Opzeggen overeenkomst vanwege niet kunnen bieden juiste zorg mag

De Geschillencommissie
Print Friendly, PDF & Email




Commissie: Kinderopvang    Categorie: Verkorte procedure    Jaartal: 2015
Soort uitspraak: -   Uitkomst: -   Referentiecode: 2007-KIN07-0035

De uitspraak:

Onderwerp van het geschil

De ondernemer kan niet de juiste buitenschoolse opvang bieden voor een kind met bijzonder gedrag en mag daarom terecht de opvang beëindigen.

Het geschil betreft de opzegging door de ondernemer van de met de consument gesloten overeenkomst tot buitenschoolse opvang van haar kind.   Standpunt van de consument   Het standpunt van de consument luidt in hoofdzaak als volgt.   Tussen partijen bestaat een overeenkomst van buitenschoolse opvang ten behoeve van het kind van de consument, [naam kind], geboren 3 oktober 2000. De overeenkomst, na een voorafgaande overeenkomst voor dagopvang, is in december 2005 gesloten, geldt voor twee dagdelen en loopt tot oktober 2015.    Kort gezegd vindt de ondernemer dat [naam kind] ongewenst gedrag vertoont; de consument vindt dat dit gedrag veroorzaakt wordt doordat niet de juiste opvang wordt geboden. [naam kind] is thans 7 jaar oud, heeft een moeilijke kleutertijd gehad (zindelijkheidsproblemen, driftbuien, andere interesses, weinig aansluiting bij andere kinderen). [naam kind] is in april 2006 getest door OnderwijsAdvies toen ter sprake was of hij op school naar groep 3 zou gaan of nog een jaar in groep 2 zou blijven. Uit dat onderzoek bleek een discrepantie tussen cognitieve en sociaal-emotionele ontwikkeling. Het vermoeden werd uitgesproken van hoogbegaafdheid in combinatie met een stoornis in het autistisch spectrum. Toen is toch gekozen door te gaan naar groep 3. Inmiddels zit hij in groep 4. Er zijn goede afspraken met de school. De dagopvang is op een prettige manier afgesloten. Er is regelmatig contact geweest met de leidsters. In augustus 2006 (toen [naam kind] naar de basisschool ging) is hij als buitenschoolse opvang bij de kleuters geplaatst in plaats van bij zijn leeftijdgenoten, waar hij nog steeds zit. De huidige opzegging is als een volslagen verrassing gekomen. De ondernemer heeft de beslissing daartoe genomen op basis van onvolledige en onjuiste informatie. Er wordt volgens de consument geen enkele opening gegeven, met name voor het voorstel om een proefperiode te laten ingaan zolang [naam kind] op een reguliere basisschool zit. Hij moet dan in een groep zitten die past bij zijn leeftijd. Hij is nu te lang opgevangen in een groep die niet aansluit bij zijn functioneren. Hiermee wordt onvoldoende pedagogisch verantwoorde opvang geboden. Het thans uitgebrachte rapport van het Centrum Autisme wordt voorbarig en onjuist geïnterpreteerd. Op basis van dat rapport is er voor de school, maar ook voor de buitenschoolse opvang de mogelijkheid professionele ondersteuning aan te vragen. Met de school zijn dergelijke afspraken gemaakt.   De consument verzoekt de opzegging door de ondernemer ongedaan te maken.   Standpunt van de ondernemer   Het standpunt van de ondernemer luidt in hoofdzaak als volgt.   De ondernemer stelt niet een opvang aan [naam kind] te kunnen bieden op een manier die hij voorstaat en in het belang van [naam kind] is, te weten een veilige en vertrouwde omgeving waarin in huiselijke sfeer in groepsverband zinvolle vrijetijdsactiviteiten aangeboden worden. Het vrije karakter, de vele wisselende contacten met andere kinderen en groepsleiding en het samen spelen vormen voor [naam kind] een belasting. Er is bij de buitenschoolse opvang minder structuur en er zijn verschillende pedagogische medewerkers, hetgeen anders is dan bij de basisschool. Tijdens de periode van dagopvang is regelmatig met de ouders gesproken over het opvallende gedrag van [naam kind]. Hij is geobserveerd door de pedagogische medewerkers en het hoofd van het kindercentrum. Er is toen geadviseerd deskundige hulp in te roepen. Toch heeft [naam kind] een fijne tijd gehad, omdat in de dagopvang gewerkt wordt met een vaste dagindeling en vaste rituelen. [naam kind] is thans geplaatst in een groep bij een pedagogisch medewerker die speciaal geschoold is in het begeleiden van bijzondere kinderen met bijzonder gedrag. Deze medewerker heeft zeer regelmatig overleg gevoerd met het hoofd buitenschoolse opvang over de benadering van [naam kind]. Zij heeft zich verdiept in mogelijke benaderingen van het gedrag en dit ook toegepast, zij het zonder veel succes. Het bijzonder gedrag van [naam kind] heeft niets te maken met het feit dat hij niet bij leeftijdgenootjes zit, het bijzondere gedrag dateert van veel langer geleden en is reeds tijdens de dagopvang gesignaleerd.   Nu ervaart de ondernemer in de omgang met [naam kind] de volgende problemen: geen contact met andere kinderen en/of de groepsleiding, driftbuien, niet aanspreekbaar op gedrag, absoluut iedere medewerking weigeren, boos reageren op andere kinderen, slaan van andere kinderen, nog niet volledig zindelijk. Het rapport van het Centrum Autisme laat zien dat de problematiek van [naam kind] van ernstige aard is. Ondanks van dat Centrum te ontvangen tips om op een andere wijze op het gedrag van [naam kind] te reageren, als door de ouders aangeboden, zal er geen verbetering in de situatie ontstaan. Tips ten aanzien van de cognitieve behoefte zijn meer van toepassing in de onderwijssetting. De buitenschoolse opvang is, sociaal gezien, voor [naam kind] een te complexe omgeving om zich veilig te kunnen voelen. Het plaatsen van [naam kind] in een hogere groep (nieuwe groep, grotere vrijheid van activiteitenkeuze en wennen aan nieuwe groepsleiding) zal voor hem een stressvolle periode opleveren. Voor [naam kind] moet na een voor hem inspannende schooldag een rustige, sociaal gezien voor hem overzienbare omgeving gecreëerd worden met stabiele en duidelijke begeleiding. Om die reden heeft de ondernemer de overeenkomst opgezegd per 1 december 2007.   De ondernemer verzoekt de commissie de vordering van de consument af te wijzen.   Beoordeling van het geschil   De commissie heeft het volgende overwogen.   Op basis van de toepasselijke Algemene Voorwaarden is opzegging tussentijds voor elk van partijen door een gemotiveerde brief mogelijk met inachtneming van een opzegtermijn van maximaal twee maanden (artikel 7 lid 4). Aan de commissie is verzocht middels deze verkorte procedure uitspraak te doen over de mening van de ondernemer dat een normale opvang van het geweigerde kind redelijkerwijs niet van hem verwacht mag worden.   Ter zitting is uitvoerig aan de orde geweest waarom de ondernemer niet een proefperiode inlast, waarin [naam kind] geplaatst zou worden in een leeftijdsconforme groep. Die proefperiode zou beperkt kunnen worden tot één of enkele maanden, hetgeen overigens iets anders is dan de consument verlangt.   Uit de reactie van de ondernemer, zowel op het in de voorgaande alinea vermelde als op hetgeen de consument verlangt, valt op te maken dat hij op basis van zijn ervaringen met [naam kind] in de dagopvang (oktober 2004 tot en met november 2005) en de buitenschoolse opvang (sinds december 2005) van mening is dat hij [naam kind] geen adequate opvang kan bieden. Hij heeft uitvoerig aandacht aan de situatie van [naam kind] gegeven door overleg met de ouders, het inschakelen van een pedagogisch medewerker en het opstellen van een handelingsplan. Aan de ouders is geadviseerd deskundige hulp in te roepen. Ook uitgebrachte externe rapportages wijzen erop dat [naam kind] extra aandacht nodig heeft.   De commissie is van oordeel dat niet gezegd kan worden dat de ondernemer onredelijk handelt, indien hij op basis van een langjarige ervaring en na uitvoerig onderzoek tot de mening komt dat hij onvoldoende in staat is een kind opvang te kunnen bieden. De commissie komt de door de ondernemer gegeven toelichting dat [naam kind] behoefte heeft aan een meer gestructureerde omgeving dan de ondernemer kan bieden, niet onjuist voor. Daarmee wordt ook verklaard dat [naam kind] op de basisschool, met speciale aandacht, wel functioneert. Nu de ondernemer de gewenste structuur niet kan bieden, heeft hij de opvang onder de gegeven omstandigheden redelijkerwijs mogen weigeren.   Beslissing   De commissie oordeelt dat de opvang onder de gegeven omstandigheden redelijkerwijs door de ondernemer geweigerd mocht worden.   Aldus beslist door de Geschillencommissie Kinderopvang, op 10 oktober 2007.