Opzegboete bij voortijdige beëindiging contract terecht opgelegd

De Geschillencommissie Opslaan als PDF




Commissie: Energie    Categorie: Overig    Jaartal: 2025
Soort uitspraak: Bindend Advies   Uitkomst: ongegrond   Referentiecode: 493857/653148

De uitspraak:

Waar gaat de uitspraak over?

De verbruiker had een energiecontract van 48 maanden maar zegde dit voortijdig op. Het bedrijf rekende een opzegboete van ruim € 4.800. De verbruiker vond dat zij die boete niet hoefde te betalen omdat de voorwaarden niet goed waren verstrekt en omdat de berekening van de boete niet duidelijk was. De commissie oordeelt dat de voorwaarden wel van toepassing zijn en dat het normaal is dat bij tussentijdse opzegging een vergoeding verschuldigd is. De boete is dus terecht. Wel heeft het bedrijf uit coulance een lager bedrag aangeboden (€ 3.127,93), en de commissie gaat ervan uit dat dit aanbod wordt uitgevoerd. De klacht is ongegrond.

De volledige uitspraak

Samenvatting

De verbruiker/aangeslotene heeft een overeenkomst gesloten met het bedrijf voor de levering van energie voor 48 maanden. De verbruiker/aangeslotene heeft de overeenkomst tussentijds opgezegd. De opzegvergoeding die het bedrijf in rekening brengt is de verbruiker/aangeslotene naar eigen zeggen niet verschuldigd omdat haar de leveringsvoorwaarden bij Elektriciteit [naam] niet tijdig ter hand zijn gesteld. Terwijl bovendien de variabelen waarmee de opzegboete berekend wordt, niet in die voorwaarden beschreven staan; de verbruiker/aangeslotene kan zelf die boete niet berekenen. Het enkel noemen van de berekeningssystematiek in de voorwaarden is niet voldoende.
De verbruiker/aangeslotene vraagt kwijtschelding van de opzegboete en terugbetaling van het naar eigen zeggen te veel betaalde aan voorschotten.

Beoordeling

Partijen zijn het erover eens dat tussen partijen een leveringsovereenkomst tot stand is gekomen voor levering van energie gedurende 48 maanden.
Gebleken is dat die overeenkomst is gesloten op 14 september 2022 en is opgezegd door de verbruiker/aangeslotene op 15 januari 2024.
Het bedrijf heeft vervolgens aan de verbruiker/aangeslotene een bedrag van € 4.812,20 exclusief btw in rekening gebracht als opzegboete.

Als eerste heeft de verbruiker/aangeslotenen naar voren gebracht, dat haar de algemene voorwaarden en de aanvullende voorwaarden niet op de juiste wijze ter hand zijn gesteld.
Het bedrijf heeft in dit verband aangevoerd dat die voorwaarden bij het verkoopgesprek zijn besproken, waarna de verbruiker/aangeslotene die heeft moeten accepteren met het zetten van een vinkje in het desbetreffende vak. Daarna kon de verbruiker/aangeslotene pas de machtiging ondertekenen. Bij de stukken bevindt zich een door de verbruiker/aangeslotene getekende machtiging waarin melding wordt gemaakt van het van toepassing zijn op de overeenkomst van zowel de algemene voorwaarden als de aanvullende voorwaarden van de leverancier.
De verbruiker/aangeslotene heeft klaarblijkelijk het aanmeldingsproces doorlopen, het is tot een leveringsovereenkomst gekomen en er is ook daadwerkelijk energie geleverd.
De commissie heeft bij de behandeling van het geschil geen aanleiding gevonden om aan het door het bedrijf geschetste gang van zaken te twijfelen. De commissie gaat daarvan dan ook uit.
Wat de verbruiker/aangeslotene voor ogen staat als “de juiste wijze van ter hand stellen” weet de commissie niet. Gegeven het feit dat de overeenkomst digitaal is aangegaan, is de commissie van oordeel dat de feitelijk gevolgde procedure kan gelden als een op de juiste wijze ter handstellen van de toepasselijke voorwaarden voordat de overeenkomst daadwerkelijk werd gesloten.
De verbruiker/aangeslotene had die voorwaarden en aanvullende voorwaarden kunnen kennen en die zijn dan ook naar het oordeel van de commissie van toepassing op de leveringsovereenkomst die tussen partijen tot stand is gekomen.
Het enkele feit dat de link, die het bedrijf aan de verbruiker/aangeslotene heeft doorgegeven, inmiddels niet meer de bedoelde informatie geeft, maakt dat niet anders.
Dat de website inmiddels is aangepast zoals het bedrijf aangeeft, acht de commissie aannemelijk.
De klacht is op dit punt ongegrond.
Ten overvloede wijst de commissie erop dat als de bedoelde voorwaarden niet van toepassing zouden zijn op de leveringsovereenkomst tussen partijen, dat in dat geval de commissie niet bevoegd zou zijn geweest om dit geschil te behandelen.

De tweede klacht betreft de in rekening gebrachte opzegvergoeding. De commissie overweegt in dat verband het volgende.
Dat bij het opzeggen van een overeenkomst van bepaalde tijd een vergoeding verschuldigd is, kan gelden als een feit van algemene bekendheid.
Het is in het maatschappelijk verkeer gebruikelijk dat wanneer een overeenkomst met een vaste looptijd tussentijds eenzijdig wordt opgezegd, er een vergoeding moet worden betaald door de opzeggende partij.
Daar komt bij dat in dit geval een dergelijke vergoeding ook op grond van de van toepassing zijnde voorwaarden verschuldigd is.
Zoals eerder overwogen, had de verbruiker/aangeslotene daarvan op de hoogte kunnen zijn.

Die opzegvergoeding wordt berekend volgens het bedrijf op basis van de geldende marktprijzen op het moment van opzeggen.
Aangezien die prijzen niet bij het aangaan van de overeenkomst vast staan en ook de datum van opzeggen niet van tevoren bekend is, is het volgens het bedrijf niet mogelijk om op het moment van afsluiten van de overeenkomst een bedrag te noemen.
Dat de verbruiker/aangeslotene de opzegvergoeding zelf zou moeten kunnen berekenen, is een eis die geen juridische basis kent.
Het bedrijf heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat de berekening van de opzegvergoeding voldoet aan de eisen die daaraan worden gesteld en die gereguleerd zijn door de [naam].
Wat de verbruiker/aangeslotene precies verstaat onder variabelen die bekend zouden moeten zijn, weet de commissie niet.

Dat het voor de verbruiker/aangeslotene als een hele onaangename verrassing is gekomen dat zij een groot bedrag zal moeten betalen aan de opzegvergoeding als gevolg van haar tussentijdse overstap, is zonder meer te begrijpen maar dat enkele feit maakt niet dat zij die opzegvergoeding niet verschuldigd zou zijn.
Al met al is de commissie van oordeel dat de verbruiker/aangeslotene de in rekening gebrachte boete verschuldigd is.

Het in depot gestorte bedrag zal worden uitgekeerd aan het bedrijf.

De commissie is in kennis gesteld van het feit, dat het bedrijf op basis van coulance aan de verbruiker/aangeslotene een schikking heeft aangeboden die neerkomt op betaling van een bedrag van € 3.127,93 exclusief btw.
Ter zitting is de commissie medegedeeld dat dat aanbod nog geldig is en de commissie gaat ervan uit dat het bedrijf overeenkomstig zijn aanbod zal handelen.
De commissie gaat er daarbij ook van uit dat het bedrijf aan de verbruiker/aangeslotene zal uitkeren het bedrag dat het bedrijf uit het depot te veel heeft ontvangen.

Tot slot heeft de verbruiker/aangeslotene de commissie gevraagd te bepalen dat een bedrag aan te veel betaalde voorschotten door het bedrijf terugbetaald zou moeten worden.
Enige onderbouwing van die vordering ontbreekt en de commissie zal die vordering daarom afwijzen.

Op grond van het voorgaande is de commissie van oordeel dat de klacht ongegrond is.

Derhalve wordt als volgt beslist.

Beslissing

Het door de verbruiker/aangeslotene gevraagde wordt afgewezen.
De commissie gaat ervan uit dat het bedrijf zal handelen overeenkomstig zijn voornoemde aanbod.

Met inachtneming van het bovenstaande wordt het depotbedrag als volgt verrekend.

Depotverrekening, bedrag aan ondernemer € 5092,19

Depotverrekening, bedrag aan consument € 0

Aldus beslist door de Geschillencommissie Energie zakelijk, bestaande uit mevrouw mr. I.E. de Vries, voorzitter, de heer J.H.P.T. den Ouden, de heer A.C. Doeser, leden, op 20 januari 2025.

Opslaan als PDF