Opdracht tot dienstverlening verstrekt, geen oriënterend/ vrijblijvend gesprek.

De Geschillencommissie
Print Friendly, PDF & Email




Commissie: Advocatuur    Categorie: Opdracht    Jaartal: 2014
Soort uitspraak: -   Uitkomst: -   Referentiecode: ADV10-0071

De uitspraak:

Bevoegdheid arbiters en plaats van arbitrage

De bevoegdheid van de arbiters berust op een overeenkomst tot arbitrage, zoals vervat in het door beide partijen ondertekende opdrachtformulier van 12 maart 2008, waarbij partijen zich voor de beslechting van alle geschillen ontstaan naar aanleiding van de totstandkoming en/of uitvoering van de dienstverlening, inclusief alle declaratiegeschillen, onderwerpen aan arbitrage door de Geschillencommissie Advocatuur (hierna te noemen: de commissie). Aldus is voldaan aan de eis van artikel 1021 Wetboek van Burgerlijke rechtsvordering. Partijen zijn tevens overeengekomen dat alle geschillen – zoals hiervoor omschreven – zullen worden beslecht overeenkomstig het Reglement Geschillencommissie Advocatuur (hierna te noemen: het Reglement).

De bevoegdheid van ondergetekenden om het geschil tussen partijen als arbiters te beslechten is gezien het vorenstaande gegeven. Zij dienen gelet op het bepaalde in artikel 31 van het Reglement te beslissen als goede mannen naar billijkheid, waarbij zij met in achtneming van de tussen partijen gesloten overeenkomst als maatstaf voor het handelen van de advocaat hanteren dat deze heeft gehandeld zoals verwacht mag worden van een redelijk bekwame en redelijk handelende advocaat.   Als plaats van arbitrage is Utrecht vastgesteld.   Standpunt eiser

Eiser wenst de declaratie, die verweerder ondanks herhaalde betalingsherinneringen niet heeft voldaan, ter incasso aan de commissie voor te leggen. [naam advocaat] (hierna te noemen: de advocaat) heeft aan [naam cliënt] (hierna te noemen: de cliënt) rechtsbijstand verleend. Voor zijn werkzaamheden heeft eiser een declaratie verzonden die onbetaald is gebleven voor een bedrag van € 708,05. Mitsdien verzoekt eiseres de commissie de cliënt te veroordelen tot betaling van de openstaande vordering van € 708,05 (inclusief rente en kosten) alsmede de arbitragekosten.   De advocaat heeft het standpunt van de cliënt gemotiveerd weersproken. De advocaat heeft ter zitting nog aangevoerd dat hij in het intakegesprek aan de cliënt advies heeft verstrekt waaronder een eventuele aansprakelijkheidsstelling door de werkgever van de cliënt.     Standpunt verweerder
  Voor het standpunt van de cliënt verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. In de kern komt het betoog van de klachten op het volgende neer.   In maart 2008 heeft de cliënt contact opgenomen met de advocaat voor een vrijblijvend gesprek waarin de cliënt om advies heeft gevraagd. De advocaat heeft de nodige informatie genoteerd die volgens hem noodzakelijk was om te bezien of de cliënt in aanmerking zou komen voor gefinancierde rechtsbijstand. Aan de hand van die uitslag en indien juridische hulp noodzakelijk zou blijken zou de cliënt in de toekomst bepalen of hij gebruik zou maken van de diensten van de advocaat. In 2009 heeft de cliënt nogmaals met het kantoor contact gehad voor het inwinnen van juridische informatie. De advocaat heeft niet aangegeven dat hij vertrokken was bij het advocatenkantoor [naam advocatenkantoor]. De cliënt is ervan uitgegaan dat hij geen kosten zou maken.   De cliënte verzoekt de commissie – althans zo verstaat de commissie zijn verzoek – de vordering van de advocaat af te wijzen.   Behandeling van het geschil

Op 15 december 2010 heeft te Utrecht de mondelinge behandeling ten overstaan van de arbiters plaatsgevonden, bijgestaan door [naam secretaris] fungerend als secretaris. Partijen zijn tijdig en behoorlijk opgeroepen om ter zitting te verschijnen. 
  De advocaat heeft gebruik gemaakt van de mogelijkheid ter zitting zijn standpunt nader toe te lichten. De cliënt is niet ter zitting verschenen.   Beoordeling van het geschil
  Naar aanleiding van het over en weer door partijen gestelde overweegt de commissie het volgende.   De commissie beslist naar redelijkheid en billijkheid met inachtneming van de tussen partijen gesloten overeenkomst, waarbij zij als maatstaf voor het handelen van de advocaat hanteert dat deze heeft gehandeld zoals verwacht mag worden van een redelijk bekwaam en redelijk handelend advocaat.   Kern van de klacht is dat de cliënt ervan is uitgegaan dat het gesprek met de advocaat een oriënterend en vrijblijvend karakter had voor het inwinnen van advies. Gelet op de overgelegde stukken en het verhandelde ter zitting is naar het oordeel van de commissie komen vast te staan dat aan de advocaat een opdracht tot dienstverlening is verstrekt en dat de advocaat daaropvolgend werkzaamheden heeft verricht. Partijen hebben daartoe op 12 maart 2008 een opdrachtformulier ondertekend. Bovendien heeft de advocaat ter bevestiging van de gegeven opdracht een kopie van de toevoegingsaanvraag bij brief van 13 maart 2008 toegestuurd. Daarbij heeft de advocaat aangegeven dat indien er geen toevoeging wordt afgegeven de cliënt wordt beschouwd als betalende cliënt en dat de aanvraag of verlening van de toevoeging geen voorwaarde is voor de verstrekte opdracht tot het verlenen van rechtsbijstand. Bij brief van 27 maart 2008 heeft de advocaat aan de cliënt meegedeeld dat de aanvraag om een toevoeging is afgewezen en heeft hij de financiële consequenties als gevolg van de afwijzing uitgelegd. De stelling van de cliënte dat het om een oriënterend c.q. vrijblijvend gesprek zou gaan, faalt derhalve. Bovendien blijkt uit de overgelegde specificatie dat de advocaat behalve het eerste gesprek nog enkele brieven heeft verzonden.   De advocaat heeft verzocht de cliënt te veroordelen tot betaling van de openstaande declaratie van € 708,05. Desgevraagd heeft de advocaat ter zitting zijn vordering gematigd in die zin dat hij thans de commissie verzoekt de cliënt te veroordelen tot betaling van de openstaande vordering van € 600,– (inclusief rente en kosten) alsmede de arbitragekosten. Naar het oordeel van de commissie ligt deze vordering van de advocaat voor toewijzing gereed. De commissie is voor wat betreft de kosten van de door de advocaat verrichte werkzaamheden niet gebleken dat de advocaat bij het opstellen van de declaratie is afgeweken van het tussen partijen onderling overeengekomen uurtarief, dan wel dat de hoogte of de omvang van de declaratie gelet op de verrichte werkzaamheden bovenmatig of buitenproportioneel is.   De commissie zal voorts de cliënt als de in het ongelijk gestelde partij veroordelen in de kosten van deze arbitrage, die worden vastgesteld op € 89,25 van het door de Stichting Geschillencommissie voor Beroep en Bedrijf (SGB) vastgestelde bedrag aan honorarium en verschotten van de arbiters. Gelet op de beslissing wordt de advocaat geacht de arbitragekosten bij wijze van voorschotbetaling mede namens de cliënt te hebben voldaan. De commissie bepaalt voorts dat het bedrag dat de advocaat ter zake de arbitragekosten heeft voldaan in zijn geheel komt te vervallen aan de commissie en veroordeelt de cliënt tot betaling van deze kosten.   Hetgeen partijen ieder voor zich verder nog naar voren hebben gebracht, behoeft – naar het oordeel van de commissie – geen verdere bespreking, nu dat niet tot een ander oordeel kan leiden.   Derhalve wordt als volgt beslist.   Beslissing   De commissie:   – veroordeelt de cliënt om aan de advocaat te voldoen een bedrag van € 600,– inclusief rente en kosten;   – veroordeelt de cliënt in de kosten van deze arbitrage, aan de zijde van de advocaat vastgesteld op € 89,25 aan honorarium en verschotten van de arbiters;   – wijst het meer of anders verzochte af.   Dit arbitraal vonnis is gewezen te Utrecht op 3 januari 2011.