Ondernemer zegt overeenkomst vanwege herstructurering te vroeg op waardoor opzegging niet rechtsgeldig is

  • Home >>
  • Recreatie >>
De Geschillencommissie
Print Friendly, PDF & Email




Commissie: Recreatie    Categorie: Herstructurering    Jaartal: 2020
Soort uitspraak: bindend advies   Uitkomst: gegrond   Referentiecode: 22720/27613

De uitspraak:

Waar gaat de uitspraak over

De consument klaagt dat de ondernemer het jaarcontract voor de staanplaats opzegt in verband met een herstructurering. De consument vindt dat de opzegging niet aan de Recron-voorwaarden voldoet. De ondernemer betwist dit en vindt dat de klacht ongegrond moet worden verklaard. De commissie oordeelt dat een herstructurering mogelijk is, als de ondernemer beschikt over een concreet en uitvoerbaar plan, in die zin dat een eventueel benodigde vergunning, wijziging of ontheffing van het bestemmingsplan is verleend, of op redelijke termijn is te verwachten. De commissie stelt dat de ondernemer hier niet over beschikt. Toen er opgezegd werd was er weliswaar een plan, maar er was niets bekend over vergunningen of iets dergelijks. De ondernemer heeft de overeenkomst te vroeg en daarom niet rechtsgeldig opgezegd. De klacht is gegrond.

Volledige uitspraak

Onderwerp van het geschil
De consument heeft de klacht voorgelegd aan de ondernemer.

Het geschil betreft de opzegging van de huurovereenkomst inzake de standplaats van de consument per 31 december 2020 in verband met een aangekondigde herstructurering.

De consument heeft een bedrag van € 1.240,– niet betaald en bij de commissie gedeponeerd.

Standpunt van de consument
Voor het standpunt van de consument verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. In de kern komt het standpunt op het volgende neer.

De ondernemer zegt het jaarcontract voor de staanplaats op vanwege herstructurering, maar lijkt niet aan de voorwaarden hiervoor te voldoen.

Standpunt van de ondernemer
Voor het standpunt van de ondernemer verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. In de kern komt het standpunt op het volgende neer.

In zijn verweerschrift heeft de ondernemer volstaan met de mededeling dat de collegenota vertrouwelijk is en dat het college voornemens is om het tweede kwartaal van 2020 het strijdig gebruik van de herstructurering van dit plan formeel vast te stellen in een collegebesluit. Als bijlage bij dit verweerschrift zijn de volgende bijlagen gevoegd:

1. Toekomstplan [naam ondernemer];
2. Routingformulier van de gemeente [plaatsnaam] d.d. 22 mei 2019 met daarachter een nota voor het college met als onderwerp ‘Stand van zaken: Toekomstplan vitaliteit en veiligheid recreatiepark ‘[naam ondernemer]’;
3. Raadsinformatiebrief van de gemeente [plaatsnaam] d.d. 29 augustus 2019.

Juridisch kader
Artikel 11 van de RECRON-voorwaarden (vaste plaatsen): Beëindiging door de ondernemer

1. De ondernemer kan de overeenkomst schriftelijk beëindigen indien:

(…)

h. de ondernemer een herstructureringsplan voor (een deel van) het terrein tot uitvoering gaat brengen waarvoor de plaats van recreant, waarop een verplaatsbaar of een niet meer verplaatsbaar kampeermiddel is geplaatst, nodig is. Om tot opzegging te kunnen overgaan, moet de ondernemer een concreet en uitvoerbaar plan hebben in die zin dat een eventueel benodigde vergunning, wijziging of ontheffing van het bestemmingsplan is verleend, dan wel op redelijke termijn te verwachten is.

Beoordeling van het geschil
De commissie heeft het volgende overwogen.

Bij brief van 18 december 2019 heeft de ondernemer de overeenkomst inzake de standplaats van de consument opgezegd per 31 december 2020 op grond van een voorgenomen herstructurering. Daarbij heeft de ondernemer aangegeven dat de consument zijn standplaats op 31 december 2020 geheel ontruimd en opgeruimd moet hebben en de slagboomsleutel moet hebben ingeleverd bij de receptie.

De consument heeft aangegeven zich niet te kunnen vinden in die opzegging, omdat de ondernemer zijns inziens niet heeft voldaan aan de voorwaarden die daarvoor gelden. De commissie begrijpt dit aldus, dat de consument van mening is dat de ondernemer zich niet heeft gehouden aan de RECRON-voorwaarden, waarvan in het bijzonder artikel 11, lid 1, onder h, dat geldt bij opzegging van de huurovereenkomst in het kader van een voorgenomen herstructurering.

Ingevolge voornoemd artikel van de RECRON-voorwaarden dient de ondernemer in geval van een voorgenomen herstructurering te beschikken over een concreet en uitvoerbaar plan, in die zin dat een (eventueel) benodigde vergunning, wijziging of ontheffing van het bestemmingsplan is verleend, dan wel op redelijke termijn is te verwachten.

Weliswaar heeft de ondernemer de beschikking over een concreet en uitvoerbaar plan (Toekomstplan [naam ondernemer]), maar uit niets blijkt wat ten tijde van de opzegging de stand van zaken was met betrekking tot eventuele vergunningen dan wel met betrekking tot een wijziging of ontheffing van het bestemmingsplan. Uit de door de ondernemer overgelegde stukken kan worden opgemaakt dat de herstructurering van de camping in 2019 op de agenda van het college van B&W en de gemeenteraad van de gemeente [plaatsnaam] heeft gestaan, maar dat is volstrekt onvoldoende om aan de voorwaarde te voldoen zoals opgenomen in eerdergenoemd artikel van de RECRON-voorwaarden. Dat brengt de commissie tot de conclusie dat de ondernemer de overeenkomst inzake de standplaats van de consument prematuur en daarmee niet rechtsgeldig heeft opgezegd. Praktisch brengt dat met zich dat de betreffende huuroverkomst blijft doorlopen en dat de consument het verschuldigde stageld dient te betalen aan de ondernemer.

Mocht de ondernemer te zijner tijd wel kunnen voldoen aan het gestelde in artikel 11, lid 1, onder h, van de RECRON-voorwaarden (vaste) plaatsen, staat het hem overigens vrij om de overeenkomst met de consument alsnog op te zeggen.

Nu het stageld geen onderwerp van geschil is, zal de commissie bepalen dat het depotbedrag aan de consument toekomt.

Op grond van het voorgaande zal de commissie de klacht gegrond verklaren.

Derhalve wordt als volgt beslist.

Beslissing
De commissie verklaart de klacht gegrond.

Bovendien dient de ondernemer overeenkomstig het reglement van de commissie een bedrag van € 52,50 aan de consument te vergoeden ter zake van het klachtengeld.

Met inachtneming van bovenstaande van het bovenstaande wordt het depotbedrag als volgt verrekend.

Het depotbedrag van € 1.240,– komt aan de consument toe.

Overeenkomstig het reglement van de commissie is de ondernemer aan de commissie behandelingskosten verschuldigd.

Aldus beslist door de Geschillencommissie Recreatie, bestaande uit de heer mr. H.A. van Gameren, voorzitter, de heer P.W.M. Meijkamp, mevrouw mr. J.M. Huysman- Hartkamp, leden, op 18 juni 2020.