Ontbinding wegens wanprestatie – 3

De Geschillencommissie
Print Friendly, PDF & Email




Commissie: Telecommunicatiediensten    Categorie: Betaling    Jaartal: 2015
Soort uitspraak: -   Uitkomst: -   Referentiecode: TEL04-0404

De uitspraak:

Onderwerp van het geschil

Het geschil betreft de eenzijdige beëindiging van een mobiel contract.   De consument heeft een bedrag niet aan de ondernemer betaald. Een bedrag van € 409,80 heeft de consument bij de commissie gedeponeerd.   Standpunt van de consument   Het standpunt van de consument luidt in hoofdzaak als volgt.   De vordering van de ondernemer vloeit niet voort uit enig contract tussen partijen. Noch uit de overeenkomst tussen partijen noch uit de toepasselijke algemene voorwaarden blijkt de juistheid van de vordering van de ondernemer. Zelfs indien de algemene voorwaarden zouden bepalen, dat de consument alle verschuldigde abonnementsgelden na datum van ontbinding, 12 augustus 2003, verschuldigd zou zijn dan moet worden geoordeeld, dat hier sprake is van een nietig beding, namelijk een zwart beding, zoals genoemd in Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek.   De consument is bereid de kwestie in der minne af te wikkelen.   Standpunt van de ondernemer   Het standpunt van de ondernemer luidt in hoofdzaak als volgt.   De ondernemer heeft de overeenkomst met de consument ontbonden wegens aanhoudende wanbetaling. Volgens de ondernemer stelt artikel 6:277 van het Burgerlijk Wetboek buiten twijfel, dat de schuldenaar bij ontbinding wegens wanprestatie recht heeft op schadevergoeding. De ondernemer vordert als schade de maandelijkse vergoeding voor de resterende abonnementstermijnen. De ondernemer wijst er daarbij op, dat het positieve contractbelang in de praktijk meer bedraagt, aangezien er bij nakoming naar alle waarschijnlijkheid ook belinkomsten waren gegenereerd.   Beoordeling van het geschil   De commissie heeft het volgende overwogen.   In het kader van de ontbinding van de overeenkomst tussen partijen heeft de ondernemer ingevolge artikel 6:277 van het Burgerlijk Wetboek recht op vergoeding van de schade, die hij lijdt doordat geen wederzijdse correcte nakoming, maar ontbinding plaatsvindt en wel, indien de tekortkoming (wanprestatie) aan de consument kan worden toegerekend. In het onderhavige geval komt de commissie tot de bevinding dat dit laatste inderdaad aan de orde is, aangezien de wanprestatie van de consument niet althans onvoldoende werd weersproken. Dit betekent, dat de consument aan de ondernemer het zogeheten positief contractbelang dient te vergoeden. In verband hiermee mag de ondernemer bij het vaststellen van de schade zich oriënteren op de (hypothetische) situatie, waarin hij zou hebben verkeerd, indien de consument zijn verbintenis correct was nagekomen.   Ter zitting is namens de consument nader gesteld, dat een bepaling, die recht zou geven op de resterende abonnementskosten na ontbinding van het contract, niet een zogenoemd zwart beding is, maar een zogenoemd grijs beding (artikel 6:237 onder h van het Burgerlijk Wetboek), dus een beding, dat vermoed wordt onredelijk bezwarend te zijn. Dienaangaande merkt de commissie allereerst op, dat voormeld artikel geen betrekking heeft op een situatie als de onderhavige. De ondernemer mag zich daarom naar het oordeel van de commissie beroepen op artikel 6:277 van het Burgerlijk Wetboek.   De commissie kan het met de consument eens zijn, dat artikel 11.2 van de toepasselijke algemene voorwaarden (waarvan zich een afschrift in het dossier bevindt) niet is geschreven voor een situatie als de onderhavige.   De ondernemer, die er ter zitting op wees, dat de consument bij het aangaan van het contract een gratis telefoon heeft ontvangen, heeft verder uitgelegd wat het beloop van het onderhavige schadebedrag is. Het gaat om de na de ontbinding resterende abonnementskosten. De commissie constateert, dat dit overigens reeds aan de consument duidelijk kon zijn uit de brieven van de ondernemer aan de consument van: 12 augustus 2003, 5 november 2003 en 25 november 2003.   De commissie acht geen, althans volstrekt onvoldoende termen aanwezig om de handelwijze van de ondernemer als slordig of rommelig te betitelen.   Gelet op al het vorenstaande komt de commissie tot de slotsom, dat de klacht van de consument ongegrond moet worden bevonden.   Het door de commissie in depot gestorte bedrag ad € 409,80 dient naar de rekening van de ondernemer te worden overgemaakt.   Derhalve wordt als volgt beslist.   Beslissing   De commissie wijst het door de consument verlangde af.   Bepaalt, dat het door de consument in depot gestorte bedrag ad € 409,80 wordt overgemaakt naar de rekening van de ondernemer.   Aldus beslist door de Geschillencommissie Telecommunicatie op 27 september 2004.