Ontvankelijkheid bij kwestie reis- en annuleringsverzekering.

De Geschillencommissie
Print Friendly, PDF & Email




Commissie: Reizen    Categorie: Procedure    Jaartal: 2014
Soort uitspraak: -   Uitkomst: -   Referentiecode: REI01-2053

De uitspraak:

Onderwerp van het geschil

Het geschil vloeit voort uit een op 22 maart 2001 via een boekingskantoor met de reisorganisator totstandgekomen overeenkomst, waarbij de reisorganisator zich verplicht heeft tot het leveren van een verblijf in een bungalow voor zes personen te Disneyland Parijs in Frankrijk op basis van logies, voor de periode van 1 juli 2001 t/m 5 juli 2001 voor de som van € 1.203.43.

Klager heeft op 5 juli 2001 de klacht voorgelegd aan de reisorganisator.

Standpunt van klager

Het standpunt van klager luidt in hoofdzaak als volgt.

Er was een reis naar Disneyland Parijs geboekt voor mijzelf, twee kinderen alsmede voor mijn zus en twee kinderen. Helaas ging ik drie weken voor de reis door mijn rug en was het onmogelijk om naar Disneyland af te reizen. De geboekte reis werd hierop geannuleerd.

Ik krijg echter slechts een gedeelte van de reissom vergoed. Namelijk allereerst niet voor mijn zus en haar kinderen omdat deze niet onder de annuleringsverzekering vielen. Daarnaast is er mijns inziens sprake van een reis naar een hotel (zoals blijkt uit de reisbrochure) en dan dient de annuleringsvergoeding daarop te zijn afgestemd en niet op een eigen vervoersreis. Daarom had ik 40% van de reissom vergoed moeten krijgen.

Naar mijn mening had het boekingskantoor als deskundige mij er op dienen te wijzen dat ik met mijn doorlopende reis- en annuleringsverzekering risico’s liep ten aanzien van mijn zus en haar kinderen.

Klager verlangt een vergoeding van € 743,29 zijnde het niet vergoede gedeelte van de reissom alsmede kosten ter zake van telefoonkosten c.q. portokosten alsook klachtengeld.
 
Standpunt van de reisorganisator

Het standpunt van de reisorganisator luidt in hoofdzaak als volgt.

Bij de boeking is klager een annulerings- en/of reisverzekering aangeboden. Klager stelde dat dit niet nodig was, omdat zij een doorlopende verzekering heeft. Zij was er ook van overtuigd dat haar medereizigers onder de dekking vielen en was dan ook ‘met stomheid geslagen’ toen de verzekeringsmaatschappij slechts een uitkering aan haar en haar beide kinderen wilde doen.
Naar onze mening had het op de weg van klager gelegen om – nadat de annuleringsverzekering was aangeboden en afgewezen – te onderzoeken of haar medereizigers onder de dekking van haar verzekering vielen.

Verder betrof het een eigen vervoersreis en werd 90% van de reissom als annuleringskosten in rekening gebracht. Tot slot kan worden opgemerkt dat klager destijds niet de mogelijkheid van een gedeeltelijke annulering heeft aangeroerd, zodat haar zus met haar kinderen wel zouden gaan.

Beoordeling van het geschil

De commissie heeft het volgende overwogen.

In geschil is welk bedrag klager dient terug te ontvangen ten gevolge van haar annulering in juni 2001. Klager maakt aanspraak op een bedrag van € 743,29, welke bedrag voor een gedeelte bestaat uit een niet door de (annulerings)verzekeringsmaatschappij vergoed gedeelte en overigens is gebaseerd op een uitkering ter zake van een eigen vervoersreis en niet op een pakketreis.

De commissie zal eerste aandacht besteden aan de annuleringsverzekering.
Uit de overgelegde bescheiden blijkt dat klager met haar beide kinderen, haar zus en twee kinderen van deze zus naar Disneyland wilde gaan. Onomstreden is dat klager bij de boeking is gevraagd of zij een annuleringsverzekering wenste af te sluiten alsook dat klager dit heeft geweigerd omdat zij een doorlopende annuleringsverzekering heeft. Geschilpunt is of bij de boeking er op had dienen te worden gewezen dat klagers reisgenoten mogelijk niet verzekerd zouden zijn.

De commissie is van oordeel dat zulks niet het geval is. De verplichting om te wijzen op een annuleringsverzekering dient niet zo ver te worden opgerekt dat te dier zake alle mogelijkheden en onmogelijkheden ter sprake moeten worden gebracht. Niet kan worden verwacht dat een reisadviseuse tevens ook specialist is op het gebied van verzekeringen die uit eigen beweging allerhande punten aanroert. Bovendien mag van een reiziger worden verwacht dat deze voldoende is geïnformeerd omtrent de eigen omstandigheden en verzekeringen alsook dat deze bij twijfel een en ander ter sprake brengt. Daarnaast speelt ook het tijdsaspect een rol: soms is het dusdanig druk bij een boekingskantoor dat de medewerkers zich volledig moeten richten op hun daadwerkelijke taak: boekingen verzorgen.

In het concrete geval had klager bij de boeking erop moeten wijzen dat zij over een doorlopende annuleringsverzekering beschikt en dat zij er van uit ging dat ook haar zus en beide kinderen onder de dekking zouden vallen. In dat geval was er sprake van een concreet aanknopingspunt waarop door de betrokken medewerkster een antwoord had moeten worden gegeven en eventueel navraag had moeten worden gedaan.

Een en ander betekent dat klager geen aanspraak kan maken op een vergoeding ter zake van de geweigerde annuleringsuitkering betreffende haar zus met beide kinderen en dat het boekingskantoor niet aansprakelijk is voor een geringere uitkering dan klager in haar hoofd had.

Verder is het percentage van de annuleringsuitkering in het geding.  De commissie stelt voorop dat in casu sprake is van een eigen vervoersreis: onomstreden staat vast dat klager met eigen vervoer (auto) naar Disneyland Parijs zou reizen. Zulks staat ook vermeld op de boekingsbevestiging. Vervolgens moet onder ogen worden gezien of er sprake is van een annulering welke valt onder art. 9 lid 1 ANVR-reisvoorwaarden sub 1.2.1 (hotelaccommodatie) dan wel sub 1.2.2 (aanbieding per wooneenheid).

Naar het oordeel van de commissie is er sprake van een geval als bedoeld sub 1.2.2 (aanbieding per wooneenheid) en betreft het niet een hotelaccommodatie. Te dier zake valt allereerst te wijzen op de boekingsbevestiging waarop bij huisvesting is vermeld: driekamerbungalow. Voorts kan steun worden gevonden in de ANVR-reisvoorwaarden waar in art. 3 lid 1 het onderscheid hotel/bungalow wordt gemaakt: “Bij het totstandkomen van de overeenkomst dient een bedrag (aanbetaling) te worden voldaan dat gelijk is aan 10% van de totale overeengekomen reissom en dat tenminste ƒ 100,– per reiziger bedraagt, tenzij in de betreffende publicatie anders is aangegeven. In geval van eigen-vervoerreizen is de aanbetaling bij het totstandkomen van de overeenkomst voor hotelaccommodatie hieraan gelijk. Bij alle overige verblijfssoorten, zoals bungalows, appartementen, motorboten, zeiljachten, stacaravans en camping-staanplaatsen, bedraagt de aanbetaling 30% van de reissom.”
Dat op p. 19 van de Vrij Uit prijzenbrochure wordt gesproken van ‘hotel’ kan daaraan niet afdoen, omdat uit de omschrijving en afbeeldingen betreffende de geboekte ‘Davy Crocket Ranch’ genoegzaam blijkt dat er sprake is van verblijf in een (vrijstaande) bungalow en niet van een verblijf in een hotel (zoals Holiday Inn, Ibis, etc.).

Derhalve wordt als volgt beslist.

Beslissing

De commissie is derhalve van oordeel dat de klacht ongegrond is.

Aldus beslist door de Geschillencommissie Reizen op 26 juni 2002.