Opzegtermijn bij opzeggen na periode van ziekte

De Geschillencommissie
Print Friendly, PDF & Email




Commissie: Kinderopvang    Categorie: Opzeggen en annuleren    Jaartal: 2015
Soort uitspraak: -   Uitkomst: -   Referentiecode: 2014-84615

De uitspraak:

Onderwerp van het geschil

Vanwege ziekte is een kind langere tijd afwezig. De ouder betaalt een deel van de opvang en de ondernemer schort daarna een deel op. Als de ouder opzegt omdat het kind nog niet naar de opvang kan, wil de ondernemer vast houden aan twee maanden opzegtermijn. De ouder wil een maand en terugbetaling van de doorbetaalde maanden.

In geschil is:
1. de opzegtermijn van twee maanden (medio augustus – medio oktober 2013) die de ondernemer jegens de consument heeft aangehouden;
2. de doorbetaling van opvangkosten over de periode (juni en juli 2013) waarin de consument in verband met ziekte van haar kind geen gebruik heeft gemaakt van de opvang.

De consument heeft een bedrag van € 478,50 niet betaald en bij de commissie gedeponeerd.

Standpunt van de consument

Het standpunt van de consument luidt samengevat en in hoofdzaak als volgt.

De consument maakte voor twee kinderen gebruik van de opvang bij de ondernemer. Het geschil betreft de overeenkomst betreffende de opvang van het jongste kind. De consument heeft in verband met een medische ingreep begin juni 2013, tijdelijk voor haar jongste kind geen gebruik kunnen maken van de opvang. De consument heeft de opvang gedurende de maanden juni en juli 2013 doorbetaald. In de periode van 1 augustus tot en met 15 september 2013 is de overeenkomst met instemming van beide partijen opgeschort.
In verband met de keuze van de consument om haar kinderen in het vervolg te laten opvangen in haar woonplaats heeft de consument vervolgens op 13 augustus 2013 de opvang van beide kinderen opgezegd per 15 oktober 2013. De consument tekende daarbij aan dat zij voor haar jongste dochter helemaal geen gebruik meer zou maken van de opvang, in verband met het langer duren van het behandeltraject, en heeft de ondernemer verzocht haar tegemoet te komen in de opzegtermijn.
De ondernemer heeft vervolgens de consument ook voor haar jongste dochter gehouden aan een opzegtermijn van twee maanden. Het kwam er dus op neer dat zij voor haar jongste kind al sinds begin juni 2013 geen gebruik meer maakte van de opvang, maar wel drie maanden moest betalen, te weten: juni, juli en half september tot en met half oktober.
De consument heeft tegen deze gang van zaken de volgende bezwaren:
1. het is gebleken dat de aan- of afwezigheid geen wijziging in de formatie van leidsters bracht;
2. in de periode waarvoor wel werd betaald, maar geen opvang werd afgenomen (juni en juli 2013) werden de variabele kosten niet verdisconteerd, terwijl de ondernemer op voorhand wist dat de jongste dochter van de consument niet zou komen;
3. inmiddels is ook gebleken dat een opzegtermijn van twee maanden onredelijk lang is
(wet Van Dam) en dit is ook als zodanig gewijzigd in de Algemene Voorwaarden;
4. inmiddels heeft de organisatie die op dit moment de opvang voor de consument verzorgt erop gewezen dat ouders nimmer aan een opzegtermijn kunnen worden gehouden in het geval van een medische reden voor absentie.
Gezien het voorgaande is de consument van mening dat er over de maanden juni en juli 2013 voor haar jongste dochter ten onrechte kosten in rekening zijn gebracht. Tenminste dienen geen kosten verschuldigd te zijn over de periode 15 september tot en met 15 oktober 2013, en dienen de variabele kosten over de maanden juni en juli 2013 aan de consument te worden terugbetaald.

Standpunt van de ondernemer

Het standpunt van de ondernemer luidt samengevat en in hoofdzaak als volgt.

Om redenen van de bedrijfseconomisch meest efficiënte oplossing wordt aan de consument een creditnota gestuurd voor het volledig openstaande bedrag, waarbij nadrukkelijk vermeld dat de ondernemer zich niet kan vinden in het standpunt van de consument.
Gegeven de omstandigheden heeft de gehele organisatie van de ondernemer zeer veel coulance en flexibiliteit getoond. Daarin is de ondernemer niets te verwijten.
Inzake de opzegtermijn wijst de ondernemer erop dat de genoemde opzegtermijn van één maand van kracht is per 1 maart 2014. Deze wijziging is inmiddels door de ondernemer geïmplementeerd. De plaatsing en opzegging zijn van voor deze datum.
Ondanks de creditnota ziet de ondernemer de uitspraak van de commissie met belangstelling tegemoet.

Beoordeling van het geschil

De commissie heeft het volgende overwogen.

1. Ter zake de opzegtermijn.

Binnen wettelijke kaders geldt tussen partijen wat zij zijn overeengekomen. De opzegtermijn waarop de ondernemer zich beroept ontleent hij aan de plaatsingsovereenkomst en de daarop toepasselijke algemene voorwaarden, zoals deze zijn verstrekt ten tijde van het tot stand komen van de overeenkomst.

In de wet zijn bepalingen opgenomen die de bescherming van een consument regelen als het om door de ondernemer gehanteerde algemene voorwaarden gaat.
Artikel 6:233 BW bepaalt dat een beding in de algemene voorwaarden vernietigbaar is (onder andere) indien het, gelet op de aard en de overige inhoud van de overeenkomst, de wijze waarop de voorwaarden zijn tot stand gekomen, de wederzijds kenbare belangen van partijen en de overige omstandigheden van het geval, onredelijk bezwarend is voor de wederpartij.
In dat kader gelden voorts de bepalingen van de zogeheten ‘zwarte lijst’ (artikel 6:236 BW) en ‘grijze lijst’ (artikel 6:237 BW). Voor zover hier van belang wordt in de grijze lijst (artikel 6:237 BW onder o) gesteld dat wordt vermoed onredelijk bezwarend te zijn een in de algemene voorwaarden voorkomend beding dat de wederpartij bij overeenkomsten, niet zijnde verlengde of voortgezette overeenkomsten als bedoeld in artikel 6:236 onder j of p respectievelijk q, aan een opzegtermijn bindt die langer is dan een maand.

Artikel 2.8 van de plaatsingsovereenkomst luidt:
“Elk der partijen kan de overeenkomst opzeggen door middel van een schriftelijke melding middels brief dan wel mutatieformulier, zulks met inachtneming van een opzegtermijn van twee maanden.
De plaatsing kan worden opgezegd per de eerste of de zestiende van de maand. Voor een gedeeltelijke opzegging geldt dezelfde procedure”.

Artikel 7.4 van de door de ondernemer gehanteerde algemene voorwaarden luidt, voor zover hier van belang:
 “Bij een voor de maximale tijdsduur (….) gesloten overeenkomst heeft elk der partijen het recht de overeenkomst of een gedeelte van de overeengekomen tijdsduur op te zeggen (….). Dit met inachtneming van een opzegtermijn van maximaal twee maanden.”

De commissie is van oordeel dat de bepaling in de algemene voorwaarden naar zijn tekst niet zonder meer onredelijk bezwarend is. Immers, de bepaling behelst niet dat de termijn in alle gevallen twee maanden is. Nu echter de ondernemer, met een beroep op de bepaling in de plaatsingsovereenkomst, vast een opzegtermijn van langer dan een maand hanteert, zal hij hiermee in beginsel wel in strijd handelen met de toepasselijke wetgeving, hetgeen als consequentie zal hebben dat de aldus aangehouden opzegtermijn tussen partijen niet geldig is. Een en ander behoudens de situatie waarin de ondernemer voor het aanhouden van die langere termijn goede gronden aanvoert, die maken dat de hiervoor bedoelde beoogde wettelijke bescherming van de consument, in dit geval, moet wijken. Van een dergelijke situatie is in dit geval niet gebleken.

De ingeroepen vernietiging treft dan ook doel en de betreffende bepaling mist toepassing in de verhouding tussen de ondernemer en de consument.
Partijen hebben over de mogelijkheden tot beëindiging van de overeenkomst geen andersluidende onderlinge afspraken gemaakt, zodat teruggevallen moet worden op het gemene recht. Dit bepaalt dat bij opzegging een redelijke termijn in acht moet worden genomen. De vraag rijst dan welke termijn redelijk is.

De wetgever acht een opzegtermijn van een maand in overeenkomsten zoals de onderhavige in zijn algemeenheid niet onredelijk. Deze termijn kan dan ook als uitgangspunt gelden, waarbij de mogelijkheid blijft bestaan dat de omstandigheden van het geval een afwijking in neerwaartse, of in opwaartse zin, rechtvaardigen.

De consument acht een opzegtermijn van één maand voldoende en beroept zich op de omstandigheden van het geval, zijnde de medische toestand van haar dochter waardoor deze al langere tijd geen gebruik heeft kunnen maken van de opvang, die (ten dele) wel is doorbetaald.
Ter rechtvaardiging van de opzegtermijn van twee maanden beroept de ondernemer zich in zijn correspondentie met de consument op een door meerdere opzeggingen ontstane reeds te ruime personeelsbezetting en het beleid van “vaste gezichten”, waardoor de ondernemer niet heel flexibel kan zijn als het gaat om het verkorten van opzegtermijnen.
Hoewel de medische omstandigheden waarop de consument doelt vervelend zijn en ongetwijfeld ingrijpend, liggen deze omstandigheden veeleer in de sfeer van de consument dan van de ondernemer. Ook is de commissie van oordeel dat de ondernemer blijk heeft gegeven van flexibiliteit en van de wil om mee te denken. Desondanks ziet de commissie in het bedrijfseconomische argument van de ondernemer geen aanleiding voor een bijstelling van de in het algemeen redelijk geachte opzegtermijn van een maand. Dit geldt temeer nu ook de branchevereniging onlangs aanleiding heeft gezien de termijn in de algemene branchevoorwaarden aan te passen naar één maand.

De commissie oordeelt al met al dat de redelijkheid, bezien in het licht van de wettelijke bescherming zoals hiervoor bedoeld en de omstandigheden van het geval, met zich meebrengen dat de consument jegens de ondernemer gehouden was tot inachtneming van een opzegtermijn van niet meer dan een maand.

De ondernemer heeft dan ook terecht aangeboden de rekening over de periode medio september tot en met medio oktober te crediteren. Nu echter dit aanbod is gedaan nadat de consument het geschil aan de commissie had voorgelegd, is dit klachtonderdeel gegrond.

2. Ter zake de doorbetaling van opvangkosten in de periode dat de consument in verband met ziekte van het kind geen gebruik heeft gemaakt van de opvang.

Noch in de overeenkomst, noch in de toepasselijke algemene voorwaarden is een regeling opgenomen ter zake het opschorten van de betalingsverplichting bij tijdelijke afwezigheid ten gevolge van een medische reden. Artikel 8.5 van de algemene voorwaarden ziet op de situatie dat een kind voor
langere tijd afwezig is. Ondernemer en consument zijn in dat geval verplicht in overleg te treden over het beschikbaar houden van de kindplaats. In dit kader zal het mogelijk zijn om ook afspraken te
maken over het al dan niet doorbetalen van de opvangkosten. De inhoud van die afspraken is echter geheel aan partijen. De commissie stelt vast dat partijen voorafgaand en tijdens de
afwezigheidsperiode hebben overlegd en dat dit de facto heeft geresulteerd in het doorbetalen van de periode juni en juli en een opschorting van de overeenkomst in de periode augustus tot en met half september, met de afspraak dat de opvang per half september weer zou worden afgenomen.
De ondernemer heeft gedurende de gehele ziekteperiode de opvangplaats ook daadwerkelijk
beschikbaar gehouden. De commissie acht deze regeling tussen partijen niet onredelijk en ziet ook in de omstandigheden van het geval geen aanleiding om daar achteraf op terug te komen. Gelet op het voorgaande acht de commissie dit klachtonderdeel ongegrond.

De commissie beslist als volgt.

Beslissing

De klacht ter zake de opzegtermijn is gegrond. De ondernemer is gehouden te handelen overeenkomstig zijn toezegging en de nota over september en oktober 2013, zijnde een totaalbedrag van € 478,50, te crediteren.

De klacht ter zake de doorbetaling van opvangkosten tijdens ziekte is ongegrond. Het door de consument verlangde wordt afgewezen.

Nu de klacht ten dele gegrond is, dient de ondernemer overeenkomstig het reglement van de commissie een bedrag van € 26,25 aan de consument te vergoeden ter zake het klachtengeld.

Nu de klacht ten dele gegrond is, is de ondernemer overeenkomstig het reglement van de commissie een bedrag van € 25,– aan de commissie verschuldigd als bijdrage in de behandelingskosten.

Met inachtneming van het bovenstaande komt het depotbedrag (€ 478,50) de consument toe.

Aldus beslist door de Geschillencommissie Kinderopvang, op 24 juni 2014.