Oppervlaktetarief; ondernemer is toegestaan om bij onbemeterde adressen het oppervlakte tarief in rekening te brengen.

  • Home >>
  • Water >>
De Geschillencommissie
Print Friendly, PDF & Email




Commissie: Water    Categorie: Tariefbepalingen    Jaartal: 2012
Soort uitspraak: -   Uitkomst: -   Referentiecode: ENE07-2014

De uitspraak:

Onderwerp van het geschil

Het geschil betreft de jaarnota van 27 februari 2006, waarop een bedrag wegens verbruikt water van € 524,32 in rekening wordt gebracht.

De consument heeft in februari 2006 de klacht voorgelegd aan de ondernemer.

Standpunt van de consument

Het standpunt van de consument luidt in hoofdzaak als volgt.

Op 14 juni 2004 ontvangt de consument bericht van een rechtsvoorgangster van de ondernemer dat een watermeter zal worden geplaatst. Ondanks regelmatige telefonische navraag wordt er geen watermeter bij de consument geplaatst. Uiteindelijk blijkt dat de ondernemer in de onjuiste veronderstelling verkeert dat er wel een watermeter is geplaatst aangezien men zich heeft vergist in de huisnummers. De ondernemer is er ten onrechte van uitgegaan dat de nummers 2 en 2a betrekking hebben op het zelfde pand, maar dat is niet het geval.

Het pand van de consument bestaat uit een woon/werkunit. Boven is de woning beneden de kantoorruimte. Als gevolg van een faillissement heeft de kantoorruimte van oktober 2004 tot oktober 2006 leeggestaan.

Na in 2007 weer een hoge afrekening voor het waterverbruik te hebben ontvangen tracht de consument verhaal te halen bij de ondernemer. Slechts door bemiddeling van een medewerker van ###, die op 29 mei 2007 een dringende mail naar de ondernemer stuurt, wordt op 29 juni 2007,dus ruim drie jaar later dan is aangekondigd een watermeter bij de consument geplaatst.

De consument becijfert dat zij op basis van het gemeten verbruik een bedrag van ongeveer € 200,– per jaar kwijt is; bij het op oppervlakte berekende gebruik is zij ongeveer € 500,- per jaar kwijt.

De consument is van mening dat zij recht heeft op een vermindering van de in rekening gebrachte bedragen aangezien het pand voor de helft heeft leeggestaan gedurende 2 jaar en de ondernemer haar onjuiste informatie heeft gegeven waardoor de plaatsing van een watermeter zo lang is uitgebleven.

Ter zitting heeft de consument verder nog – in hoofdzaak – het volgende aangevoerd.

Na de aankondiging dat er een watermeter zou worden geplaatst zag ik bij de buren mensen aan het werk. Bij de buren werd een watermeter geplaatst. Hierop belde ik met de ondernemer. Tijdens dat gesprek werd mij gezegd dat ik een watermeter had, hoewel dat niet het geval was.

Men dacht dat 2a hetzelfde pand als 2 was en dus had ik volgens de administratie van de ondernemer al een watermeter.

In 2006 ben ik gaan bellen; in 2007 ben ik gaan schrijven. Via ### is geregeld dat ik een watermeter heb gekregen. Het pand is door mij in 2004 betrokken.

Er is sprake geweest van een communicatiefout

Standpunt van de ondernemer

Het standpunt van de ondernemer luidt in hoofdzaak als volgt.

De ondernemer is vanaf 1997 bezig met een omvangrijk project waarbij een terugstroombeveiliging en een watermeter in 350.000 voorheen onbemeterde woningen in Zuid-Holland worden geplaatst.

Hoewel de ondernemer getracht heeft om de overgang van het oppervlaktetarief naar het tarief voor gemeten leveringen m³ zo geleidelijk mogelijk te laten verlopen, was van meet af aan duidelijk dat een aantal personen meer zou gaan betalen en aantal personen minder. Om die reden zijn twee verzachtende regelingen in het leven geroepen.

Voor personen die minder gaan betalen is de voorrangsregeling in het leven geroepen, waarbij de mogelijkheid wordt verkregen om tegen betaling voor een vervroegde meterplaatsing in aanmerking te komen. De buren van de consument zowel aan haar linker- als rechterzijde hebben van de voorrangsregeling, die door middel van brieven aan alle klanten is bekendgemaakt, gebruik gemaakt.

De consument heeft van deze regeling geen gebruik gemaakt. De enige bij de ondernemer bekende klacht van de consument is op 29 maart 2007 via ### bij haar terechtgekomen. Hierop is door de ondernemer bij brief van 4 juli 2007 gereageerd.

Beide tariefsystemen zijn rechtmatig en de ondernemer is dan ook gerechtigd om voor onbemeterde adressen het oppervlaktetarief te hanteren.

Ter zitting heeft de ondernemer verder nog – in hoofdzaak – het volgende aangevoerd.

Van telefoongesprekken in 2005 en 2006 heb ik niets kunnen terugvinden. Het is zo dat vanaf 2004 de voorrangsregeling niet meer in gebruik was. De buren van de consument hebben daarvoor van die regeling gebruik gemaakt.

Capelle stond gepland om in 2006 en 2007 te worden bemeterd. Deze planning is indicatief, meer niet.

Het is niet onmogelijk dat het verhaal van het misverstand over de huisnummers 2 en 2a juist is.

Beoordeling van het geschil

De commissie heeft het volgende overwogen.

De commissie stelt voorop dat het de ondernemer is toegestaan om bij onbemeterde adressen het oppervlakte tarief in rekening te brengen.

Dit brengt mee dat de commissie in dit geschil niet zal tornen aan het door de ondernemer aan de consument in rekening gebrachte oppervlakte tarief.

De commissie verwerpt het door de consument opgeworpen argument dat zij recht op vermindering van het in rekening gebrachte verbruik zou hebben aangezien een deel van de woning, te weten de kantoorruimte een aantal jaren leeg zou hebben gestaan. Dit is een omstandigheid die geheel aan de consument dient te worden toegerekend, waar de ondernemer geheel buiten staat en op geen enkele wijze enige invloed op kan uitoefenen.

De enkele omstandigheid dat de ondernemer in haar administratie niets van de telefonische klachten van de consument heeft kunnen terugvinden betekent niet dat daarvan geen sprake is geweest. In ieder geval is duidelijk dat een medewerker van ### zich de klachten van de consument in de richting van de ondernemer heeft aangetrokken en deze aan de ondernemer heeft kenbaar gemaakt. Niet geheel duidelijk is of als gevolg van deze interventie de plaatsing van de meter kort daarna heeft plaatsgevonden dan wel dat dit op basis van de planning door de ondernemer is geschied.

De commissie constateert dat de ondernemer in haar schriftelijke stukken rept van een voor de consument opengestaan hebbende voorrangsregeling, terwijl ter zitting bij monde van de vertegenwoordiger van de ondernemer blijkt dat deze regeling ten tijde van het betrekken van de woning door de consument niet meer geldend was.

Voor wat betreft de stelling van de consument dat de ondernemer haar heeft meegedeeld dat haar woning al was bemeterd, zodat de bemetering als gevolg daarvan langer op zich heeft laten wachten en zij aldus, gelet op de omvang van haar woning en haar gezinssamenstelling schade heeft geleden overweegt de commissie als volgt. Naar haar oordeel is het niet uitgesloten dat als gevolg van een mogelijk misverstand over de status van de huisnummers 2 en 2a de plaatsing van de watermeter enige vertraging heeft opgelopen, waardoor de consument enige schade heeft geleden.

Gelet op hetgeen door haar hiervoor is overwogen acht de commissie een door haar naar billijkheid te begroten en door de ondernemer te betalen vergoeding van € 200,- geboden.

Op grond van het voorgaande is de commissie van oordeel dat de klacht gedeeltelijk gegrond is.

Derhalve wordt als volgt beslist.

Beslissing

De ondernemer betaalt aan de consument een vergoeding van € 200,-. Betaling dient plaats te vinden binnen een maand na de verzenddatum van dit bindend advies.

Indien betaling niet tijdig plaatsvindt, betaalt de ondernemer bovendien de wettelijke rente over dit bedrag vanaf de verzenddatum van het bindend advies.

Bovendien dient de ondernemer overeenkomstig het reglement van de commissie een bedrag van € 25,- aan de consument te vergoeden ter zake van het klachtengeld.

Overeenkomstig het reglement van de commissie is de ondernemer aan de commissie als bijdrage in de behandelingskosten van het geschil een bedrag verschuldigd van € 25,-.

Aldus beslist door de Geschillencommissie Energie en Water op 13 maart 2008.