Commissie: Tuchtcommissie Vastgoedprofessionals
Categorie: (non)conformiteit
Jaartal: 2026
Soort uitspraak: Uitspraak
Uitkomst: ongegrond
Referentiecode:
577512/733800
De uitspraak:
Waar gaat deze uitspraak over?
De zaak gaat over de vraag of een NVM-makelaar zijn integriteit als vastgoedprofessional heeft geschonden doordat hij tijdens een eerdere tuchtzitting op 1 juli 2024 mogelijk onjuiste of onduidelijke informatie heeft gegeven. Het ging daarbij om het moment waarop hij wist dat de kopers familie waren van een collega van hem. Volgens klaagster heeft de makelaar hierover verschillende verklaringen afgelegd. Dit zou ernstig zijn, omdat van een makelaar wordt verwacht dat hij tijdens een tuchtprocedure eerlijk en volledig verklaart. De makelaar stelt dat hij bij de bezichtiging op 1 februari 2023 ontdekte dat de kopers familie waren van zijn collega. Hij zegt dat hij tijdens de eerdere zitting niet bewust iets anders heeft willen verklaren. Volgens hem was hij erg zenuwachtig, had hij zich door een late uitnodiging onvoldoende kunnen voorbereiden en heeft hij daardoor mogelijk te korte of onduidelijke antwoorden gegeven. De commissie stelt vast dat de verklaringen van de makelaar niet altijd helemaal duidelijk en consequent zijn geweest. Toch is er geen bewijs dat hij tijdens de zitting bewust heeft gelogen. Ook zijn er geen letterlijke verslagen van wat tijdens die zitting is gezegd, waardoor achteraf niet precies kan worden vastgesteld welke woorden de makelaar heeft gebruikt. Daarnaast vindt de commissie dat de makelaar voldoende uitleg heeft gegeven over de verschillen in zijn verklaringen. Daarom kan niet worden vastgesteld dat hij zich als vastgoedprofessional tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gedragen of zijn integriteit heeft geschonden. De commissie verklaart de klacht daarom ongegrond.
De volledige uitspraak
Onderwerp van de klacht
De klacht betreft de vraag of beklaagde zijn integriteit als vastgoedprofessional heeft geschonden.
Standpunt van klaagster
Voor het standpunt van de klaagster verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. In de kern komt het standpunt op het volgende neer.
De huidige klacht ziet specifiek op de vraag of beklaagde tijdens een eerdere tuchtzitting van 1 juli 2024 bewust onjuiste informatie heeft verstrekt over het moment waarop hij kennisnam van de familierelatie tussen de kopers en zijn collega. Door over deze kwestie naderhand een schikking overeen te komen, kunnen de toenmalig klaagster en beklaagde niet voorkomen dat de onderliggende tuchtklacht, in het kader van het publiek belang dat het tuchtrecht dient, door de commissie wordt beoordeeld. Het potentieel zware integriteitsverwijt dat hier speelt, maakt dat klaagster meent haar verantwoordelijkheid te moeten nemen door de klacht voort te zetten. Want wanneer een NVM Makelaar in een tuchtprocedure onjuiste of onvolledige informatie verstrekt, raakt dit direct aan zijn integriteit. Het tuchtrecht en het vertrouwen in de beroepsgroep kunnen hierdoor worden geschaad. Voor klaagster speelt hier een grote rol dat beklaagde uiteenlopende verklaringen aflegt over dezelfde feiten. De inconsistenties in de verklaringen van beklaagde vormen voldoende reden voor een inhoudelijke behandeling van de klacht. Zo heeft beklaagde ter zitting (1 juli 2024) verklaard niet op de hoogte te zijn van de familierelatie, maar uit een verklaring in het verweerschrift is gebleken dat deze kennis er al tijdens de eerste bezichtiging (1 februari 2023) was en uit een verklaring in het transcript van een gesprek met de toenmalige klaagster geeft beklaagde te kennen dat hij wist dat de kopers familie waren van een collega van beklaagde. Klaagster acht het in het kader van onderhavige tuchtprocedure van belang dat beklaagde volledige medewerking verleent en volledige openheid biedt en aanvullende informatie verstrekt, nu hier een klacht over vermeend onwaarheidsgetrouwe verklaringen speelt.
Klaagster verzoekt de commissie op grond van het vorenstaande, de klacht inhoudelijk te behandelen, relevante informatie bij beklaagde op te vragen en te beoordelen of beklaagde tijdens de eerdere zitting onjuiste informatie heeft verstrekt. Tot slot verzoekt klaagster de commissie bij gegrondbevinding van de klacht die maatregel op te leggen die zij geïndiceerd acht.
Standpunt van beklaagde
Voor het standpunt van beklaagde verwijst de commissie naar het verweerschrift van de gemachtigde van beklaagde van 12 februari 2025, de reactie op het standpunt van klaagster van 9 december 2025, alsmede de verklaring van beklaagde en de overige bijlagen genoemd in het schrijven van 9 december 2025. In de kern komt het standpunt op het volgende neer.
Zoals in het eerdere verweerschrift reeds gesteld, werd het beklaagde bij de bezichtiging op 1 februari 2023 duidelijk dat de potentiële koper (schoon)familie was van een collega, omdat zijn collega ook bij de bezichtiging aanwezig was. Beklaagde wist op het moment dat hij werd benaderd voor de bezichtiging nog niet van deze relatie; vanaf de bezichtiging van 1 februari 2023 dus wel.
Beklaagde heeft daarom ook zeker niet bedoeld om nadien, bij de zitting van 1 juli 2024, te verklaren dat hij niet op de hoogte was van de familierelatie; hij had dat immers al jegens de toenmalig klaagster toegegeven en daarover spijt betuigd. Als gesteld, meent beklaagde dat hij bij de zitting van 1 juli 2024 ook heeft verklaard dat hij vanaf enig moment wél bekend was met de familierelatie.
Beklaagde heeft in zijn schriftelijke verklaring vermeld dat hij bij de zitting van 1 juli 2024, welke zitting direct na een andere zitting plaatsvond, “bijzonder zenuwachtig” was, en dat hij, voor zover hij zich herinnert, meent te hebben gezegd dat hij “het in eerste instantie niet wist” dat koper familie was van een collega en beklaagde meent niet gezegd te hebben dat hij het (helemaal) niet wist. Beklaagde heeft, uitgaande van hetgeen in de uitspraak van 1 juli 2024 is te lezen omtrent hetgeen hij zou hebben verklaard ter zitting, bij die gelegenheid kennelijk te kort en/of onvoldoende duidelijk geantwoord op vragen van de commissie. Beklaagde heeft mondeling verweer moeten voeren en dat is – naar achteraf moet worden geconcludeerd – ten koste gegaan van de duidelijkheid en volledigheid. Beklaagde heeft echter op 1 juli 2024 niet bewust in strijd met de waarheid willen verklaren; dat zou ook niet passen bij hetgeen hij eerder al had toegegeven (ook in het gesprek met de toenmalig klaagster, waarvan zij een transcriptie heeft overgelegd) en waarvoor hij jegens klaagster al spijt had betuigd.
Toen de huidige zaak aanhangig werd, en beklaagde werd aangesproken op zijn uitlatingen ter zitting van 1 juli 2024, heeft hij alsnog schriftelijk en duidelijker c.q. vollediger uiteen willen zetten wat er was gebeurd. Beklaagde heeft niet beoogd ter zitting van 1 juli 2024 opeens anders te verklaren. In zijn beleving heeft hij bij die gelegenheid dus ook niet integraal ontkend dat hij bekend was met de familierelatie. De verklaring van beklaagde in het verweerschrift is gebaseerd op de correspondentie in het dossier en de eigen herinnering van beklaagde. Beklaagde heeft naar zijn oordeel niet bewust onjuiste informatie verstrekt, en in ieder geval niet beoogd te verstrekken. Het spijt hem dan ook dat dat dit wel zo is overgekomen, in ieder geval bij de toenmalig klaagster. Beklaagde heeft zich ook niet uit eigen initiatief willen onttrekken aan beoordeling door de commissie in de onderhavige zaak. Het voorstel voor een regeling is uitgegaan van de toenmalig klaagster.
Beklaagde komt tot de conclusie dat de commissie de klacht van klaagster ongegrond dient te verklaren nu geen sprake is van integriteitschending.
Beoordeling van de klacht
De commissie heeft het volgende overwogen.
Als NVM-Makelaar dient beklaagde zich te houden aan de Erecode en overige regelgeving/kwaliteitseisen van klaagster. Klaagster verwijt beklaagde niet zozeer dat beklaagde tijdens de zitting op 1 juli 2024 zou hebben gelogen, zoals de klacht van de toenmalig klaagster luidde, maar dat de verklaringen van beklaagde inconsistenties bevatten ten aanzien van het moment waarop beklaagde bekend werd met de familierelatie tussen de kopers en zijn collega en dit direct de integriteit van beklaagde in zijn functie als vastgoedprofessional raakt.
Klaagster verlangt van beklaagde om die redenen dat hij voldoet aan zijn medewerkingsplicht door volledige en juiste informatie te verstrekken en alle relevante stukken, toelichtingen en documentatie die daarvoor relevant zijn in deze procedure overlegt. Beklaagde heeft daarop, voor zover dit binnen zijn mogelijkheden lag, de gevraagde stukken en een verklaring overgelegd.
Beklaagde meende en meent nog steeds uit de uitspraak van 1 juli 2024 af te kunnen leiden dat hij ter zitting wél heeft verklaard dat hij op enig moment weet had van de familierelatie en dat hij dat toen, naar het oordeel van de Geschillencommissie, aan klaagster en haar ex-partner had moeten laten weten. Dit moment is in de uitspraak echter niet specifiek geduid. Beklaagde denkt dat dit komt omdat hij vanwege nervositeit mogelijk te korte en onvoldoende duidelijke antwoorden heeft gegeven. De andere verklaringen waarnaar klaagster verwijst, de verklaring in het verweerschrift en de verklaring in het transcript van het gesprek zoals dat door de toenmalige klaagster is overgelegd, verschillen niet of nauwelijks van elkaar en zijn in lijn met wat beklaagde ter zitting heeft willen verklaren dan wel gedacht heeft te hebben verklaard.
De commissie heeft naar aanleiding van hetgeen door partijen is aangevoerd en ingebracht geconstateerd dat zij niet heeft kunnen vaststellen dat beklaagde bewust ter zitting heeft gelogen. Weliswaar beaamt de commissie dat door beklaagde niet steeds consequent is verklaard ten aanzien van het moment waarop beklaagde bekend werd met de familierelatie tussen de kopers en zijn collega, maar in dat kader is hierop naar het oordeel van de commissie in de verweerschriften van 12 februari 2025 en 9 december 2025, alsmede in de verklaring van beklaagde, afdoende toelichting gegeven. Bewijzen dat door beklaagde ter zitting is gelogen, ontbreken.
Voorts heeft de toelichting van beklaagde over de omstandigheden voorafgaand aan en tijdens de zitting, ertoe bijgedragen dat de commissie niet tot de conclusie kan komen dat beklaagde een tuchtrechtelijk verwijt is te maken. Weliswaar lijkt er sprake te zijn van enige inconsistentie voor wat betreft hetgeen door beklaagde op 1 juli 2024 is gezegd, maar beklaagde heeft ook uitgelegd nerveus te zijn geweest ter zitting waardoor hij korte en misschien onvoldoende duidelijke antwoorden op de vragen van de commissie heeft gegeven. Vanwege de zeer late ontvangst van de zittingsuitnodiging, heeft beklaagde zich onvoldoende op de zitting voor kunnen bereiden. Nu ter zitting geen proces-verbaal wordt opgemaakt van hetgeen is besproken, doch enkel aantekeningen worden gemaakt ter ondersteuning van de commissie om tot haar oordeel te kunnen komen, zijn geen letterlijke verklaringen van partijen vastgelegd. In de uitspraak wordt volstaan met een beknopte weergave van de standpunten en de hoofdlijnen van wat ter zitting is besproken. Dit kan eventueel tot gevolg hebben dat een bepaald punt soms wat scherp in de uitspraak staat vermeld. Niet valt uit te sluiten dat hier in onderhavige kwestie sprake van is geweest.
Op grond van het voorgaande en al hetgeen partijen hebben aangevoerd en ingebracht is de commissie van oordeel dat niet kan worden vastgesteld dat beklaagde tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld.
De commissie verklaart de klacht ongegrond zoals hiervoor overwogen.
Derhalve wordt als volgt beslist.
Beslissing
De commissie:
– verklaart de klacht van klaagster ongegrond.
Aldus beslist door de Tuchtcommissie Vastgoedprofessionals, bestaande uit de heer mr. E.A. Messer, voorzitter, de heer J. Weide, mevrouw mr. E.J.P.J.M. Kneepkens, leden, in aanwezigheid van mevrouw mr. J.M. Bouter-Bijsterveld, secretaris, op 9 februari 2026.