Onderzoeks- en mededelingsplicht ten aanzien van uitvoeren grote of kleine beurt.

De Geschillencommissie
Print Friendly, PDF & Email




Commissie: Voertuigen    Categorie: Informatie    Jaartal: 2014
Soort uitspraak: -   Uitkomst: -   Referentiecode: AUT-D03-0447

De uitspraak:

Onderwerp van het geschil

Het geschil vloeit voort uit een op 4 oktober 2002 tussen partijen totstandgekomen overeenkomst. De ondernemer heeft zich daarbij verplicht tot het uitvoeren van een onderhoudsbeurt tegen de daarvoor door de consument te betalen prijs van € 129,67. De werkzaamheden vonden plaats op of omstreeks 4 oktober 2002.   Standpunt van de consument   Het standpunt van de consument luidt in hoofdzaak als volgt.   Wij hebben de ondernemer opdracht gegeven een onderhoudsbeurt uit te voeren aan onze auto, die vanaf 1998 bij de ondernemer in onderhoud is. Op 30 maart 2003 is de distributieriem defect geraakt. De ondernemer had zelf moeten controleren of er een grote onderhoudsbeurt had dienen te worden uitgevoerd. In geval van een groot onderhoudsbeurt had de ondernemer de distributieriem moeten controleren. Wij hebben de ondernemer niet uitdrukkelijk opdracht gegeven een kleine onderhoudsbeurt uit te voeren. [Het onderzoeksbureau] heeft onderzoek gedaan en geconcludeerd dat de auto aan een grootonderhoudsbeurt toe was, waarbij de versleten distributieriem aan het licht was gekomen en vervangen had kunnen worden.   De consument verlangt een vergoeding van € 1.000,–, inclusief BTW.   Standpunt van de ondernemer   Het standpunt van de ondernemer luidt in hoofdzaak als volgt.   De consument heeft opdracht gegeven tot het uitvoeren van een kleine onderhoudsbeurt. Hierbij is de consument nog gewezen op het feit dat de remblokken en schijven alsmede twee voorbanden vernieuwd moesten worden. De consument wilde hiervan echter niets weten. Voorts achten wij de zorgplicht die wij zouden hebben zeer discutabel omdat de consument uiteindelijk bepaalt wat er aan de auto dient te gebeuren, temeer omdat bij ons procedureel consequent naar de historie van de auto wordt gekeken en als zodanig overleg heeft plaatsgevonden.   Beoordeling van het geschil   De commissie gaat bij haar beoordeling uit van de volgende, als enerzijds gesteld en anderzijds niet, althans onvoldoende weersproken feiten en omstandigheden.   De consument heeft de ondernemer opdracht gegeven een onderhoudsbeurt aan de auto uit te voeren. Na verloop van enige tijd is de distributieriem defect geraakt als gevolg waarvan aanzienlijke schade aan de auto is ontstaan. De consument verlangt een schadeloosstelling van € 1.000,–, stellende dat de ondernemer toerekenbaar tekort is gekomen door niet een groot onderhoudsbeurt (volgens het onderhoudsschema), maar een kleine beurt uit te voeren. Alsdan zou de noodzaak tot vervanging van de riem aan het licht zijn gekomen en tot vervanging zijn overgegaan. De ondernemer daarentegen stelt dat de consument uitdrukkelijk opdracht heeft gegeven een kleine beurt uit te voeren.   Aan het geschil ligt ten grondslag, enerzijds de vraag in hoeverre de consument gehouden is zelf het onderhoudschema bij te houden en hiertoe afhankelijk van de omstandigheid opdracht te geven tot hetzij een grote, hetzij een kleine beurt, anderzijds de vraag in hoeverre de ondernemer een zelfstandige onderzoeks- en informatieplicht heeft met betrekking tot de uit te voeren onderhoudsbeurt.   De consument, in het bezit van het onderhoudsboekje, draagt de verantwoordelijkheid voor het onderhoud van zijn auto. Hij kan aan de hand van dit boekje en de af te lezen kilometerstand vaststellen of de auto toe is aan hetzij een grote, hetzij een kleine beurt. Ook bepaalt de consument als opdrachtgever welke werkzaamheden – (na overleg) stilzwijgend of uitdrukkelijk vooraf, dan wel achteraf – de ondernemer wel of niet dient uit te voeren. De consument dient immers als opdrachtgever de rekening te betalen en is geen arbeid en onderdelen verschuldigd, indien hij daartoe geen opdracht heeft gegeven. Anderzijds bezit de ondernemer de specifieke kennis van het onderhouden van de auto, die de doorgaans niet-deskundige consument ontbeert.   Het gaat naar het oordeel van de commissie evenwel te ver de verantwoordelijkheid voor het onderhoud van de auto geheel bij de ondernemer te laten, in zoverre dat hij bepaalt welk onderhoud (groot of klein) dient te worden uitgevoerd. Hij heeft in deze – ook ongevraagd – een adviserende taak jegens de consument. Indien de opdracht van de consument afwijkt van het advies en de ondernemer is bereid in afwijking van het onderhoudsschema het onderhoud uit te voeren, dan ligt – ingeval van een opgetreden schade als gevolg hiervan – het risico bij de consument.   In de onderhavige kwestie heeft de consument zijn opdracht niet gespecificeerd en heeft de ondernemer een kleine onderhoudsbeurt uitgevoerd. Blijkens het onderhoudsboekje en overgelegde facturen is op 20 februari 2001 (144.917 kilometer), op 12 oktober 2001 (161.000 kilometer) en op 4 oktober 2002 (177.706 kilometer en onderhavige kwestie) telkens een kleine onderhoudsbeurt uitgevoerd. De ondernemer stelt dat hij de consument heeft gewezen op de noodzaak van een grootonderhoudsbeurt doch de consument zou dit advies hebben genegeerd. De consument betwist zulks. De bewijslast in deze ligt bij de ondernemer.   De commissie is van oordeel dat noch uit de processtukken, noch naar aanleiding van de mondelinge behandeling aannemelijk is geworden dat de ondernemer de consument heeft geadviseerd c.q. gewezen op de noodzaak van een grootonderhoudsbeurt en de consument dit advies heeft genegeerd. Hoewel bewijs anderszins ook kan volstaan, lag het op de weg van de ondernemer om onder de gegeven omstandigheden de uitdrukkelijk van het advies afwijkende opdracht van de consument vast te leggen, hetzij vooraf, hetzij achteraf op bijvoorbeeld de factuur.   Op de door de consument verlangde vergoeding strekt in mindering de kosten van de distributieriem en montage, welke uitgaven de consument ook ingeval van tijdige vervanging van de riem voor zijn rekening zouden zijn gekomen. De commissie stelt de vergoeding naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid vast op € 850,–.   Het bovenstaande leidt tot de conclusie dat de klacht gegrond is.   Beslissing   De ondernemer betaalt aan de consument het bedrag van € 850,–.   Indien betaling niet tijdig plaatsvindt, betaalt de ondernemer bovendien de wettelijke rente over dit bedrag vanaf de verzenddatum van het bindend advies.   Bovendien dient de ondernemer overeenkomstig het reglement van de commissie een bedrag van € 90,– aan de consument te vergoeden terzake van het klachtengeld.   Overeenkomstig het reglement van de commissie is de ondernemer aan de commissie als bijdrage in de behandelingskosten van het geschil een bedrag verschuldigd van € 330,–.   Aldus beslist door de Geschillencommissie Voertuigen, op 9 februari 2004.