adviestraject.

Op 30 november 2018 heeft de consument een kostenopgave ontvangen met daarbij onder meer de aanvullende voorwaarden ten aanzien van de wijzigingen in de breng- en haaltijden. Vervolgens heeft de ondernemer op 14 december 2018 een herziene kostenopgave en een plaatsingsovereenkomst gestuurd. De consument heeft de plaatsingsovereenkomst ondertekend geretourneerd.

De ondernemer heeft zich aangesloten bij een andere branchevereniging (de Branchevereniging Maatschappelijke Kinderopvang). De voor 2019 geldende algemene voorwaarden en de aanvulling op de algemene voorwaarden zijn geplaatst op de website van de ondernemer.

Tussen 29 november 2018 en 14 december 2018 heeft de ondernemer correspondentie gevoerd met de consument. De ondernemer is van mening voldoende toelichting en uitleg te hebben gegeven. Vanwege de houding en de inhoud van de e-mails van de consument heeft de ondernemer geen brug kunnen slaan tussen beider zienswijzen. Gezien het adviestraject dat de ondernemer heeft doorlopen, is er volgens de ondernemer geen grond voor eenzijdige aanpassing van de overeenkomst van de consument.

Ter zitting heeft de ondernemer verder nog – in hoofdzaak – het volgende naar voren gebracht.

De aanvulling op de algemene voorwaarden waarin de mogelijkheid van wijziging van de breng- en haaltijden is opgenomen, heeft de consument ook bij de plaatsingsovereenkomst van 6 december 2017 ontvangen. Hij heeft voor de ontvangst daarvan getekend.

Beoordeling van het geschil
Naar aanleiding van het over en weer door partijen gestelde overweegt de commissie het volgende.

In geschil is de vraag of de ondernemer gerechtigd is (eenzijdig) het aanbod te wijzigingen, in die zin dat de eindtijd van de opvang voor de consument niet langer 17.30 uur is, maar 17.00 uur dan wel 18.00 uur.

In beginsel staat het een ondernemer vrij om, binnen de wettelijke kaders, de door hem aangeboden dienstverlening aan te passen aan veranderde inzichten en eisen. Dit behoort tot de beleidsvrijheid van de ondernemer. De commissie is evenwel tevens van oordeel dat de ondernemer een eenzijdige wijziging van het aanbod slechts aan de individuele contractant kan opleggen indien en voor zover de tussen partijen geldende overeenkomst hiertoe uitdrukkelijk de mogelijkheid biedt.

Bepalend voor de verhouding tussen partijen is hetgeen zij met elkaar zijn overeengekomen. In dit geval staat vast dat partijen op 6 december 2017 een plaatsingsovereenkomst hebben gesloten. In deze overeenkomst is onder ‘Product’ vermeld: ’40 weken, 14.00 uur – 17.30 uur’. In de overeenkomst is niets geregeld over de wijziging van dit product door de ondernemer.

Op deze plaatsingsovereenkomst zijn van toepassing de algemene voorwaarden die golden op het moment van het totstandkomen van de overeenkomst, tenzij daarna uitdrukkelijk anders werd overeengekomen.

Als niet, althans onvoldoende weersproken staat vast dat op de plaatsingsovereenkomst van toepassing zijn de door de consument overgelegde ‘Algemene Voorwaarden voor Kinderopvang Dagopvang en Buitenschoolse opvang 2017 ‘ van de Brancheorganisatie Kinderopvang en de ‘Aanvulling op de Algemene Voorwaarden Kinderopvang’. Ook in deze stukken is geen bepaling opgenomen op grond waarvan de ondernemer de bevoegdheid heeft de (breng- en) haaltijden te wijzigen.

De ondernemer stelt dat hij de tijden kan wijzigen op basis van artikel 22.3 van de door hem overgelegde ‘Aanvulling op de Algemene voorwaarden Kinderopvang SKDH’’. Vast is komen te staan dat deze Aanvulling onderdeel is van de bepalingen die de ondernemer hanteert vanaf 2019, nu de ondernemer zijn aansluiting bij de brancheorganisatie per 2019 heeft gewijzigd naar de Brancheverening Maatschappelijke Kinderopvang. De ondernemer stelt dat een soortgelijke bepaling ook in 2017 reeds van toepassing was. De ondernemer heeft deze stelling echter tegenover de gemotiveerde betwisting daarvan door de consument niet aangetoond althans aannemelijk gemaakt, ook niet nadat zij ter zitting daartoe uitgebreid in de gelegenheid is gesteld. De commissie merkt in dit kader op dat de door de ondernemer overgelegde Aanvulling niet gedateerd en ondertekend is.

Nu noch de plaatsingsovereenkomst van 6 december 2017, noch de daarop van toepassing zijnde Algemene Voorwaarden Kinderopvang en Aanvulling op de Algemene Voorwaarden Kinderopvang voorzien in een eenzijdige wijziging van de overeenkomst door de ondernemer (behoudens ten aanzien van de prijs), was de ondernemer naar het oordeel van de commissie niet gerechtigd de met de consument gesloten plaatsingsovereenkomst voor wat betreft de (breng- en) haaltijden eenzijdig per 1 januari 2019 te wijzigen. De consument maakt daartegen terecht bezwaar. Dat – zoals de ondernemer ter zitting heeft verklaard – bedrijfseconomische redenen aan de voorgestelde wijziging ten grondslag liggen, mag zo zijn, maar dit geeft de ondernemer niet de bevoegdheid eenzijdig de met de consument gesloten overeenkomst te wijzigen.

Uit het voorgaande volgt dat de klacht van de consument gegrond is en dat de ondernemer de op
6 december 2017 gesloten overeenkomst in stand dient te laten. Daaraan doet niet af dat de consument voor 2019 een nieuwe plaatsingsovereenkomst heeft ondertekend, nu de consument deze nieuwe overeenkomst onder protest en onder voorbehoud van de uitspraak van de commissie heeft ondertekend.

Nu de klacht van de consument gegrond wordt verklaard, zal de commissie de ondernemer veroordelen tot vergoeding van het door de cliënt betaalde klachtengeld, zijnde een bedrag van € 25,–.

Voor zover de door partijen ieder voor zich aangevoerde argumenten niet zijn besproken, kan daarvan worden afgezien, omdat deze niet tot een andere beslissing kunnen leiden.

Derhalve wordt beslist als volgt.

Beslissing
De commissie verklaart de klacht van de consument gegrond.

De commissie bepaalt bij wijze van bindend advies dat de op 6 december 2017 tussen partijen gesloten overeenkomst ongewijzigd in stand blijft.

De ondernemer dient overeenkomstig het reglement van de commissie een bedrag van € 25,– aan de consument te vergoeden ter zake van het klachtengeld.

Aldus beslist door de Geschillencommissie Kinderopvang, bestaande uit mevrouw mr. drs E.I.P.M. Weijnen, voorzitter, mevrouw mr. B.C.J. Notermans en mevrouw mr. M.T.C.J. Nauta-Sluijs, leden op 30 maart 2019, in aanwezigheid van mr. drs. I.M. van Trier, secretaris.