Opzegging jaarplaats rechtsgeldig: consument niet-ontvankelijk verklaard

De Geschillencommissie Opslaan als PDF




Commissie: Recreatie    Categorie: Ontvankelijkheid    Jaartal: 2025
Soort uitspraak: Niet-ontvankelijkverklaring   Uitkomst: niet-ontvankelijk   Referentiecode: 918600/1060929

De uitspraak:

Waar gaat de uitspraak over?

De consument zegt dat hij nooit een aangetekende opzeggingsbrief van de ondernemer heeft ontvangen. De ondernemer beweert dat de brief op 5 maart 2024 is verstuurd en bezorgd, en dat er voor ontvangst is getekend. De commissie oordeelt dat de brief op het juiste adres is afgeleverd en dat het niet uitmaakt wie precies heeft getekend. Ook is de brief per e-mail verstuurd. Omdat de consument niet binnen vijf weken op de opzegging heeft gereageerd, verklaart de commissie hem niet-ontvankelijk in zijn klacht.

De volledige uitspraak

Onderwerp van het geschil

Opzegging huurcontract jaarplaats per 31 december 2025.

Standpunt van de consument
Voor het standpunt van de consument verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. In de kern komt het standpunt op het volgende neer.

Wij huren een jaarplaats op het terrein van de ondernemer. De ondernemer wil het huurcontract per 31 december 2025 beëindigen. Hij blijft volhouden dat wij in maart 2024 een opzegging per aangetekende brief van hem hebben ontvangen. Wij hebben hem laten weten dat wij nooit een aangetekende brief in ontvangst hebben genomen en dat er daardoor ook helemaal geen sprake kan zijn van een rechtsgeldige opzegging. Nadat we hoorden dat er in maart 2024 een aangetekende brief bij ons zou zijn afgeleverd, hebben we uiteraard direct contact opgenomen met PostNL, omdat wij helemaal niets hebben ontvangen. Wij hebben via PostNL het afleverbewijs gekregen en daarop staat duidelijk een handtekening die niet eens lijkt op die van mijn vrouw of mijzelf. Wij hebben dit afleverbewijs ook aan de ondernemer gestuurd en aangegeven dat we hiermee duidelijk kunnen aantonen dat wij de aangetekende zending nooit hebben ontvangen. De ondernemer geeft nu aan dat hij ook niet weet van wie de handtekening op het afleverbewijs is, maar dat het voor hem wel een feit is dat de aangetekende zending bij ons is afgeleverd. Dat is niet het geval, maar nu legt de ondernemer de bewijslast bij ons, terwijl wij onmogelijk kunnen bewijzen wat we niet hebben ontvangen. De handtekening op het ontvangstbewijs zou van mij of mijn vrouw moeten zijn, aangezien wij het contract met de ondernemer hebben. De ondernemer had dit in maart 2024 eenvoudig zelf kunnen constateren en contact met ons op kunnen nemen. Wij kennen op dit moment de inhoud van de zending dus nog steeds niet en er kan wat ons betreft dan ook geen sprake van een rechtsgeldige opzegging.

Bij brief van 15 januari 2025 heeft de consument de ondernemer onder meer laten weten dat hij in zijn postvak geen e-mail heeft aangetroffen inzake de opzegging van de huurovereenkomst (de commissie gaat ervan uit dat de consument hier de e-mail met de brief van 5 maart 2024 bedoelt).

Standpunt van de ondernemer
Voor het standpunt van de ondernemer verwijst de commissie naar de overgelegde stukken, waarvan in het bijzonder het verweerschrift van 8 april 2025. De inhoud daarvan dient als hier herhaald en ingelast te worden beschouwd. In de kern komt het standpunt met betrekking tot de ontvankelijkheid van de consument op het volgende neer.

De ondernemer heeft bij brief van 5 maart 2024 de huurovereenkomst met de consument opgezegd tegen 31 december 2025. De brief is zowel per aangetekende post als per e-mail naar de consument verzonden. Het e-mailadres dat is gebruikt, is gelijk aan het e-mailadres dat door de consument op de huurovereenkomst is ingevuld en van waaruit hij met de ondernemer communiceert. De betreffende e-mail is niet onbestelbaar retour gekomen.

Uit het verzendbewijs van de aangetekende brief blijkt dat de brief is geadresseerd aan het adres van de consument. Uit het door de consument zelf verstrekte bezorgbewijs blijkt dat de brief op 8 maart om 16.02 uur door Post.NL is afgegeven op zijn adres.

Aan het einde van de opzeggingsbrief van 5 maart 2024 heeft de ondernemer de consument verzocht om binnen 5 weken na dagtekening van de brief schriftelijk te laten weten of hij kan instemmen met de huuropzegging, of dat deze wordt betwist. De ondernemer heeft de consument erop gewezen dat, indien hij de huuropzegging betwist, hij zich kan wenden tot de Geschillencommissie Recreatie. Indien de ondernemer binnen de gestelde termijn van 5 weken geen reactie van de consument heeft ontvangen en er evenmin een geschil door de consument aanhangig is gemaakt bij de Geschillencommissie Recreatie, acht de ondernemer zich vrij op de huuropzegging ter toetsing voor te leggen aan de kantonrechter.

Bij brief van 24 oktober 2024 refereert de ondernemer aan de brief van 5 maart 2024, in welke brief hij de huurovereenkomst met de consument heeft opgezegd tegen 31 december 2025. Daarnaast wordt aangegeven dat de consument niet na binnen 5 weken na de brief van 5 maart 2204 heeft aangegeven dat hij zijn klacht (de huuropzegging) wenst voor te leggen aan de commissie. Gelet daarop acht de ondernemer zich vrij om de huuropzegging ter beoordeling voor te leggen aan de kantonrechter.

Pas bij brief van 7 januari 2025 heeft de consument gesteld dat hij de aangetekende brief van 5 maart 2024 niet heeft ontvangen. Voor ontvangst van de brief op zijn huisadres is wel getekend, maar niet door hem of zijn echtgenote. Ingevolge de RECRON-voorwaarden is er dan volgens hem geen sprake van een rechtsgeldige opzegging.

De ondernemer benadrukt dat de consument hem nimmer te kennen heeft gegeven dat de rechtmatigheid van de huuropzegging ter beoordeling zou willen voorleggen aan de commissie.

De consument heeft op 30 januari 2025 het klachtformulier ingediend. De ondernemer is daarvan op dat moment noch door de consument noch door de commissie van in kennis gesteld. De ondernemer heeft een juridische procedure gestart bij de kantonrechter. Hiertoe is de dagvaarding op 1 april 2025 aan de consument betekend, waarbij is gedagvaard tegen de rolzitting van 16 april 2025.

De consument heeft op 2 april 2025, dus na ontvangst van de dagvaarding, de commissie verzocht de zaak ter heropenen.

Gelet op het voorgaande dient de commissie, hetzij ambtshalve op grond van artikel 5, sub c, van het Reglement van de commissie, hetzij op verzoek van de ondernemer -welk verzoek hij hierbij doet – op grond van artikel 6, lid 1, sub c, van het Reglement van de commissie, de consument niet-ontvankelijk te verklaren in zijn klacht.

Juridisch kader
Reglement van de geschillencommissie Recreatie

Artikel 5

De commissie verklaart de consument in zijn klacht ambtshalve niet ontvankelijk: a. (…)
b. (…)
c. indien het een geschil betreft waarover de consument, of met inachtneming van artikel 6, lid 1, onder c de ondernemer, reeds bij de rechter een procedure aanhangig heeft gemaakt, of waarin de rechter reeds een uitspraak over de inhoud heeft gedaan.

Artikel 6

1. De commissie verklaart op verzoek van de ondernemer – gedaan bij eerste gelegenheid – de consument in zijn klacht niet ontvankelijk: a. (…)
b. (…)
c. indien de ondernemer aan de consument een termijn van vijf weken heeft gegeven om het geschil bij de commissie aanhangig te maken en de consument van die mogelijkheid geen gebruik heeft gemaakt. De ondernemer dient daarbij aan te kondigen dat hij na het verstrijken van voornoemde termijn zich vrij zal achten het geschil aan de gewone rechter voor te leggen.

Beoordeling van het geschil
De commissie heeft het volgende overwogen.

Met betrekking tot het beroep van de ondernemer op artikel 5, lid c, van het reglement van de commissie

De consument heeft het geschil bij de commissie aanhangig gemaakt op 30 januari 2025 en het vragenformulier op 25 februari 2025 ingediend. De ondernemer heeft met inachtneming van artikel 6, lid 1, onder c, van het reglement van de commissie bij de (kanton)rechter op 1 april 2025 een procedure aanhangig gemaakt door op die datum een dagvaarding te laten betekenen aan de consument.

De ondernemer heeft zich op het standpunt gesteld dat hij er niet van op de hoogte is gesteld, noch door de commissie noch door de consument, dat de consument zijn klacht op 30 januari 2025 aan de commissie heeft voorgelegd. Verder heeft hij opgemerkt dat de consument na ontvangst van de dagvaarding de commissie heeft verzocht om de zaak te heropenen.

De commissie begrijpt dit aldus, dat de ondernemer van mening is dat de commissie gelet op deze feiten toepassing zou moeten geven aan artikel 5, lid c, van het reglement van de commissie (ambtshalve nietontvankelijk verklaren). De commissie volgt de ondernemer niet in die zienswijze. Vaststaat dat de consument zijn geschil eerder bij de commissie aanhangig heeft gemaakt dan dat de ondernemer een procedure heeft gestart bij de (kanton)rechter. Dat de ondernemer niet op de hoogte is gesteld van het indienen van de klacht bij de commissie op 30 januari 2025, doet daar niet aan af. Ten slotte merkt de commissie op dat de consument weliswaar op 2 april 2025 de commissie heeft verzocht om de zaak te heropenen, maar ook het sluiten van de zaak heeft op die datum plaatsgevonden, zodat ten tijde van de betekening van de dagvaarding de procedure bij de commissie nog liep. Na heropening is de procedure onder hetzelfde nummer voortgezet.

In het licht van het voorgaande faalt het beroep van de ondernemer op artikel 5, lid c, van het reglement van de commissie.

Met betrekking tot het beroep van de ondernemer op artikel 6, lid 1, onder c, van het reglement van de commissie

Alvorens de vraag kan worden beantwoord of het verzoek van de ondernemer, gedaan bij eerste gelegenheid, om de consument niet-ontvankelijk te verklaren op grond van artikel 6, lid 1, onder c, van het reglement van de commissie, kan worden toegewezen, dient te worden beoordeeld of de consument de brief van 5 maart 2024 (opzegging huurovereenkomst) heeft ontvangen.

De ondernemer heeft de betreffende brief aangetekend verstuurd en op dezelfde dag per e-mail verstuurd. De consument heeft aangevoerd dat hij de brief noch de e-mail heeft ontvangen. Weliswaar is de brief volgens de consument afgeleverd op zijn huisadres, maar hij noch zijn vrouw heeft voor ontvangst getekend. De handtekening die op het ontvangstbewijs staat, is niet van hen.

De commissie overweegt dat de aangetekende brief op het huisadres van de consument is bezorgd. De ondernemer heeft immers een ontvangstbewijs overgelegd waaruit dat blijkt en de consument heeft bevestigd dat de aantekende brief op zijn huisadres is afgeleverd en dat er voor ontvangst is getekend, zij het niet door hem of zijn vrouw.

In dit kader heeft de ondernemer verwezen naar een arrest van Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden d.d. 30 juli 2024 (ECLI:NL:GHARL:2024:4948). In die zaak ging het ook om bewijs van ontvangst van een aangetekende brief, waarbij de geadresseerde het standpunt innam dat hij niet voor ontvangst van de brief zou hebben getekend. Het Gerechtshof oordeelde in die zaak onder meer het volgende.

(rechtsoverweging 4.7)

Tussen partijen staat vast dat de brief aangetekend is verzonden naar het adres waar (appellant) woont. Verder blijkt uit de track en trace gegevens van Post.NL dat de aangetekende brief op (datum) op het adres van appellant is bezorgd en dat voor de ontvangst daarvan is getekend. Het hof is met de rechtbank van oordeel dat de brief op het adres van appellant is ontvangen en appellant heeft bereikt. Dat het niet appellant zelf zou zijn geweest die voor de ontvangst heeft getekend, doet daaraan niet af.

Deze situatie is naar het oordeel van de commissie gelijk aan de situatie die zich in deze zaak voordoet. De commissie gaat er dan ook vanuit dat de brief van 5 maart 2024 op het adres van de consument is ontvangen en hem ook daadwerkelijk heeft bereikt.

Daar komt bij dat de ondernemer de brief van 5 maart 2024 niet alleen per aangetekende brief heeft verstuurd, maar diezelfde dag ook naar het e-mailadres van de consument heeft gestuurd. De betreffende e-mail is niet onbestelbaar retour gekomen. De commissie acht het onaannemelijk dat zowel de brief als de e-mail de consument niet heeft bereikt.

Nu de commissie ervan uitgaat dat de consument de brief (dan wel de e-mail) van 5 maart 2024 heeft ontvangen, komt zij toe aan de beantwoording van de hiervoor opgeworpen vraag.

Vasstaat dat de ondernemer de consument een termijn van vijf weken heeft gegeven om het geschil bij de commissie aanhangig te maken en dat de consument van die mogelijkheid geen gebruik heeft gemaakt. Tevens staat vast dat ondernemer daarbij heeft aangekondigd dat hij zich na het verstrijken van voornoemde termijn vrij zal achten het geschil aan de gewone rechter voor te leggen.

De commissie is dan ook van oordeel dat de consument, gelet op het gestelde in artikel 6, lid 1, onder c, van het reglement van de commissie, niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in zijn klacht.

Derhalve wordt als volgt beslist.

Beslissing

De consument wordt in de klacht niet-ontvankelijk verklaard.

Aldus beslist door de Geschillencommissie Recreatie, bestaande uit de heer mr. H.A. van Gameren, voorzitter, mevrouw mr. M. de Rooij – Slager, mevrouw J.M.A. van Haren, leden, op 5 juni 2025.

Opslaan als PDF