Onvoldoende voorlichting omtrent financiële consequenties van de opdrachtverlening

De Geschillencommissie
Print Friendly, PDF & Email




Commissie: Advocatuur    Categorie: Informatie    Jaartal: 2013
Soort uitspraak: -   Uitkomst: -   Referentiecode: ADV08-0123

De uitspraak:

Onderwerp van het geschil

Het geschil betreft de kwaliteit van dienstverlening van de advocaat ter zake een boedelscheiding van de cliënt met zijn voormalige echtgenote, de declaratie die de advocaat daarvoor in rekening heeft gebracht en de gevorderde schadevergoeding door de cliënt.

  De cliënt heeft een deel van deze declaratie niet aan de advocaat voldaan. Het openstaande bedrag van € 6 259,– is overeenkomstig het Reglement van de commissie in depot gestort.   Standpunt van de advocaat   Het standpunt van de advocaat luidt in hoofdzaak als volgt.   De advocaat is met de cliënt een overeenkomst tot dienstverlening aangegaan. De zaak betrof een boedelscheiding. Bij aanvang van de opdracht is aan de cliënt meegedeeld dat hij een gerede kans had dat hij de advocaat zelf zou moeten betalen, toen bleek dat in de te verdelen boedel een woning zat. De cliënt heeft weliswaar geen materieel inzicht gekregen in de kosten, doch hem is wel tijdens de diverse gesprekken op kantoor verteld dat het ‘veel geld’ zou kunnen gaan kosten toen met name bleek dat er geen schot in de zaak kwam en de cliënt veelvuldig overleg wilde. Aan de cliënt is uitdrukkelijk medegedeeld dat zijn zaak voor een belangrijk deel door een juriste van het advocatenkantoor zou worden voorbereid. De cliënt had ook voornamelijk telefonisch contact met deze juriste. Bovendien kon de cliënt uit de hem toegezonden correspondentie opmaken dat de juriste een deel van de werkzaamheden verrichtte. Aangezien de advocaat heeft verzuimd een deel van de correspondentie te declareren, wenst hij dat alsnog te doen. De hoogte van het te declareren bedrag bedraagt dientengevolge € 12.517,72. De advocaat heeft erkend dat de cliënt de dagvaarding nimmer heeft ontvangen. Bovendien heeft de advocaat erkend dat aan de cliënt ten onrechte een bedrag van € 915,11 in rekening is gebracht.   De garage is nimmer ter sprake gebracht door de cliënt. De cliënt had zich moeten realiseren dat de garage ook tot de boedel behoorde en kennelijk los van de woning stond, zodat eveneens de garage verdeeld moest worden.   Op grond van het voorgaande verzoekt de advocaat de commissie te bepalen dat de cliënt de deels openstaande declaratie dient te voldoen. Mitsdien vordert de advocaat een bedrag van € 12.517,72 waarop een bedrag van € 915,11 (zijnde de eigen bijdrage van de cliënt) en een bedrag van € 6.000,– (zijnde het bedrag dat de cliënt reeds aan de advocaat heeft voldaan) in mindering dient te worden gebracht, zodat een bedrag resteert van € 5.602,61.   Standpunt van de cliënt   Het standpunt van de cliënt luidt in hoofdzaak als volgt.   In zijn algemeenheid heeft de klacht van de cliënt betrekking op de (on)redelijkheid van de door de advocaat in rekening gebrachte kosten voor de behandeling van de boedelscheiding. De opdracht aan de advocaat is verleend op 7 december 2004. Op 4 februari 2005 heeft de Raad voor Rechtsbijstand een voorwaardelijke toevoeging verleend met oplegging van een eigen bijdrage. Eerst op 27 juni 2006 heeft de advocaat een opdrachtbevestiging toegestuurd waarin de paragraaf ‘financiële afspraken’ is doorgehaald. Aangezien de cliënt een bedrag van ruim € 44.000,– zou ontvangen uit de boedelscheidingsprocedure, heeft de Raad voor Rechtsbijstand hem bericht dat de voorwaardelijk verleende toevoeging met terugwerkende kracht zou worden ingetrokken. Onder verwijzing naar de gedragsregels stelt de cliënt zich op het standpunt dat de advocaat de financiële consequenties niet met hem heeft besproken. De cliënt heeft geen inzicht gehad in de kosten van rechtsbijstand. Indien de advocaat de cliënt tijdig op de hoogte had gesteld van de kosten van rechtsbijstand had de cliënt tijdig maatregelen kunnen nemen. Eerst na beëindiging van de zaak is het voor de cliënt duidelijk geworden dat de werkzaamheden grotendeels zijn verricht door een juriste van het kantoor van de advocaat. Zij is echter geen advocaat, terwijl voor haar wel een advocatentarief in rekening is gebracht. Het uurtarief van € 165,– is niet overeengekomen. De cliënt stelt zich voorts op het standpunt dat er sprake is van excessief declareren. Voor het merendeel van de werkzaamheden wordt een tijdsbesteding geschreven en in rekening gebracht die in geen verhouding staan tot een reële tijdsbesteding gelet op de duur van de verrichting, de moeilijkheidsgraad van de zaak etc. Zo worden er interne besprekingen over de zaak in rekening gebracht evenals het concipiëren van een dagvaarding waarvan de cliënt nimmer het concept heeft mogen ontvangen.   Bovendien is de cliënt niet tevreden over de kwaliteit van de dienstverlening van de advocaat. De garage, behorend bij de inmiddels verdeelde woning, is niet in de verdeling betrokken. Deze garage is derhalve nog onverdeeld eigendom, zodat er wederom werkzaamheden dienen te worden verricht en kosten moeten worden gemaakt om dit registergoed te verdelen. De cliënt erkent dat hij heeft verzuimd om het bestaan van de garage aan de advocaat mede te delen, doch de advocaat heeft ook niet gevraagd naar het bestaan van overige registergoederen.   Ter zake de opgelegde eigen bijdrage van € 769,– heeft de advocaat de cliënt een bedrag van € 915,11 in rekening gebracht. De cliënt acht het mitsdien niet terecht dat op de declaratie van 17 januari 2008 een bedrag van € 769,– in mindering wordt gebracht ter zake de eigen bijdrage.   Op grond van het voorgaande verzoekt de cliënt de commissie in redelijkheid en billijkheid een vergoeding vast te stellen.   Beoordeling van het geschil   Naar aanleiding van het over en weer door partijen gestelde overweegt de commissie het volgende.   De kern van de klachten van de cliënt houdt in dat hij de in rekening gebrachte werkzaamheden van de advocaat voor de boedelscheiding onredelijk acht. Vast staat dat de cliënt de declaratie van 17 januari 2008 niet volledig heeft voldaan; de cliënt heeft reeds een bedrag van € 6.000,– aan de advocaat voldaan.   De cliënt heeft aangevoerd dat de advocaat niet de financiële consequenties van de procedure met hem heeft besproken. De advocaat heeft deze stelling gemotiveerd weersproken. Gelet op de aan haar overgelegde stukken en het verhandelde ter zitting is de commissie van oordeel dat er geen, althans onvoldoende duidelijke voorlichting heeft plaatsgevonden door de advocaat omtrent de financiële consequenties van de opdrachtverlening. De advocaat heeft weliswaar gesteld dat de opdrachtverlening de cliënt ‘veel geld’ zou gaan kosten, doch dat valt uit de overgelegde stukken niet af te leiden. Met name de door beide partijen (niet gedateerde) opdrachtbevestiging en de zogenaamde ‘checklist en opdrachtbevestiging bij intake van cliënten’ munten wat dit betreft niet uit in duidelijkheid. Hetgeen onder de kop ‘Financiële afspraken’ respectievelijk ‘Financieel gedeelte’ is vermeld, is door de advocaat doorgestreept en staat met pen vermeld ‘NVT’, hetgeen naar algemene bekendheid staat voor ‘niet van toepassing’. In weerwil van zijn opmerkingen stelt de commissie dan ook vast dat de advocaat in zijn informatie ter zake tekort is geschoten. Nu niet althans onvoldoende is komen vast te staan dat de advocaat (voldoende) voorlichting heeft verstrekt omtrent de financiële consequenties van de opdrachtverlening, slaagt de klacht van de cliënt hieromtrent.   Naar het oordeel van de commissie heeft de advocaat dan ook niet gehandeld zoals van een redelijk bekwame en redelijk handelend advocaat mag worden verwacht.   Na bestudering van de stukken komt de commissie ten aanzien van de door de advocaat in rekening gebrachte kosten gelet op de aard van de zaak tot de conclusie dat de advocaat bovenmatig heeft gedeclareerd en dat zijn specificatie onvoldoende duidelijk is. Naar het oordeel van de commissie had met de boedelscheiding als de onderhavige in redelijkheid en billijkheid aan honorarium niet meer gemoeid mogen worden dan hetgeen reeds door de cliënt aan de advocaat is voldaan. Gelet op het vorenstaande zal de commissie bepalen dat de cliënt niets meer aan de advocaat is verschuldigd, zodat het depotbedrag van € 6.259,– aan de cliënt zal worden gerestitueerd. Nu de klacht van de cliënt gegrond wordt verklaard dient de advocaat – overeenkomstig het reglement van de commissie – een bijdrage van € 115,– in de behandelingskosten aan de commissie te voldoen.   Hetgeen partijen ieder voor zich verder nog naar voren hebben gebracht, behoeft – naar het oordeel van de commissie – geen verdere bespreking, nu dat niet tot een ander oordeel kan leiden.   Derhalve dient als volgt te worden beslist.   Beslissing   De commissie bepaalt dat de cliënt niets meer aan de advocaat is verschuldigd. Met inachtneming van het vorenstaande wordt het depotbedrag van € 6.259,– aan de cliënt gerestitueerd.   Overeenkomstig het reglement van de commissie is de advocaat aan de commissie als bijdrage in de behandelingskosten van het geschil een bedrag van € 115,– verschuldigd.   Het meer of anders verlangde wordt afgewezen.   Aldus beslist door de Geschillencommissie Advocatuur op 7 januari 2009.