Onvoldoende inzichtelijke declaraties

De Geschillencommissie
Print Friendly, PDF & Email




Commissie: Advocatuur    Categorie: Declaratie    Jaartal: 2013
Soort uitspraak: -   Uitkomst: -   Referentiecode: ADV08-0047

De uitspraak:

Onderwerp van het geschil

Het geschil betreft de onbetaalde declaratie die de advocaat voor zijn werkzaamheden bij de cliënt in rekening heeft gebracht.   Overeenkomstig het Reglement van de commissie heeft de cliënt een bedrag van € 1.600,– in depot gestort.   Standpunt van de advocaat   Het standpunt van de advocaat luidt in hoofdzaak als volgt.   De advocaat is met de cliënt een overeenkomst tot dienstverlening aangegaan. De advocaat heeft de cliënt bijstand verleend in een arbeidsgeschil met de voormalige werkgever van de cliënt. Er is lang onderhandeld met de werkgever. Uiteindelijk is de arbeidsovereenkomst ontbonden met een vergoeding voor de cliënt van per saldo € 108.660,– te vermeerderen met buitengerechtelijke incassokosten. In het kader van de onderhandelingen heeft de cliënt op advies van de advocaat aan de werkgever verzocht om de advocaatkosten ten laste van de werkgever te laten komen, zodat de BTW bij de werkgever kon worden verrekend. Deze factuur is door de werkgever betaald. Evenwel is er nadien door latere complicaties nog veelvuldig contact geweest met de werkgever en zijn advocaat. Die extra uren zijn bij de cliënt afzonderlijk nog in rekening gebracht. Het betreft een aanvullende declaratie van € 2.018,57. De advocaat wenste dit later nog wel te modereren tot € 1.600,– en bij spoedige betaling tot € 1.200,–. De cliënt heeft dit aanbod niet aanvaard. Pogingen om de werkgever te bewegen de aanvullende uren alsnog aan hem door te berekenen hebben geen resultaat opgeleverd. Volgens de advocaat dient de cliënt de door de werkgever niet volledig betaalde advocaatkosten voor zijn rekening te nemen.   Op grond van het voorgaande verzoekt de advocaat de commissie te bepalen dat de cliënt de onbetaalde openstaande declaratie ter grootte van € 2.018,57 dient te voldoen te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 februari 2008. In zijn brief van 23 juni 2008 heeft de advocaat aan de commissie meegedeeld dat indien door de cliënt een bedrag van € 1.600,– wordt voldaan, hij bereid is afstand te doen van het meerdere.   Standpunt van de cliënt   Het standpunt van de cliënt luidt in hoofdzaak als volgt.   De cliënt is met de advocaat een overeenkomst tot dienstverlening aangegaan. De advocaat heeft hem bijgestaan in een arbeidsgeschil met de voormalige werkgever van de cliënt. In tegenstelling tot de gemaakte afspraken heeft de advocaat niet de volledige advocaatkosten in rekening gebracht bij de voormalige werkgever van de cliënt. De cliënt heeft zowel mondeling als schriftelijk herhaaldelijk aan de advocaat gevraagd of hij dit alsnog wilde doen. Ondanks zijn toezegging heeft de advocaat dit achterwege gelaten. Veel later vordert de advocaat nog kosten op de cliënt zonder ooit in te gaan op het verzoek van de cliënt om de advocaatkosten in rekening te brengen bij de werkgever. Ter zitting heeft de cliënt aangegeven dat hij zich afvraagt waaruit de nazorg werkzaamheden van de advocaat heeft bestaan; de advocaat heeft slechts 1 brief geschreven aan de wederpartij. Uit het klachtenformulier van de commissie verstaat de commissie het verzoek van de cliënt aldus te bepalen dat hij niets meer aan de advocaat is verschuldigd.   Beoordeling van het geschil   Naar aanleiding van het over en weer door partijen gestelde overweegt de commissie het volgende.   Vast staat dat de advocaat de cliënt heeft bijgestaan in een arbeidsgeschil met de voormalige werkgever van de cliënt. Voorts staat vast dat de cliënt met zijn werkgever in het kader van onderhandelingen een aan hem uit te keren ontslagvergoeding is overeengekomen van per saldo € 108.660,–. Daarbij is onder meer afgesproken dat de advocaatkosten van de cliënt aan de werkgever konden worden doorberekend. De advocaat heeft een declaratie, gedateerd 6 oktober 2006, aan de werkgever verstuurd voor een bedrag van € 3.769,50 exclusief BTW. De werkgever heeft deze declaratie aan de advocaat voldaan. Uit het emailbericht van de advocaat van 15 januari 2007, gericht aan de cliënt, blijkt dat de cliënt en de voormalige werkgever zijn overeenkomen: ”Resumerend is verschuldigd geworden bruto € 108.660,00 bruto plus € 5.000,00 kosten. Van dit laatste kan worden betaald € 3.769,50 exclusief BTW zodat nog resteert de somma ad € 1.230,50 aan eventuele kosten outplacement”. Voorts staat vast dat zowel in de declaratie van 6 oktober 2006 als in de declaratie van 31 juli 2007 gericht aan de voormalige werkgever van de cliënt een post ‘geschatte nazorg’ is opgenomen.   Gelet op de overgelegde stukken en het verhandelde ter zitting acht de commissie de stellingen van de advocaat onvoldoende duidelijk en de declaraties onvoldoende inzichtelijk. De commissie overweegt daartoe als volgt. Het gehanteerde uurtarief is niet eenduidig. Voorts zijn in de verschillende declaraties posten opgenomen voor geschatte of verleende nazorg zonder dat duidelijk wordt gemaakt waarop die schatting berust en of er dienaangaande afspraken zijn gemaakt respectievelijk op grond van welke oorzaken de facto nazorg noodzakelijk was. De commissie neemt daarbij in aanmerking dat de cliënt de gestelde nazorg voor het overgrote deel heeft bestreden. De beweegredenen van de advocaat om zijn declaratie te matigen, zoals hij heeft voorgesteld, zijn voor de commissie eveneens onduidelijk gebleven. Reeds om deze redenen is door de advocaat niet, en in ieder geval volstrekt onvoldoende, duidelijk gemaakt op welke gronden hij nog van de cliënt heeft te vorderen zoals hij stelt. Alhoewel de advocaat in de gelegenheid is gesteld om ter zitting zijn standpunt toe te lichten, heeft de advocaat daarvan geen gebruik gemaakt. Ter zitting had de advocaat naar het oordeel van de commissie de wijze van zijn declareren kunnen verduidelijken. De mondelinge behandeling ter zitting door de commissie is de uitgelezen mogelijkheid daartoe. De advocaat heeft weliswaar in zijn verweerschrift zijn verhinderdagen opgegeven, waarmee het secretariaat van de commissie bij het bepalen van een zittingsdatum rekening heeft gehouden, doch de advocaat is zonder opgaaf van reden niet ter zitting verschenen. In het licht van het vorenoverwogene betreurt de commissie de afwezigheid van de advocaat ter zitting. De afwezigheid van de advocaat ter zitting en daarmee het feit dat de advocaat ter zitting niet alsnog inzicht heeft kunnen geven in de wijze van declareren dient dan ook voor zijn rekening en risico te komen.   Ten overvloede overweegt de commissie dat door de advocaat ook onvoldoende aannemelijk is gemaakt dat hij zich voldoende adequaat heeft ingespannen om het hem nog competerende aan de voormalige werkgever van de cliënt in rekening te brengen gelet op de dienaangaande met deze gemaakte afspraken.   Gelet op het vorenstaande ziet de commissie aanleiding te bepalen dat de cliënt niets meer aan de advocaat is verschuldigd, zodat het depotbedrag van € 1.600,– aan de cliënt zal worden gerestitueerd. Nu de klacht van de cliënt gegrond wordt verklaard dient de advocaat – overeenkomstig het reglement van de commissie – een bijdrage van € 115,– in de behandelingskosten aan de commissie te voldoen.   Derhalve dient als volgt te worden beslist.   Beslissing   De commissie bepaalt dat de cliënt niets meer aan de advocaat is verschuldigd. Met inachtneming van het vorenstaande wordt het depotbedrag van € 1.600,– aan de cliënt gerestitueerd.   Overeenkomstig het reglement van de commissie is de advocaat aan de commissie als bijdrage in de behandelingskosten van het geschil een bedrag van € 115,– verschuldigd.   Het meer of anders verlangde wordt afgewezen.   Aldus beslist door de Geschillencommissie Advocatuur op 29 september 2008.