Ontbinding kan gevolgen niet rechtvaardigen – 2

De Geschillencommissie
Print Friendly, PDF & Email




Commissie: Telecommunicatiediensten    Categorie: Ontbinding, opzegging en tussentijdse beëindiging    Jaartal: 2015
Soort uitspraak: -   Uitkomst: -   Referentiecode: TEL06-1302

De uitspraak:

Onderwerp van het geschil

Het geschil betreft de afsluiting van een mobiele telefoonaansluiting.   De consument heeft een bedrag niet aan de ondernemer betaald. Een bedrag van € 166,70 heeft de consument bij de commissie gedeponeerd.   Vaststaande feiten   De consument heeft op 24 juli 2005 een tweejarig abonnement bij de ondernemer afgesloten voor € 32,50 per maand. Op 13 september 2006 is de automatische incasso van een maandtermijn mislukt. Hierover is op 19 september 2006 per sms-bericht een herinnering aan de consument verzonden. Op 3 oktober 2006 is nog geen reactie ontvangen en wordt wederom per sms-bericht een waarschuwing aan de consument verzonden, ditmaal met de melding dat afsluiting wordt geriskeerd. Op 18 oktober 2006 is nog geen reactie ontvangen en wordt per sms-bericht gemeld dat de aansluiting zal worden geblokkeerd, hetgeen op 20 oktober 2006 geschiedt. Op 25 oktober 2006 wordt de consument een brief gezonden, waarin wordt bericht dat het abonnement volledig zal worden beëindigd indien betaling uitblijft en dat de abonnementskosten voor de resterende contractsperiode ineens in rekening zullen worden gebracht. Op 9 november 2006 geschiedt zulks daadwerkelijk.   Standpunt van de consument   Het standpunt van de consument luidt in hoofdzaak als volgt.   Er is een achterstand van één maandtermijn, te weten over de maand september 2006. De maanden daarna zijn regulier per automatische incasso door de ondernemer geïncasseerd. Schriftelijke aanmaningen zijdens de ondernemer zijn nooit ontvangen. Gelet op de geringe achterstand is de reactie van de ondernemer overtrokken.   De consument verlangt dat het abonnement weer zal worden geactiveerd; de verschuldigde bedragen zullen dan ook worden voldaan. Voorts verlangd de consument dat de negatieve registratie bij de Stichting Preventel zal worden verwijderd.   Standpunt van de ondernemer   Het standpunt van de ondernemer luidt in hoofdzaak als volgt.   De ondernemer verzoekt de consument niet-ontvankelijk te verklaren in haar klacht, omdat deze slechts betrekking heeft op het niet betalen van een factuur zonder dat hier een inhoudelijke klacht aan ten grondslag ligt.   Subsidiair verzoekt de ondernemer de klacht ongegrond te verklaren. Overeenkomstig de artikelen 4.4, 4.5 en 4.6 van de algemene voorwaarden heeft de ondernemer het recht om een overeenkomst onmiddellijk te ontbinden indien de consument niet aan haar verplichtingen voldoet. Het ontbinden wordt gerechtvaardigd indien de consument niet voldoet aan haar betalingsverplichting. Hiermee vervalt het resterende beltegoed als de overeenkomst om welke reden dan ook wordt beëindigd. De ondernemer heeft het recht om dan een bedrag gelijk aan de periodieke vaste vergoeding over de nog resterende contractsduur in een keer te vorderen. De ondernemer is van mening dat de consument voldoende tijd is gegeven om haar rekening te voldoen en stelt zich op het standpunt juist te hebben gehandeld.   Beoordeling van het geschil   De commissie heeft het volgende overwogen.   Ingevolge artikel 5, onder c, van het reglement van de commissie verklaart de commissie de consument in zijn klacht niet-ontvankelijk indien het een geschil betreft over de niet-betaling van een factuur en daaraan geen inhoudelijke klacht ten grondslag ligt. De ondernemer heeft een beroep gedaan op deze bepaling. De commissie is echter van oordeel dat aan de niet-betaling van de slotfactuur wel degelijk een inhoudelijke klacht ten grondslag ligt, namelijk over de toepassing door de ondernemer van haar bevoegdheden als bedoeld in de artikelen 4.4, 4.5 en 4.6 van zijn algemene voorwaarden. De consument kan derhalve wel in haar klacht worden ontvangen.   Voorts overweegt de commissie als volgt.   Artikel 6:43 van het Burgerlijk Wetboek luidt als volgt. 1. Verricht de schuldenaar een betaling die zou kunnen worden toegerekend op twee of meer verbintenissen jegens een zelfde schuldeiser, dan geschiedt de toerekening op de verbintenis welke de schuldenaar bij de betaling aanwijst. 2. Bij gebreke van zodanige aanwijzing geschiedt de toerekening in de eerste plaats op de opeisbare verbintenissen. Zijn er ook dan nog meer verbintenissen waarop de toerekening zou kunnen plaatsvinden, dan geschiedt deze in de eerste plaats op de meest bezwarende en zijn de verbintenissen even bezwarend, op de oudste. Zijn de verbintenissen bovendien even oud, dan geschiedt de toerekening naar evenredigheid.   Artikel 6:265, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek luidt als volgt. Iedere tekortkoming van een partij in de nakoming van een van haar verbintenissen geeft aan de wederpartij de bevoegdheid om de overeenkomst geheel of gedeeltelijk te ontbinden, tenzij de tekortkoming, gezien haar bijzondere aard of geringe betekenis, deze ontbinding met haar gevolgen niet rechtvaardigt.   De consument heeft onweersproken gesteld dat, nadat één maandtermijn niet was voldaan, alle nadien vervallen termijnen regulier door de ondernemer konden worden geïncasseerd. Nu de algemene voorwaarden van de ondernemer niet in een andere regeling voorzien, moet op er grond van artikel 6:43, tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek van worden uitgegaan dat de latere vervallen termijnen, die wel zijn voldaan, moeten worden toegerekend aan de oudste openstaande termijn. Aldus heeft er sinds het moment dat een termijn niet is voldaan, steeds één termijn achterstand bestaan.   De algemene voorwaarden van de ondernemer geven de ondernemer het recht om bij een betalingsachterstand de overeenkomst te ontbinden en de resterende termijnen in rekening te brengen. Artikel 6:265 van het Burgerlijk Wetboek geeft echter wel een marginale toets: de ondernemer mag van dat recht geen gebruik maken indien de achterstand de ontbinding met haar gevolgen niet kan rechtvaardigen.   De gevolgen voor de consument zijn tamelijk verstrekkend. Niet alleen komt het abonnement te vervallen. Bovendien vervallen alle nadien gedurende de looptijd van de overeenkomst nog te verschijnen termijnen in een keer en moet zij deze betalen zonder dat daar enige dienst van de ondernemer tegenover staat. Aldus is het gevolg van één termijn achterstand dat de consument een schuld oploopt tot een bedrag van € 333,40, waar, zoals gezegd, geen dienst van de ondernemer tegenover staat.   De commissie is van oordeel dat het, gelet op de geringe achterstand, gelet op de omstandigheid dat de consument na september 2006 weer aan haar betalingsverplichtingen heeft voldaan en gelet op de gevolgen van het handelen van de ondernemer voor de consument, naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet aanvaardbaar is dat de ondernemer gebruik heeft gemaakt van zijn bevoegdheden als bedoeld in de artikelen 4.4, 4.5 en 4.6 van zijn algemene voorwaarden. De commissie wijst er hierbij op dat ondernemer andere dwangmiddelen jegens de consument ten dienste stonden, namelijk het blokkeren van het abonnement, waarvan ook gebruik is gemaakt. Nu de consument ondanks deze blokkering is doorgegaan met het betalen van haar termijnen, had de ondernemer niet zo snel tot toepassing van genoemde artikelen van de algemene voorwaarden mogen overgaan.   De commissie merkt nog het volgende op. De ondernemer heeft in zijn verweerschrift gesteld dat hij, nadat betaling uitbleef, diverse sms-berichten heeft gestuurd. De consument betwist die te hebben ontvangen. De ondernemer heeft van het verzenden van deze sms-berichten geen bewijs bijgebracht. Gelet op de vergaande gevolgen van de toepassing van de bevoegdheden als bedoeld in de artikelen 4.4, 4.5 en 4.6 van de algemene voorwaarden is de commissie van oordeel dat communicatie via sms in dezen niet zonder meer voldoende is.   Tenslotte merkt de commissie nog op dat de ondernemer niet ter zitting is verschenen, zodat hetgeen de consument ter zitting naar voren heeft gebracht (onder meer ten aanzien van de betaling van latere termijnen en ten aanzien van de ontvangst van aanmaningen) niet is weersproken. Voorts heeft de ondernemer geen toelichting gegeven op zijn beleid ten aanzien beëindigingen als de onderhavige, noch op de gevolgen daarvan (bijvoorbeeld over de vraag of het aanvankelijk uitgegeven nummer nog beschikbaar is).   Op grond van het voorgaande is de commissie van oordeel dat de klacht gegrond is.   De commissie zal bepalen dat het abonnement weer dient te worden geactiveerd en dat de consument in de gelegenheid wordt gesteld het contract uit te dienen tot de aanvankelijke einddatum van het contract, waarna de consument (desgewenst) gebruik kan maken van nummerportering. Op grond van de stellingen van de consument gaat de commissie er van uit dat er sprake is van één maand achterstand ad € 32,50. Deze dient uit het depotbedrag te worden voldaan.   Gelet op alle omstandigheden wordt als volgt beslist.   Beslissing   De consument wordt in haar klacht ontvankelijk verklaard.   De commissie bepaalt dat de ondernemer binnen vier weken na verzenddatum van dit bindend advies het abonnement van de consument op gelijke voorwaarden weer zal activeren, voor zover dat mogelijk is met hetzelfde telefoonnummer en anders onder verstrekking van een ander telefoonnummer. De betalingsverplichtingen van de consument tot 9 november 2006 blijven in stand en de consument is de gebruikelijke bedragen verschuldigd na de heraansluiting. Voor de periode tussen 9 november 2006 en de heraansluiting is de consument geen abonnementsgeld verschuldigd; eventuele ten behoeve van die periode betaalde bedragen dienen door de ondernemer met de consument te worden verrekend. Het contract zal eindigen tegen de aanvankelijk overeengekomen einddatum, waarna de consument (desgewenst) gebruik kan maken van nummerportering.   De ondernemer draagt er zorg voor dat de eventuele melding bij de Stichting Preventel binnen vier weken na verzenddatum van dit bindend advies zal worden verwijderd.   Bovendien dient de ondernemer overeenkomstig het reglement van de commissie een bedrag van € 35,– aan de consument te vergoeden ter zake van het klachtengeld.   Met in achtneming van het bovenstaande wordt het depotbedrag als volgt verrekend. Van het depotbedrag wordt een bedrag van € 32,50 aan de ondernemer uitbetaald en het restantbedrag ad € 134,20 aan de consument.   Aldus beslist door de Geschillencommissie Telecommunicatie op 7 maart 2007.